Jacques Perk

Bekentenis (X)

De bron van warmte en licht was zacht gezonken
Op 't ver gebergte en tintte d'avondstond,
In iedre vezel waarde weelde rond,
Die met den koelen dauw werd ingedronken:

Wij doolden om: haar starende oogen blonken,
Een blijde glimlach glinsterde om haar mond,
't Was, of me aan haar geheel een leven bond...
Zij oogde naar de kim van purpervonken:

Mathilde! ik heb u lief.... Zoo waar die kammen
Te morgen weêr in purper zullen vlammen,
Wordt gij bemind. Gij zijt zoo godlijk-schoon!...

Zij deed als een, die iets op 't hart voelt branden -
Toen sloot zij mij de lippen met de handen,
En.... bloosde de avondzon heur bleeke koon?


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster