Jacques Perk

Dag (XLIII)

En over 't wak van pek, dat schijnt te schragen
Het hol gewelf, waarlangs een doodendans
Van fakkelglanzen spookt, voel ik mij dragen
Door wagglend hout.... 't licht dooft - 't is duister thans...

Nu drijft de kiel, waar een albasten trans
Zóo rijst, als zinkt het diep der waterlagen, -
En uit de verte lokt een maanlicht-glans,
Een troost van medelij voor wie vertsagen:

Een kreet van levenslust dringt uit het hart,
En duizendwerf, tot in het hart der aarde
Weergalmt hij door het doodenrijk der smart...

Dáar is het licht, het leven, liefde en lust, -
't Is, of ik 't alles nooit voorheen ontwaarde...
De traan wordt lach en de onrust zoete rust.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster