Jacques Perk

De bouwval (LXXII)

't Is alles nu met duisternis omtogen,
En 't starren-dak zendt stilte op 't glanzend puin,
De verre trots weleer van rots en kruin, -
Het maanlicht glipt door holle venster-bogen;

Geen sprankje mos wordt door een zucht bewogen,
Geen leven slaakt geluid in 't kil arduin, -
Slechts in den onkruid-ruigen bouwval-tuin
Schiet, klaterend, een springbron naar den hoogen:

En 't lage dal blikt op, met vreeze en beven,
Naar 't slot, waar zang en zwaardgekletter klonk,
Toen willekeur bevel vermocht te geven,

En 't ziet, in schemer-schijn der nachtzon, zweven
Het schimmen-heir, dat in den dood verzonk,
Doch in den doodschen burg der nacht bleef leven.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster