Jacques Perk

De stroomval (LXXXIII)

Gelijk wanneer men de armen strekt, en schrijdt,
En ziet, maar zonder zien, en denkt aan spoken,
- Die zijn, waar niéts is, en wier schaduw glijdt
In 't Niet, als iets, wat licht geeft, wordt ontstoken, -

Zóo is het nacht, Een schal klinkt wijd en zijd,
Daar waar des daags men ziet den stroom-val koken, -
Een dof gegrom van bruisend rotsen-strooken
Dreunt, met het klaatren als in worstelstrijd.

En 't is, of 't spattend schuim, den nacht besproeiend,
Met bleeken glimp het zwoele duister splijt....
Daar knalt de donder, 't donderen ten spijt

Des stroom-vals, over kolk en afgrond loeiend -
En bij de schelle schicht, die 't zwerk door-snijdt,
Prijkt daar de waterval, in zilver gloeiend.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster