Jacques Perk

Opdelving (LX)

Nog gaapt de mulle muil van de spelonk,
Waar delvers knook en kei naar 't zonlicht wendden,
En toen zij kei en knook en hoofd herkenden,
Was 't, of de vreugde hun uit de oogen blonk.

Zij ijvren, 't rif des voorzaats, die verzonk
In 't zand voor duizend, duizend jaar, te schenden,
Des mans, wiens levenskracht zwol in zijn lenden,
Toen hij dees lucht met bolle longen dronk.

En nu: miljoenen zijn door óns vergeten,
Ons werd noch liefde voor hen ingescherpt,
Noch haat: wij kunnen hen geen broeders heeten.

En zal, als zand op •ns de spade werpt,
De blijde nazaat, wat wij waren, weten,
Wiens voet de kiezels •nzer groeven knerpt?


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster