Jacques Perk

Nacht (LXXXVI)

't Is zomer-nacht. De glinsterende stoeten
Der starren wijken róndom, eindloos-diep; -
't Was, of de stilte plechtig tot mij riep:
"Bid! op de starren rusten Godes voeten!"....

Ik weet, ik weet niet, wie de wereld schiep,
Of ze is geschapen, of we aanbidden moeten,
Wat wij als Leven, Ziel of God begroeten, -
Of eeuwig slapen zal, wat eeuwig sliep!

Daar tjuikt de nachtegaal zijn teeder lied,
Tevreden, dat hij 't klagend lied mag zingen,
Waarom hij zingt, dat weet de zanger niet;

Wat rusten kan, voelt zich de rust doordringen,
Ook ik. Ik weet niet, wat ik denken moet,
Doch voel het: wie tevreden is, is goed.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster