Jacques Perk

Verlangen (XLVII)

Nog golft de weerschijn, op het meer, der zwanen,
Waar de avondster met medelij in staart;
En met het wolkje, dat er over vaart
Vloeit heen het scheemrend diep in lange banen.

De wind, die afscheid neemt, kust de platanen,
En rept de wiek, nu hij de kim ontwaart,
Die zich aan blauwe duisternissen paart,
En berg en bosch en zonneglans ziet tanen.

Het wolkje gaat, de wind, het water gaat:
De dag heeft reeds den zonnekus ontvangen
Aan de overzij der kim, waar de echtkoets staat.

En ik gevoel een ongekend verlangen;
Ik blijf aan 't meer, dat de' oever kabb'lend slaat...
En wilde weêr Mathilde aan 't harte prangen.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster