Jacques Perk

Maneschijn (LXXI)

De zon der nacht kwam uit de bergen klimmen,
En zoomt met zilver de afgedoolde wolken:
Het water wentelt ze in zijn blanke kolken,
En doet ze in kabbelende rimpels glimmen;

Door 't glanzend bergwoud dolen doffe schimmen,
Die, slank en trillend, bosch en berg bevolken....
De stilte alleen kan al die rust vertolken:
De nacht houdt de' adem in; de rotsen grimmen:

Aan ieder sprietje bleef een dauwdrup hangen, -
De hitte werd door de' avonddauw gevangen,
En geurt er mee uit de aard, die liefde wademt;

De mensch luikt vol genot de droomende oogen,
En 't luwtje, als liefde, al zoetjes aangevlogen,
Heeft kussend hem den sluimer ingeädemd....


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster