Jacques Perk

De roos (LII)

Een zaadje - een loovertwijg - gij zijt verrezen,
O, volle, reine roze, op slanken stengel, -
En 'k heb u lief, en, bij uw zoet gebengel
Op de' uchtendwind, tril ik van huivrend vreezen:

Uw schoonheid doet mij bidden tot den engel
Der bloemen, dat ge altijd zoo schoon moogt wezen,
En bij uw sterven staar ik als verwezen,
Wijl ik in dooden dauw mijn tranen mengel:

Ik juichte, toen gij wierdt en waart, en weende,
Toen gij ter aard vielt: 'k overzie uw leven,
Dat mij door kleur en geur genot verleende;

Ik dank voor alles, wat gij hebt gegeven....
Doch waarom klopte 't hart mij, toen ik meende,
Dat ik Mathilde en liefde in ú zag sneven?


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster