Jacques Perk

Ik min uw minnaar (VIII)

Dat ik mijn hoofd mocht aan uw boezem vlijen,
En zalig zijn als een onschuldig kind,
En duizendmaal met blijden blik belijden,
Dat gij, Mathilde, mij bezielt, bezint:

Dat ik gelukkig ben, nu u verbindt
De band der trouw, dien de eeuwigheid zal wijden....!
Ik heb hem lief, (omdat gij hem bemint)
Wiens min voor u mijn liefde doet gedijen.

Gij wilt mij, u te minnen, niet verbieden:
Ik bedel ú niet om uw wedermin,
Schutsengel! Gij zijt ziel, - en mijn Godin!

Ik schijn u als de zonnebloem de zon te ontvlieden:
Ik ben, zoolang gij mij uw bijzijn gunt,
Gelukkig, nu gij 't innig wezen kunt!


Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster