Jacques Perk

Bij 't graf (LXI)

Men droeg den grijze plechtig naar het graf
En toen hij langzaam nederzonk in de aarde
Brak uit het oog, van wie hij 't aanzijn gaf,
Een vloed van tranen, dat naar 't zinken staarde;

En allen wendden 't weenend aanschijn af
Geloovend, dat hun God een weêrzien spaarde,
Omdat ze 't innig wenschten, en zóo straf
Een God, die scheidt, zich hén niet openbaarde:

De grijze, die zijn dorpje nooit verliet,
Had daar gezwoegd, bemind, en liet er 't leven;
Waarom hij leven moest, dat wist hij niet:

Gij waant u, zwerver, boven hem verheven....
Wat deedt gij, zoo de dood ù nederstiet,
Dan leven, laten leven, leven geven?


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster