Jacques Perk

Laatste aanblik (C)

Nu voort! Ik zag haar weêr, maar om te ontdekken,
Dat weêrzien zien is, wat ik altijd zie.
Lang bleef aan haar de blik gekluisterd, die
Ten elken tijde rust op hare trekken:

Steeds toeft zij, waar ik ben: nooit is er, wie
Een liefde, minder hoog, in 't hart kon wekken,
Dat, in dien gloed gelouterd van zijn vlekken,
Vereend met schoonheid, werd tot poëzie.

Mathilde, o, mijn Mathilde! nimmer zult
Gij, die niet mensch meer zijt, u blozend schamen.
En staren op uws dichters blos van schuld:

Gij gloeidet met mijn gloeiend hart te zamen,
Van ú blijft altijd mijn gemoed vervuld:
U zal ik loven onder duizend namen!


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster