Jacques Perk

Wederzien (XCV)

Wie zou dat loover-hutje samenvoegen
In rozen-armen, waarin geuren wonen....?
De jonkman fluistert, purper op de koonen,
En zij tuurt, zonder zien, naar 't boezem zwoegen;

Hij kust de handen, die om kussen vroegen,
Al warrend door de lokken, die hem kronen;
Ik zie zijn lippen door haar lippen loonen,
En in het scheemrig hutje lacht genoegen.

Mathilde! ik zie u weder, vreugde-dronken:
Gevoelend, dat geen scheiding ons kan scheiden
Groei ik in uw geluk, meer dan gij beiden.

Gij zijt de mijne: uw lach, uw liefde, uw lonken.
Uw schoonheid blijft hierbinnen glanzen spreiden,
Waar ge, als de zon in zee, in zijt verzonken!


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster