Jacques Perk

Avondzang (XXIV)

Het zuidewindje suist door zwarte twijgen,
En kust het slapend dons der zangers teeder,
De zilvren boomen wiegen heen en weder,
En doen hun schaduw met hen mede nijgen,

Een stille zwoelte komt uit de akkers stijgen
Een koele stilte daalt op donzen veder, -
De zilvren nacht-zon sprenkelt droomen neder,
En lacht van liefde in eeuwig-lachend zwijgen:

Mathilde, sluimer! Zomernacht doet droomen,
En zomerdroomen zijn van manestralen.
En manestralen zijn als liefdestroomen:

De liefde doen zij uit den hemel dalen,
En dalen in de ziel, die zij vervromen:
Is liefde dwaling, kan men zoeter dwalen...?


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster