1257
Droef neuriënd kust daarbuiten De nachtwind de torentinnen. Maar hoog boven den zang van den nachtwind Stijgt het feestgezang daarbinnen. Daarbinnen geeft Jan van Zutphen Voor de allerletste male Zijn wakkeren vrienden ten afscheid Festijn in de opperzale. Want, als het weer daagt in 't oosten, Tijgt Zutphen's dapper heere Met het roode kruis op den schouder Naar het land van Overmeere. En als het weer purpert in 't westen, Dan dragen hem reeds de golven Naar 't verre land, waar al menig Zich een heldengraf heeft gedolven. Maar hem jaagt niet als zoo menig Onleschbre gouddorst henen Tot den kamp in de lommer der palmen Met de woeste Sarcenen. De noodkreet der vele broedren, Die daarginds in ketenen zuchten, Die gespt hem het zwaard aan de heupe En drijft hem naar zuiderluchten. Want onder zijn maliejak klopt hem Een edel manneharte, Dat, staal voor eigen lijden, Krimpt van weedom bij anderer smarte. Doch nu dwaalt zijn oog zo somber Langs den feestdisch in de opperzale, Waar hij aanzit met zijn vrienden, Nog ééns, voor de leste male. Daar rusten zijn blauwe blikken. Op tal van baroenen en knapen, Die, al keert hij van 't Oosten eens weder, Dan toch lang in den grafkelder slapen. Daar tellen zijn blondruige lippen Zoovele hem dierbare namen, Die uit Holland en 't Sticht en uit Friesland Op zijn huis ten afscheidsmaal kwamen. Aan zijn rechte rolt de lach van Jacobus van Meerenbergen, Die zoete lach, die zelfs nonnekens Tot wereldsche grapkens kon tergen. Hij lacht met Janus van Steenbeek Om den zwarten slotvoog van Bommel Die den rug van het slapend cocqjen Van Gorcum gebruikt als trommel. Aan 's gastheers slinke zetelt Zijn trouwe leidsman en rader, De astroloog, in het veld hem ten broeder, In het stil klozet hem ten vader. Verderop zit Karel de Kaper En drinkt minne met Peter den Langen. Daartusschen zingt de eedle van Mackum Zijn Friesche tafelzangen. Op hem volgen Jan van den Bossche, Fel op kloosters en papen gebeten, En Dorus de Mooie druk bezig Op pauwbraadsel te eten. Ook Zutphen's grijze lijfarts Met zijn broeder, en blonde Janje Van de Rotte laven de kelen Aan de druiven van 't lauwe Spanje. Aan het eind van den disch doet Eligius, Dat sieraad der clerezije Van 't Oversticht, zich te goede Aan de tintlende malvezije. En nog menig andere degen Zit aan in de opperzale, Nu Jan van Zutphen festijn geeft Voor de allerleste male.
Doch ziet, daar buigt Melchior, de page, Zich over Zutphen's zetel, Ietwat vrees in de donkerbruine oogjes, Zoo schelms anders en vermetel. "Daar buiten aan de slotpoort," Zoo lispt hij zijn heer in de ooren, "Daar staat weer de doode minstreel, En hij eischt, dat gij hem zult hooren, De minstreel, die, vier jaar geleden, Zoo spoorloos van 't huis is verdwenen, En sinds nog driemaal in 't nachtuur Aan den torenwacht is verschenen." ""Hij kome, de doode minstreel!"" roept Zutphen, van wijn bevangen, ""Hij kome en zing mij ter eere Zijn helsche minnezangen!"" De astroloog fronst zoo ernstig de wenkbrauw: "Heer Jan, wil u dan toch bezinnen! Met minstreels, als zij eens door zijn, Daar is niet mee te beginnen." ""En zingt mij de boef ook lijden, En krast mij de dief ook sterven, Ik wil, dat hij zinge! Geen liedjes Zullen Jan van Zutphen verderven!"" Het kersrood van Melchior's wangen Wordt witter dan pasgebleekt linnen, En knieknikkend spoedt hij zich henen En laat de doode binnen. Zóó rilt op den adem van 't koeltje Het donkere beukengebladert, Als de knapen en baanrotsen rillen, Nu het lijk van den minstreel nadert. Zóó klappren de castagnetten Van Biscaje's zwartoogige schoonen, Als de tanden der ridders, bij 't zien van Des minstreels marmeren koonen. Maar nooit nog ook, sinds voor het eerst hier Ellendige tranen schreiden, Lag in één oog zóó'n afgrond Van onpeilbaar zielelijden. Maar nooit nog ook, sinds de wanhoop Voor het eerst hier een hart vervulde, Zag men zóó'n grimlach, als die zich Om de lippen des minstreels krulde. Van grafbloemen is de kranse, Die zich wingert door zijn haren. Van doodkistenhout is der harpe, - Doch geen menschenoog ziet er de snaren. Slechts geestenblik merkte er de snaren, Waaruit zijn doode vingren Een woestschoonen stroom van accoorden Den ridders in de ooren slingren. En grijpen die lijkkoude vingren Die grafdampaâmende snaren, Dan golven de boezems der knapen Als door stormwind gebeukte baren. Dan rommelen de ingewanden Van al die ontembre baronnen, Als men de wind uit de verte Ons toewaait den zang van kanonnen. Nu ratelt de harp als de donder, Dan suist ze als de kus van een engel; Nu ploft zij als een lawine, Dan klokluidt ze als een kuddengebengel. Wee! Daar opent de minstreel zijn lippen; Daar ....... Het sieraad der clerezije, Eligius, schiet plots onder tafel - Dat komt van de malvezije!
Saaie, prozaïsche feiten:
In verspreide pëzie gedateerd: 19 oct 1853 In werkelijkheid geschreven en "met begeleiding van zang" voorgedragen op de promotiepartij van een van Haverschmidts clubgenoten op 6 oktober 1957. De partij werd bovendien niet in Zomerlust gehouden, maar in het hotel Müller.
Werkelijke namen, zoals vermeld bij de verspreide poeëzie Jan van Zutphen - Mr. G.J.B. Henny, die kort daarop naar Indië vertrok, waar hij in 1866 stierf. Eligius is Dr. Eelco Verwijs, een groot drinker en kenner van Middelnederlands. De minstreel is Haverschmidt zelf. malverzije is Griekse wijn.