Zij sluimert

Zij rust in t malse mos en houdt gebogen
dien arm, dien mos en lokken beiden strelen;
een sprei van groene schaduw, zacht bewogen,
daalt uit de zilverlovers der abelen;

Zij ademt zuchten en zij lacht, als togen
er dromen door heur ziel, die vrolijk spelen
in t vrolijk hart. Straks opent zij heur ogen,
straks zal de hemel nieuwe heemlen telen:

Slaap zacht! Ik zie den donkren nacht genaken
dat gij uw oog voor eeuwig houdt geloken; -
dan sluimert gij, maar kunt niet meer ontwaken: -

Dan zal de zode, die gij dekt, u dekken,
dan zal geen zonnestraal uw lippen stroken,
geen lied van t woud u uit dien sluimer wekken.


Jacques PERK
(1859-1881)
uit Mathilde, een Sonnettenkrans


Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster