Jacques Perk

Een luwtje (LXIX)

Nu voelt men warme geuren om zich walmen,
En warmte door de koele boomen wuiven, -
De snelle vliet schijnt moede voort te schuiven,
En in het matte schuiven nog te talmen;

Op de' akker buigen zich de blonde halmen
Ontzenuwd, en beschutten met haar kuiven
't Viooltje, dat geen vlinder komt bestuiven,
En dat de hette tusschen 't graan voelt dwalmen;

De mensch, in 't malsch en mollig mos gezonken,
Trekt uit de zwarte schaduw niets dan zwoelte,
Hij hijgt naar koeler adem, droomt van koelte....

Daar doet een bries de abeele-loovren trillen.
De lauwe vliet en 't riet van weelde rillen....
Natuur heeft leven uit de lucht gedronken!


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster