Jacques Perk

Kupris in 't woud (LI)

Het woud, geworteld in de dorre blâren,
Spreidt lommer met zijn loovers over 't mos,
En zijner bronzen armen tempeltrots
Wijdt honderd esmeralden zode-altaren:

Om steen en stronken waaiert zich de varen,
Zefier kust geuren uit de rozen los,
En door het heilig, hemel-schragend bosch
Schijnt wellust-ademend een god te waren:

't Is Kupris, wie de mirt en roze kransen,
Wie maneschijn van leest en boezem licht,
Wier lokkend oog in 't hart verlangen lacht, -

En zeven duiven zwermen in heur glanzen, -
De zode zwelt, waar zij heur schrede richt....
Wee mij! ik zie Mathilde in Kupris' pracht!....


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster