Jacques Perk

De adelaar (LXIII)

En 't schaarsch struweel, dat gretig naar mij hield
Zijn duizend groene vingren uitgestoken,
Heeft mij verslonden, waar 't van loovers krielt
En bijtende elzen, die het aanschijn strooken

Met rasp en tand, door martelzucht bezield;
Toen, uit de ruwe omarming losgebroken,
Viel 'k aan den hoogen bergzoom neêrgeknield,
En zag in diepte en damp het dal gedoken.

Maar ver omhoog, aan 't eindloos-effen zwerk,
- Een zwarte ster in blauwe lucht - hangt zwevend
Een adelaar op breeden dubbelvlerk....

En plots de wieken en de breedte revend,
Stort hij, gelijk de dood op menschenwerk,
Op wat niet is te zien, in de' afgrond levend.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster