Jacques Perk

Aan Mathilde II (CIII)

Aanbidt de mensch een afgod hem gelijk?
'k Aanbad. Gij hebt mij tot u opgeheven,
En 't arme hart werd duizend levens rijk;
Want, waar ik leven zag, schonk ik mijn leven;

En voor uw blik nam engte en tijd de wijk, -
Driest moest mijn ziele in de eindeloosheid zweven,
En rustig werd ze als 't blauwe hemelrijk,
Waarachter duizend starren wentlend streven:

De vogel zweeft, en zingt, wanneer hij ziet
Ter vlucht omlaag, waardoor hij 't hart voelt treffen,
En zucht, en traan, en blijde lach wordt lied:

Zoo zong ik, wat verblijdde of heeft gesmart....
Mathilde! ik ween van weelde bij 't beseffen:
Ik drukte in u een ideaal aan 't hart!


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster