Het bericht van dit weerzien ontving de geleerde taal- en letterkundige Dr. Eelco Verwijs van een mij zeer welbekende hand. Dr. J. Van Vloten nam het op in het 2de deel van Nederlandsch dicht en ondicht der negentiende eeuw, bladz 623. Het luidt aldus:

Weerzien met Piet Paaltjens

Dr. J. van Vloten

De zon ging, als gewoonlijk, in 't westen onder. Ik doolde in diep gepeins langs het veld en bereikte, eer ik het wist, de zee. Was ik niet over den dijk en over eenige wrakken gestruikeld, ik zou er niets van gemerkt hebben en was misschien doorgewandeld naar Ameland. Nu evenwel schrikte ik op en zag vóór mij den onmetelijken oceaan. Dat was evenwel niet, wat mij opeens verstijven deed van verbazing.

Een nooit gedacht schouwspel trof mijn oog.

Op de uiterste punt van een ver in zee uitstekend hoofd zat een jongeling. Marmerbruin was zijn jas, marmerzwart zijn hoed, marmerwit zijn gelaat. Wat kleur zijn pantalon had, herinner ik mij niet. Alleen meen ik te weten, dat hij er een had, - dat is te zeggen, de pantalon een kleur. De punten van zijn laarzen hingen schilderachtig-los in de zilte golven en waren nat, zoals men zien kon, als de golfslag voor een oogenblik speelziek de wateren onder zijn voeten wegdreef. Dat kwam allerwaarscijnlijkst, doordien zij in zee hingen. Maar natter nog dan die laarspunten waren 's jongelings oogen. Die oogen, - niemand, zelfs Prof. Donders niet, zag ooit zoo'n uitdrukking in oogen. Zij waren blauw, niet ten gevolge van een vuistgevecht, maar van nature; - doch welk een blauw! Als ik zeg flets-blauw, dan zeg ik niets. Het was meer dan flets, oneindig meer. Het was een beroerd-blauw; neen het was nòg meer. Zoolang het Nieuwe Woordenboek er niet is, is er in onze taal ook geen woord voor dit blauw. Maar - neem een schelvis, leg hem op een matig-warme stoof, laat hem daar een dag of drie op liggen, liefst in de zon, en, als gij het er dan nog bij kunt uithouden, kijk hem dan een fiks in de oogen, en gij zult een flauw besef hebben van het geniale blauw van 's jongelings bovennatuurlijke blikken.

En, - stel u eens voor, wat een kunstenaarsgreep van de natuur! - met die blauwe blikken zag het jongmensch scheel, zoodat terwijl het eene oog staarde in de grondelooze diepte der wateren, het andere tuurde naar den gezichteinder.

Zoo zat hij op de punt van een paal en spoog kringetjes in het water, terwijl de avondzon zijn hoed omglansde.

Verwondert het u, dat ik een oogenblik waande Pothof voor mij te zien, den zwager van Balkum? Gij kent Pothof immers, of liever, gij hebt hem gekend? want hij is niet meer. Hij stierf van schrik den heldendood bij het Groninger aardappeloproer. Dat vergat ik evenwel in mijn eerste ontsteltenis en ik bedacht het eerst, toen ik dan mond reeds open had om te roepen: "Hé, Pothof, ben jij daar?" - Gelukkig, dat ik het nog niet gezegd had, want op hetzelfde oogenblik zag de jongeling om en vestigde één zijner zielvolle blikken op mij. En zie, toen herkende ik hem.

Hij was het zelf, de verdwenen, maar onsterfelijke dichter Piet Paaltjens.

"Piet!" zeide ik, terwijl ik daverde op mijn grondvesten, "Piet!"

Hij antwoordde niet, maar grimlachte, koud en bitter, als het noorderlicht.

"Piet!" huilde ik ten derden male en sprong, dwars over de tranen, die mij ontrolden op hem los.

Te laat. Toen ik het paalwerk bereikte, was Paaltjens reeds in een boot gedaald en gleed weg in de richting van Schiermonnikoog. Ik wilde hem naspringen en nazwemmen, maar zag van het voornemen af, want ik herinnerde mij, dat ik, te water gaande, de gewoonte heb te verdrinken. Daarom liet ik het bij een mistroostig zwaaien met mijn steek. Doch, al zwaaiende, viel mijn oog op een brieventasch, die de vluchteling had laten liggen ter plaatse waar hij gezeten had. Ik nam ze op en - o verrassing! - ik vond er een prachtige verzameling in van de heerlijkste liederen en balladen. Ontroerd snelde ik met dien schat naar huis en wentelde mij ettelijke dagen in de hartsterkende poëzie van den ongeëvenaarde zanger.


Terug naar levensbeschrijving van Piet Paaltjens