Jacques Perk

Storm (LXXIX)

De storm loeit door den hollen bouwval - gierend
Beukt hij en brokt, met vuisten reuzesterk,
En golft door 't riet in 't water, dat hij, tierend,
Opzwalpt en neˆrklotst met zijn stalen vlerk;

Dan, woester woede nog de toomen vierend,
Schiet hij de zwarte wolken in van 't zwerk,
En wringt ze saƒm, ze met zich mede-slierend
Langs 't aangezicht der maan, waar 't vale merk

Der angst op ijst. - En, wen die storm-omnachte
Bleek in 't omrotste meer blikt, deint haar 't hoofd
Strak aan, dat stille Dood wenkte uit het leven...

Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte,
Spokend met steenen blik, de liefde dooft,
Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster