Jacques Perk

Mijmering (XXXII)

Vóór ik haar had gezien, was dof en koud
De zomersche natuur, zoo warm en licht, -
In 't beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout,
Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht;

Haar lief te hebben, werd mij tot een plicht,
Toen ik haar 't eerst en lang had aangeschouwd, -
Elke ademtocht was slechts aan h ar gericht,
Zij scheen me éen enkel wezen, duizendvoud:

Zij was, veelvuldig mededoogend, éen:
Een klaar verstand streek over diep gevoel,
Gelijk een vlotte beek langs bloemen heen:

Zij, waardig duizend zielen aan te biên
Worde aan den waardigste ten levensdoel!
Ik zei vaarwel: ik zal haar wederzien!


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster