Jacques Perk

Twee rozeblaadjes (XCII)

Zie, hoe de beek langs enge boorden schiet,
En 't rozeblaadje met zich mede-draagt,
Dat vroolijk langs den harden oever vliet,
En draait en wendt, naar 't aan zijn hart behaagt.

Dat andre zoekt de grauwe rots, waar niet
Die domme beek zijn vrijen wil belaagt;
En toen 't uit vrije keus te bersten stiet,
Had het zich tąch tot volgen niet verlaagd:

Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;
Dat iets verrichten kàn het, want het moet,
En 't voelt zich vrij in 't slaaf-zijn van een wet:

Slaaf, wie zich tegen wat hij moet, verzet,
Maar vrij de wil, van wie al willend doet
Den wil van wat geluk en vrede geeft!


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster