Jacques Perk

Sluimer (LXXXII)

Stil! - Duizend-oogig spiegelt zich in 't meir
De nacht, en laat haar bleeken luchter beven,
Die honderd sneeuwen sluieren doet zweven
Om 't, rond de diepte rijend, rotsenheir.

En Sluimer daalt, op vlinder-wieken, neer,
Met wuivend rijs, waaraan de druppen beven,
Die, dauwend, droom en zoet vergeten geven,
En zweeft, in schaduw, peinzend heen en weêr.

En in mijn dolend hulkje, dat er glijdt
Langs 't kabblend zilver, zet hij zich; ik zie
Hem teeder-blikkend over mij gebogen.

Hij lacht mij aan, ontplooit de wieken wijd...
Ik hoor een sluimerende melodie,
En weet niet, wat mij lood-zwaar viel op de oogen....


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster