Jacques Perk

O, zomer! (XLIV)

O, zomer, met uw lokken, glanzend gouden,
En met uwe oogen, blauw gelijk de wanden
Van 't rondend hemeldak, en sneeuwen handen,
Die bloemenslingers slank gebogen houden!

Wier geurige adem zucht door rijs en wouden,
En gloeien wekt, waar zielen wieken spanden,
Tot die miljoenen traan en leed verbanden,
En lachten, of zij nimmer weenen zouden:

Gij juichte', o, zomer! in mijn zielsverrukken,
Toen mij uwe armen en Mathilde omvingen,
En gij voor mij uw wereld scheent te smukken!

Gij zaagt de vreugdetranen 't oog ontspringen...
Maar 'k hoorde uw zangren 't lied des lijdens zingen,
Toen ze op heur hand den scheidenskus liet drukken...


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster