Jacques Perk

De dooden-akker (XCVII)

Om 't kleine gods-huis rijst een krans van kruisen,
Van eeuwge bloemen, wort'lende in de groeven;
En de airen van dien akker hooren 't suizen
Van 't luwtje, dat de klachten draagt der droeven.

Paleizen van geluk kwam hij vergruizen,
De strenge dood, die leeft van ziels-beproeven,
En deed de dooden in paleizen huizen,
Waar zij geluk noch ongeluk behoeven,

Hij brak den mensch van ziel en stof voor immer
En schonk aan graf en stof een eeuwig leven.
Want al, wat niet te splitsen valt, sterft nimmer.

Vóor het bestaan is 't heel verleˆn te vinden,
En de eindelooze toekomst n  het sneven:
Wij rusten langer dan wij 't leven minden! -


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster