Jacques Perk

Kalliope (CII)

En driewerf kruiste ik de armen, driewerf drukte
lk niets, en niet de blonde Muze er in,
En tot mij sprak de stralende godin,
Toen zij ten kus zich naar mijn voorhoofd bukte:

"Ik zond de vrouw tot u, die u verrukte....
Ik zeide u 't aan: gij mindet met een min,
Zóo vol aanbidding, zo vol vromen zin,
Dat ze u aan al, wat har niet was, ontrukte.

Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!
Ge aanzaagt.... ge aanbadt - u trok, wat is verheven:
U daagde een schoonheids-ideaal in haar.

Toen zaagt ge weêr, naar wat ge aanbadt, gedreven:
Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;
't Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!"


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster