Jacques Perk

De sluimerende in 't graan (LXV)

De beek glijdt effen hemelsblauw door 't veld
Waar warme zonneschijn een zee van airen
Doet glanzen van geel goud, en volle baren
Zacht wieglen, als het koeltje er over snelt;

Bij de' oever, waar een stroom van loovers helt
Uit berkekruin, en schaduwen doet waren
Op duizend bloemen, die ten rei zich scharen
In 't woud van goud, droomt zij, wier boezem zwelt:

't Jong bloempje droomt - een glimlach vergezelt
Het sluimrend zwoegen van dien maagdeboezem,
Door wade niet en niet door leed bekneld;

Toen heeft des zwervers geest een droom ontsteld -
"O, blonde als 't graan - o, zachte koren-bloesem!
Straks heeft wellicht ook ú een zicht geveld...."


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster