Jacques Perk

Morgenrit (XIV)

Hoe schudt uw blanke tel den hoogen kop,
En briescht, en doet het spichtig oor bewegen,
En stampt het zand tot rots met dof geklop,
En laat de pluim de zilvren zijden vegen.

Daar hebt gij snel uw sneeuwen ros bestegen,
En roept, en rukt, en houdt de trenzen op,
En steigert heen in golvenden galop,
En wendt u in den zaêl, en lacht mij tegen.

Zoo wentelde eens een bolle baar naar land
De Schoonheid zelf, de blanke, uit schuimgeborene,
Met lokken als uw gouden lokkenvloed.

Heil mij, den tot aanbidding uitverkorene!
Hadde in mijn hart uw ros den hoef geplant,
Zoo 't ú kon redden, waar, mij 't sterven zoet! -


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster