Jacques Perk

Eenzame eik (LXII)

Hij is: zijn armen zeegnen stilte en duister,
Die eeuwig woonden rond den reuzestam;
En in de wolken wiegt in pracht en luister
Een meir van loof, het graf der bliksemvlam.

De profecij der eeuwen, hoor! zij ruischt er
Door 't bochtig hout, dat ketterzang vernam
En stil gebed en vloek en zoet gefluister;
En 't klimveil rankt om spichtig mos en zwam.

En tusschen wortelknoest en stronk, die boren
Het hart der aard, knaagt vrij de schuwe muis;
De meerl laat ver omhoog haar liedren hooren.

Wiens houwen zwicht ge eens, stortend met gedruisch?
Wien, eik! zult ge op de waterbanen schoren ....
Welk honderdtal wordt gij ten doodekluis?


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster