Jacques Perk

Een denker (LIX)

Des denkers kluis baadt in de bleeke stralen
Der maan, die door 't gewelfde venster tijgen,
En, op de hand het hoofd, in roerloos zwijgen,
Zit daar de denker sinds het zonne-dalen.

En 't nachtlijk koeltje suist door de espe-twijgen
De kluis in, om door lokken heen te dwalen
Van zilver, die met maanlicht-zilver pralen;
Doch hij doet mer den sneeuwen baard nog nijgen.

Daar oop'nen zich de lippen. Om te spreken?
Ja, langzaam zweven door de kluis de tonen,
Als door den mond aan 't volle hart ontweken:

"Wat kan, wien weet te wezen, zóó beloonen
Voor levend dood-zijn, als, ten sprekend teeken
Van vreê, met wat hij weet, 't geloof te hoonen?"


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster