Jacques Perk

De scheper (LXXXVII)

Een zee van golvend purper, in verbazen
En ademloos, verstijfd - als waar' zij dood -
Bij 't zien van 't eindloos-vlammend avond-rood....
Zóó schijnt de heide, waar wie honig lazen,

Met de' avond-last langs bloem en purper razen,
Om niet te keeren, voor de nacht ontvlood, -
En scheidend, houdt de delling in haar schoot
De blanke heerden, die al ruischend grazen:

De waaksche wolf, die zich geen wolf betoont,
Likt speelsch de staf-en-handen van den herder,
Die twintig kudden eenzaam heeft gehoed;

En met een blik, waarin de liefde woont,
Drijft hij de wit-gewolde wolkjes verder....
En ziet naar hen, de heide en de' avond-gloed.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster