Jacques Perk

De forel (XCIII)

Gelijk een schaduw grauw, schiet de forel,
En schielijk, uit den zwarten nacht der steenen,
En ijlt den bergstroom ver vooruit, verdwenen
In 't rimplend zonlicht, dat daar flikkert schel.

En zie! ginds springt zij uit de klare wel,
En glanst van zilver, door den dag beschenen,
Doch plonst, dat vlokken spatten om haar henen,
Terug, in 't vlietend sneeuw, dat voortschiet snel.

Gelijk de stroom zijn schubbig eigendom,
Zoo bindt de baan, die ieder is beschoren,
Den mensch, als hij zijn roeping wil vergeten.

In 't water vindt de visch 't geluk alom
En vrijheid, die daarbuiten gaan verloren:
Geluk wordt deugd, ervaring vormt geweten.


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster