Jacques Perk

Dorpsdans (LXXXIV)

De vedel zingt, waar roos en wingerd-ranken
Verliefd omhelzen 't huis des akkermans,
En gloeien in den avond-purper-glans, -
En twintig menschen rijzen bij die klanken;

Het avond-maal heeft uit: van disch en banken
Verdween der jonkheid blij geschaarde krans, -
De vluge voeten reien zich ten dans,
En de arm buigt om de leesten heen, de slanken:

Daar tripplen zij en stampen naar de maat,
Terwijl de kroezen op den disch rinkinken, -
En naar de wangen stijgt het vroolijk bloed:

Den oude, die daar op den dorpel staat,
Ziet men de vreugd uit lachende oogen blinken,
Tevreden, dat hij leeft, en leven doet.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster