Jacques Perk

De waterval der beek (XLV)

Uit stronk en struik en warrelklomp van steenen
Stort de kristallen vliet zich bruisend neer,
En wordt tot sneeuw en schuim, en murmelt henen,
En kust de lisch, die wiegelt heen en weer. -

De blauwe beek, door de uchtendzon beschenen,
Lacht tegen 't spelend koeltje te elken keer,
Als het de logge rots van spijt doet weenen:
Geen maagd lacht om een linkschen minnaar meer...

Maar.... wàt doet, Morgenhemel! mij gelooven,
Dat, achter 't vallende kristal, zich baadt
Een maagd, wier blankheid blankheid gaat te boven?

Wat, dat ze op mij de fonkelblikken slaat,
En heen den watersluier heeft geschoven,
En lacht en lonkt, dat me alle rust vergaat?...


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster