Jacques Perk

Het oog van 't woud (LXX)

Nu zwijgt het zwerk, maar dreigt zoo zwart als nacht;
En 't woud, van vreeze stom, smeekt manestralen,
Die uit de donderwolk niet kunnen dalen,
En waar de regen-dronken roos naar smacht.

Nacht woont in 't woud en droevig druppelt zacht,
Van 't zwarte looverdak der donkre zalen,
Een beek van tranen, die door 't mos gaan dwalen
Naar 't zodenleger, waar de dood hen wacht.

Daar schittert ginds een ster van rossig goud,
Als een robijn in maagde-lokken flonkert:
De kleine stulp gelijkt het oog van 't woud. -

In 't geen begin noch einde omsloten houdt
Wordt Liefde! Gij, door niets ter aard verdonkerd,
Zie! hoe die zee van duister 't stulpje ontvouwt!


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster