Hubert Korneliszoon Poot

Op de dood van mijn dochtertje

Jacoba trad met tegenzin
Ter snode wereld in;
En heeft zich aan het end geschreid,
In hare onnozelheid.
Zij was hier nauw verschenen,
Of ging, wel traag, weer henen.
De moeder kuste 't lieve wicht
Voor 't levenloos gezicht,
En riep het zieltje nog terug:
Mar dat, te snel en vlug,
Was nu al opgevaren
Bij Gods verheugde scharen.
Daar lacht en speelt het nu zo schoon,
Rondom de hoogste troon;
En spreidt de wiekjes luchtig uit,
Door wee nog smart gestuit.
O bloem van dertien dagen,
Uw heil verbiedt ons 't klagen.
1735


Bron: C.J. Aarts en M.C. van Etten (samenstellers), Domweg gelukkig in de Dapperstraat. De bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur. Bert Bakker, Amsterdam, veertiende verbeterde druk 1996.
Ingezonden door IJme Woensdrecht
Project Laurens Jz. Coster