De kluizenaar

Hoog, op den bergtop, rijst de kleine kluis
uit groenend hout en mossig riet geboren;
door sparre en lorken vaart een zacht geruis
en wie daar zingen, doen een loflied horen.

Vrij dartelt om de hut de vale muis;
het dal ligt in den gloed der zon te gloren,
maar in de grauwe pij, voor t houten kruis
ligt de eenzame in geprevel als verloren.

De grijze zoekt den vrede in eigenkwellen
en wil zich martlen tot een heilig man
en schijnt geen traan van t zinkend oog te tellen.

Doch zon en bloem en vogel gruwt er van.
Hij zoekt het leed, dat zij verblijd ontsnellen:
en vrede heeft wie vreugde vinden kan.


Jacques PERK
(1859-1881)
uit Mathilde, een Sonnettenkrans


Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster