Jacques Perk

De burcht in puin (LXVII)

De purpren scheemring houdt den burcht omvangen,
- De glimvlieg glanst in 't mos der muur en blauwt, -
En met een gloed van liefde op rozewangen,
Schenkt zij den scheidenskus aan 't puin, dat grauwt. -

De krekel sjirpt van weelderig verlangen,
En de echo van het puin, die 't antwoord bauwt,
Noodt den geliefde met die schrille zangen,
Die aanzweeft op een wiek van rossig goud:

En waar, voor eeuwen, ridderzangen klonken,
Staart nú de star der liefde 't zwijgen aan,
En droevig zendt ze uit schemerblauw heur lonken:

En weemoed fluistert zacht door de espenblaên ....
De zwerver treurt, in mijmerij verzonken,
Dat het verleden is voorbijgegaan ....


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster