Jacques Perk

Ommekeer (XXXI)

Door àl wat leeft, gevoelde ik mij verlaten,
En nergens was ik, en met niets, tevreden;
Elk haatte mij, zoo meende ik, zonder reden:
Ik leed en leed, en kon den haat niet haten.

'k Verlangde, en wist niet wat; ik heb gebeden;
'k Zag al wat slecht was; vond Natuur verwaten,
En ijdel 't leven; wie een lach bezaten,
Der domheid kroost, die ketterleer beleden. -

Toen zag ik ú, en kon geen meening uiten:
'k Had vreugde, vrede, liefde weergevonden,
'k Zag, waar gij traadt, een bloem, een roze ontspruiten.

Natuur en Menschheid voelde ik mij verbonden;
In ú wilde ik 't Heelal in de armen sluiten....
Gij, engel! zijt mij tot geluk gezonden!


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster