E. J. POTGIETER (1808-1875)

DRIE SCHOOLMAKKERS.

SCHETSEN UIT HET DAGELIJKSCH LEVEN.

I.

1821.

Hagga 1, vs. 4,” galmde de prediker, en men hoorde een geritsel en geratel van bladeren, als ware de kerk een woud geweest, waarin de najaarsstorm het verdorde loover opjoeg.

Niet alle toehoorders slaagden er in den tekst te vinden. Het scheen, dat de meesten het onbescheiden achtten aan de waarheidsliefde van den leeraar te twijfelen. Vol kalme berusting sloegen zij het boek met gouden, of zilveren, of zonder sloten digt, – en luisterden naar de inleiding.

Het spijt mij van mijne helden te moeten zeggen, dat zij dit loffelijk voorbeeld niet volgden. „Hebt gij het gevond, Claes?” vroeg de oudste der drie jongens, een woelwater van de vlugste zoort, „Hagga 1, vs. 4.”

„Er staat geen Hagga in, Phlip!”

„Domoor,” merkte de derde aan, „kent gij het rijmpje niet:

Hagga, Zacharias,”

„Ja wel,

„Maleachi die besluit het hek,”

wilde Claes voortgaan. „Stilte, rekels!” riep een schipper uit de bank vr de hunne, „geen mensch kan hier een oog toe doen.”

„Dan moest ge ook naar de middagprek gaan,” hernam Phlip, „papa hoort geene andere! Maar komt mede, jongens! ik zal Hagga straks wel opzoeken.”

En Claes en Coo – want z heette de derde keaap, – volgden Phlip de kerk uit, – de markt over, – een paar achterstraatjes door – dr wenkte de laatste den veerman hen over te zetten.

„Ziet, jongens!” zeide hij, „zoo komen wij buiten, zonder dat iemand ons ziet,”

„Maar wij onstelen het geld aan de armen,” viel Coo in.

„Is die veerman dan rijk?” antwoordde Phlip, met eene sophisterij boven zijne jaren, „ik zal hem geven wat ik gekregen heb.”

„En bedriegen onze ouders,” voer Coo voort.

„Moeder vraagt mij nooit meer dan den tekst,” hernam Phlip, „en dien weet ik: Hagga 1, vs 4.”

„En uw vader?” zeide Claes.

„Die vraagt nooit iets.”

„Ik wua dat ik ook zulk een’ vader had,” zuchtte Claes,„de mijne vraagt altijd, welke psalm vr, en, welk gezang n.”

„En heugt het u, als gij te huis komt?”

„Zoo ik er een vouwtje bij gelegd heb, ja! – maar alleen Do. Rekgraag laat er een’ meaaeh tijd, toe, – driemaal van de vier is het mis, Phlip!”

„En dan, Claes?”

„Dan zegt mijn vader: „ik zal er in slaan wat er niet te gieten valt; Domin heeft zeker uit het honderd-twee-negentigste gezang laten zingen, honderd twee en negentig slagen, maat! en acht op den koop toe, om het getal rond te maken.” ”

„Dan zei ik altijd, dat wij uit de psalmen hadden gezongen, die loopen zoo hoog niet,” schertste Phlip; „volg van middag mijn’ raad, jongen!”

„Ik ben er al aan gewend, Phlip! Ook heb ik er vandaag wat voor over, pleizier is een bilslag waard.”

Zij traden in het schuitje, en het gesprek stokte eene wijl.

Je n’enseigne pas, je raconte,” heeft een groot man gezegd: zal men het niet verwaand noemen, zoo ik zijne woorden de mijne maak? Men vergunne mij allen Censors, die over dit begin zuur zien, beleefdelijk te vragen, wat zij op hunnen elf- of twaalfjarigen leeftijd uit de kerk naar huis mededroegen?

Ik vrees – – –

„En nu naar het klooster, jongens!”

Een eindweegs, door eene heuvelachtige streek, was spoedig afgerend, en dr lag, in een der schilderachtigste dalen van ons vaderland, het gebouw voor hen, waarvan Phlip sprak. Het was een schoon gezigt! Een wolkenlooze hemel spiegelde er zich in den stroom, die door het landschap kronkelde, – boven eene groep statige eiken, wier lommer het dal voor drievierde overschaduwde, werkaatste het kruis van den bemosten torentop de stralen der zon; – hier en dr schemerden de witte muren der huizinge van verre door het loover.

De tijd was voorbij, waarin die aanblik den moeien boeteling een te huis waarborgde, waarin een pelgrim, dezen hen in de avondschemering opgestegen, zich eensklaps door die kloosterklok ten Ave hoorde roepen! Al hadden de dagen mijner vertelling er opgeleverd,, geene portierster zoude hen onder het ijzeren Christus-beeld, dat den ingang kroonde, met een „Welkom, vrome Vaders!” hebben ontvangen, geene schare nieuwsgierige kloosterlingen hun berjgten uit Rome en de wereld, hebben gevraagd. Wel schitterde de ochtendzon als weleer aan het uitspansel, maar geen loflied van nonnen klonk uit de verte als een engelenzang; de rust op het veld verkondigde, dat de dag den Heere gewijd was, en echter had men den bouwval der kerk van onkruid noch vuilnis gereinigd. Hooge grashalmen wiegden hun baardig hoofd over dezelfde zerken, waarop de zusteren van St. Catharyne voor eeuwen biddend plagten neder te knielen. Zoo de steen uit den muur had kunnen roepen en de balk uit het hout hem had kunnen antwoorden, hoe zouden zij zich in eene klagt over de heiligschennis, dr gepleegd, vereenigd hebben!

Doch zoo niemand de slagen van het kloosterkerkje had afgekeerd, en het licht van den morgen en de dauw van den avond tot de weleer gewijde rustplaats der nonnen doordrongen, de hoven, waarin zij rondwandelden, de zalen, in welke zij zamen kwamen, waren woest noch ledig gelaten. Ook de Hervormde Maatschappij leverde vrijwillige ballingen op, en voor zulke schipbreukelingen der fortuin was het huis Gods eene veilige haven geworden. Luide verkondigde de ruimere toegang, voor de zonnestralen geopend, dat de tegenwoordige bewoners van het gesticht niet in de sombere levensbeschouwing der vroegere deelden: alles, wat naar tuchtoefening en boetedoening zweemde, was weggeruimd; de wijngaardrank en rozenstruik slingerden zich om de heiligen-beeldjes, vr de vensters den cellen uitgehouwen. En toch, al had, geene Abdis het hun toegeroepen toen zij den drempel van dit huis overschreden, geen hunner, die niet bij ervaring wist, hoe de heerlijkheid der wereld voorbij gaat: – mogt iemand willen leeren, op hoe vele wijzen de hoop haar woord breekt, hij ga op hofje, en luistere!

„Hoe ik hem op zijn baaitje zou zijn gekomen, zoo ik nog in dienst was!” borst de oude zee-officier uit, terwijl hij in het kamperfoelie-priel op den heuveltop zijn hoofd schudde, dat de poeder zijner duivenvlerken de bloemen bestoof, en met zijn houten been tegen den boomtronk sloeg, die tot voetstuk der tafel diende, om welke zich twee zijner medekostkoopers geplaatst hadden: „waarop is de vent toch zoo trotsch, vriend Jaanders! Zie! tusschen robben en biggen te commanderen is toch een onderscheid als tusschen dag en nacht!”

„Ik wil zeggen en jokken niet,” antwoordde de man, tot wien deze woorden gerigt waren, „dat de Rector, zoo hij hoorde, u gelijk zoude geven, daar men de studerende jeugd voor de bloem der natie en de matrozen voor het schuim houdt.”

„Als ik wist, dat gij het meendet, Jaanders!” hernam de invalide; „maar neen, gij brengt mij op ons jaarlijksch maal altijd een glaasje toe: „op de gezondheid van den held van Doggersbank!...”

„En ik wil zeggen en jokken niet, dat, zoo iemand weet, welk respect wij, Hollanders, aan de zeemagt verschuldigd zijn,” viel de andere in, „ik het doe, die een pilaar van de Amsterdamsche beurs ben geweest, zoo als ik zeggen mag en jokken niet.”

Wij hebben geene aanmerking op deze betuiging, maar moeten ter voltooijing van het costuum verzekeren, dat, zoo Jaanders weleer het eerbiedwaardig gebouw, dat nu zoo droevig in puinhoopen ligt, schraagde, zijne pruik met zeven rijen krullen een smaakvol kapiteel der zuil heeten mogt.

Geweest, vrienden! geweest,” merkte de derde een man, die, een naturelletje dragende, in dien tijd tot de partij van vooruitgang behoorde, en wiens aandacht tot ng toe tusschen een rustend koetje en een’ grazenden bok, de stoffaadje eener weide in het verschiet, verdeeld was, – „geweest is een even leelijk woord als gehad. Zoo wij waren, die wij geweest zijn, Drommelschrik!” – de officier keek zuchtende naar zijn houten been, – „zoo wij hadden wat wij gehad hebben, Jaanders!” – met een pijnlijk gezigt stak de koopman zijne hand in zijn’ ledigen kamizoolzak – „wij zaten hier niet over dien ellendigen regent van een Rector te knorren. Zoo wij geld hadden, wij lieten het anker wijn, dat hij ons beknibbelen wil, morgen komen...”

„En verzochten hem op een droogje onzen vrolijken avond, aan te zien,” viel Jaanders in.

„En smeten hem de ledige flesschen naar den kop,” verbeterde Dommelschrik.

„Maar,” voer de man met het naturelletje voort, „men heeft geen’ eerbied voor kunde!” – Dit gold den beurspilaar, en hij rigtte het hoofd. op; – men heeft geen’ eerbied voor dapperheid!” – de held, van Doggersbank blies vonken uit zijne pijp; – „men heeft geen’ eerbied voor genie!” – er was climax in de philippica; de man met het naturelletje was een schilder: „wij zijn doodters, die men gaarne in een pijpenmandje naar Oost-Indi zond.”

„Brr!” zeide de zee-officier.

„Wat ik zeggen wil en jokken niet, Prikstra!” hernam Jaanders tot den zoon van Apelles, „in mijne goede dagen was ik lid van een genootschap, dat van heinde en verre geleerde mannen uitnoodigde om eene redevoering te komen doen, en zoo hoorde ik er eens eene, die bewijzen moest, dat alle kunsten zusters waren. De man gaat ons vertellen, dacht ik, dat alle kunstenaars aan dezelfde gebreken mank gaan, als daar zijn overdrijving...”

„Vergeving!” viel Drommelschrik hem in de rede, „ik had niet gaarne met een’ van u beiden gevaren. De eene zet alle zeilen bij, om ons pardoes op het land vast te zetten, en de andere maakt Engeland om den Noord, als hij van Amsterdam, naar Londen wil. Gij schildert een onwer, vriend Prikstra! als er naauwelijks een wolkje aan de lucht is. De Societeit zou mij missen...”

„En het Gild mij,” viel Jaanders in.

„Daar is het altijd:„mijnheer Drommelschrik! gij zijt in den slag geweest.” ” zeide de zee-officier

„Zoo dikwijls: „mijnheer Jaanders! gij weet van beursza ken,” ” voer de koopman voort.

„Leg ons eens uit, waarom de Engelachman John Bull heet.”

„Licht ons eens in, hoe echte sultana-razijnen er uitzien,”

„Want al hebt gij maar ne bataille bijgewoond...”

„En al deedt gij nog geen drie jaar uwe eigene zaken...”

„Vroeg gepensioneerd...”

„Vroeg geruneerd...”

„Ge zijt in het vuur geweest...”

„Ge weet van wanten...”

„Nog een glaasje punch, mijnheer Drommelschrik!…”

„Nog een eendenboutje, mijnheer Jaanders! …”

„En is het zoo in de Societeit...”

„Wat ik wil zeggen en jokken niet...”

„De vrouwen zijn nog eens zoo beleefd jegens mij...”

„De kinderen komen mij op straat te gemoet...”

„Want wij weten, dat ik mijn been in ’s lands dienst heb verloren...”

„En dat oom Jaanders altijd een huisje met peperneuten in zijn’ zak heeft...”

„Brr!” zeide Drommelschrik.

„En gelooft gij drom dat zij u geene doodters noemen, als gij de hielen hebt geligt?” hernam Prikstra; „de Regering zou het klooster gaarne tot eene fabriek laten inrigten: toch doodters! zeg ik.”

„Maar de burgemeester heeft den hoed voor mijj afgenomen,” verzekerde de zee-officier.

„En de secretarie,” betuigde de beurspilaar, „mij de band, gedrukt, wil ik zeggen...”

„Ga maar niet verder,” brak Prikstra hunne verzekeringen af, „het mogt u gaan als den effectenjood, die mij vertellen wilde, hoe hij den liverei-knecht van een’ rijk koopman vernederd, had. „ „En hoe legdet gij het aan!’” zeide ik. „ „Ik sta je te zeggen,” zei hij, „mijnheer Oorssens is door het heele land voor een’ fatsoenlijk man bekend, maar zijn knecht, de grootste buffel, die er op twee beenen loopt. Nah! – eens dat ik mijnheer Oorssens wat te zeggen heb, en hem niet meer aan de beurs vind, denk ik in mij zelv’: „Levietje! zel je naar mijnheer Oorssens zijn huis gaan, en je laten brutaliseren van dien buffel? Zaken voor alles, man! heb je niet in de schuit gehoord: „Is mijnheer ook een heerenknecht?” Ik trek naar mijnheer Oorssens, en wie doet mij open? De buffel. „Is mijnheer Oorssens te huis?” Mag ik zeggen „voor jou?” zeit de buffel. Maar wie komt er aan het eind van den gang, ik sta je te zeggen, een gang als een kerk, den trap van de zaal af? Mijnheer Oorssens zelf! „Zoo, mijnheer Ruben! ben je daar nog, wel hoe vaar je, man?” – „Gezond, Goddank, mijnheer Oorssens!” zeg ik, „hoe vaart mijnheer?” – Dank je,” ze hij, en wat doet de man? Hij sluit de zijkamer open, en zeit:„Ga binnen, mijnheer Ruben!” – „Ik zal je volgen, mijnheer Oorssens!” – „Wel, ik ben immers te huis, man!” – Ik sta je te zeggen, wat moet die buffel wel gedacht hebben, dat mijnheer Oorssens zoo vriendelijk tegen mij was? Hij zet mij een’ stoel; „Ga zitten, mijnheer Ruben!” Ik doe mijne zaken, en wat zeit mijnheer Oorssens? „Wat mag ik je presenteren, mijnheer Ruben!” – „Het is al te vriendelijk, mijnheer Oorssens!” – „Een glaasje madera, mijnheer Ruben?” En de man schelt, en Jan is binnen; want waar stond de buffel? Achter de deur! zoo waar ik een zoon Jacobs ben, mijn Jol is tienmaal vlugger dan de buffel; maar hij had in zoo’n omzien niet uit de keuken in de zijkamer kunnen springen.„Breng Madera-wijn, Jan!” en mijnheer Oorssens schonk in, en presenteerde mij, daar Jan bij was; ik sta je te zeggen, moet de buffel wel gedacht hebben? Ik drink mijn glaasje, op de gezondheid van Mijnheer Oorssens uit, en ik zeg: „dienaar, mijnheer Oorssens!” en wat zeit de man? „Jan! laat mij heer Ruben uit; adieu, mijnheer Ruben!” Nah! denk ik, nu zal ik den buffel eens vernederen, en ik ga langzaam door den gang, en ik doe of ik hem niet zie, en zeg aan de deur: „Dag, knecht?” en wat zeit de buffel? „Dag, smous!”

De officier en de beurspilaar schaterden van lagchen.

„Toch een smous, toch doodters,” voegde Prikstra er bij.

Er was eene stilte op den heuveltop; de zoon van Apelles staarde weder in de rigting van het rustende koetje en den grazenden bok.

Vergeefs zocht hij den laatste; had hij door het loofgewelf aan zijnen voet kunnen heenzien, de lieveling, door zijn penseel op meer dan vijftig stukjes vereeuwigd, ware in een’ nieuwen stand door hem betrapt.

„Mis, Claes!” had Phlip geroepen, en wat had de jongen gedaan?

Laat ik het u met de woorden van Bilderdijk mogen zeggen „zijn hart verheugde zich,” zingt de navolger van Delille.

in kinderlijken lust,
Indien ’t zijn steentjes slechts, na duizend oefeningen,
Het water schaven ziet, en dan wer opwaarts springen,”

Dt had het steentje van Claes gedaan; dat kon ieder, had Phlip beweerd; dt is een bewijs, dat men niet zingen moet van hetgeen men niet kent, zou ik zeggen, indien ik een recensent was.

„Zie, jongen! dat gaat je voor,” had Phlip vervolgd, en zijn steentje, behendig gekeild, was ellen ver over het watervlak heen gegleden, en had het kristallen bed, – de stroom mogt het heeten, – even aangeraakt.

„Dat deed het mijne ook,”’ had Claes beweerd.

„Pas op!” was het antwoord, van Phlip geweest.

En het steentje was wer omhoog gestoven, en had. wer den blaauwen spiegel aangeraakt, en was nog verder gevlogen.

„Zie, dat is de kunst,” had Phlip gejuicht, „drie, vier, vijf malen, en kringetjes zonder eind.”

Inderdaad, cirkel bij cirkel uit de botsing geboren, maar allengs verflaauwende, hoe uitgebreider zij van omtrek werden, hadden een waarschuwend beeld opgeleverd, dat er verband moest zijn tusschen den invloed, d.en men wil uitoefenen, en de kracht, welke men bezit.

Wie zou van mijne jonge lieden gevergd hebben, dat zij het er in zagen? Claes wist niet eens, dat van oudss reeds behendigheid beter was dan sterkte; hoe zou hij hebben opgemerkt, dat dit woord in onzen tijd van dubbele toepassing is? Als had, hij zich over de geleden nederlaag willen wreken, wierp hij zich op een’ zwaar gehoornden bok, den gunsteling van Prikstra, die op tien schreden afatands van hen graasde.

„In kracht doe je voor mij onder,” riep hij Phlip toe, terwijl hij op het werbarstige beest trachtte te rijden. Drie minuten worstelde hij en lag toen met de beenen in de lucht! Helaas! hoe velen gelijken hem in later leven, hetzij ze om roem als rijmelaars op een ouden knol stijgen, of uit pligt als schoolmeesters ezels afrigten, of om geld, als wie niet al? dwazen huwen! Zij maken allen bokkensprongen, en worden allen uitgelagchen als Claes. Want Phlip schaterde dat het klonk, schoon Coo den ruiter te voet ter hulp kwam.

„Had ik geweten,” zei bij, „dat ge genoeg zoudt hebben van onder dien boom te liggen, zoodra Claes op zijn’ neus zijn gevallen, ik had, het hem eer laten doen.”

„Wie de sch heeft, krijgt den spot toe,” gromde Claes; vindt de lezer niet, dat de ondervinding wijzer maakt?”

„En boeveel nestjes, Coo! hebt gij in die takken gezien?” vroeg Phlip.

„Geen enkel,” antwoordde Coo.

„En wat zaagt gij dan?”

Het jongske gaf geen antwoord, – hij had niet bewonderd, hij had louter genoten, – het zou hem onmogelijk geweest zijn er eene beschrijving van te geven. Heugt elk onzer den tijd niet, waarin het ons als hem ging? – Boschkoninginnen waren hem even onbekend. als stroomnimfen; hij had, nooit van dryades of najades gehoord, en echter bezielde hij alles wat zijne oogen aanschouwden. De bloem, die hem hare geuren toezond, – de tak, die hem overschaduwde, – het golfje, dat aan zijne voeten brak, – de wind, die zijner wangen koelte aanwoei, zij allen waren zijne speelgenooten, zijne vrienden, hij ging er vertrouwelijk mede om!

„Terug!” borst Prikstra uit, – de bok sprong weder op de weide rond – Jaanders en Drommelschrik, die hem niet eens gemist hadden, zagen verbaasd op.

„Wat ik zeggen wil en jokken niet,” vroeg de Beurspilaar, ziet ge mijne vrouw?”

„Neen, vriend!” viel de zee-officier schalksch in, „het zal jufvrouw Ruigrok geweest zijn.”

„Oud mal gast boven al,” schertste Jaanders.

„Mijn houten been!”,zuchtte Drommelschrik.

„Ik weet niet wat gij bedoelt,” hernam Prikstra, „maar wel, dat ik ginder weer de drie jongens zie, dr, waar de arm van den stroom het smalste is, –, niet ver van het pontje, – zoo even zag ik ze de poort binnen stuiven.”

„De knapen zullen zich gaan baden,” merkte de zee-officier aan.

„Wat ik zeggen wil en jokken niet, dat zou mijne vrouw ergeren...”

„Brr!”

„Want het is onkiesch, wil ik zeggen...”

„Ja,” viel Prikstra in, „het naakt...”

„Brr!” herhaalde Drommelschrik.
„En ik ga hem beletten...”

„Ge blijft hier,” zeide de held van Doggersbank, „in ons waterland moet elk kunnen zwemmen, en uwe vrouw, die ge zindelijk op haar huis is...”

„Wat ik zeggen wil...”

„Laat er dt maar af,” verzocht Drommelschrik.

„Haal haar toch niet in het hoofd, dat zij zich ook baden moet,” vervolgde Jaanders, „zij zou dan in onze huiskamer den zondvloed gaan vertoonen.”

„Welk eene heerlijke schets van drie Cupidootjes zal dat leveren!” riep Prikstra, terwijl hij de jongens hunne buisjes zag uittrekken en zelf een blad papier en een potlood uit zijn 0. I. chitsen japon te voorschijn haalde.

„Schilder er eene Venus bij,” zeide Drommelschrik.

„Waar krijg ik een moldl?”

Wat ik zeggen wil en jokken niet,” begon de onverbeterlijke Jaanders, „hebt ge geene studie uit uwe jeugd?”

„Brr!”

„Ik heb er mij nooit aan gewaagd,” betuigde Prikstra, „Mijn meester gunde ons geene modellen; „want,” plagt hij te zeggen, „ik wil niet voor den Cherubim met het vlammende zwaard spelen, zoo als Rembrandt het bij zijne leerlingen deed.” Gij kent de historie?”

„Wat ik zeggen...”„Gij weet, dat Rembrandt omstreks 1630 te Amsterdam heeft gewoond? Van al zijne leerlingen was de dikke Frans Wulfhagen, een Bremer, de ondeugendste. De borst zou Cleopatra schilderen, zoo als zij den Nijl afvoer. Hij wist eene van zijne liefste kennissen over te halen, den smerigen trap van het pakhuis op te klauteren, – ik meen, dat het op de Bloemgracht stond, – de eerste zolder was door Rembrandt tot een werkplaats voor zich en zijne leerlingen ingerigt. Het mooije modl had bekijks genoeg van de jongens toen zij bovenkwam; maar Paudis, een Nedersaks, die zich meer vrijheid veroorloofde dan Frans aardig, vond, kreeg eene oorveeg, die voor drie volstaan mogt, – de klap was zoo raak, dat de borst en de deerne rust hadden van de overige scholieren. Het gebeurde op een’ warmen zomerdag, en het met linnen afgeschoten kamertje van onzen Bremer was z klein, dat Cleopatra gaarne hare plunje uittrok. Zij kon het Frans niet kwalijk nemen, hij zijn wambuis aan een’ spijker hing. Het maakte het voor hem wel wat luchtiger; maar het bleef toch nog te heet. het kamizool kon gemist worden en de vlaggendoek, en – ja, laat ik zeggen, enz. enz. De borst had nooit zoo pleizierig schilderd, Cleopatra begon op het doek te leven: hoe jammer, dat hij op moest staan, om n van hare lokken te verschikken! „Wir sitzen hier ja zusammen ob wir Adam und Eva im Paradies wren,” ze hij; Cleopatra bloosde, Frans had zulke mooie wangen gezien, en – een schaterend gelach deed zich uit het naaste vertrek hooren, Paudis had hen bespied en den meester door Jurriaan Ovens, een bloed van een’ jongen, die later zeven weken lang met een blaaw oog liep doen waarschuwen. „Ik zal u uit het paradijs drijven,” bulderde Rembrandt, en schreijend kroop Cleopatra in een’ hoek, en Frans stoof de trappen af, door Paudis met een’ Japanschen bezem gevolgd. – Ik heb al mijn leven koetjes geschilderd, daar ik bang was...”

„In verzoeking te zullen vallen...,” zeide Jaanders.

„Neen, ontijdig uit het paradijs te worden gejaagd,” merkte Drommelschrik aan.

„Waar zijn de jongens gebleven?” vroeg Prikstra, naar het scheen niet gezind te bepalen, welke der beide verklaringen de juiste was.

Eene sterke beweging in de takken van sommige vruchtboomen aan de overzijde van den stroom verried, dat de knapen het beloofde land, den boomgaard der kostkoopers, waren ingetrokken.

„Wat ik zeggen wil en jokken niet, hoe komen zij er?” riep Jaanders, „het hek op het pontje is te hoog, om er over te klimmen!”

„Ik krijg schik in die kapers,” zeide de zeeofficier, „het moeten pootige klanten zijn, daar zij het pontje hebben weten om te draaijen. Zie, in plaats van die zijde der plank, waarop de laffe bedreiging staat: „Hier liggen voetangels en klemmen!” – niemand gelooft er meer aan, – is de andere naar ons toegekeerd. Ik heb altijd gezegd, dat het hek op die pont overbodig was, zoo de dieven niet dommer waren, dan de stuipekoppen, die het timmerden; nu blijkt het...”

„Hoe die pruimenboom schudt!” viel Prikstra in, „de duive hale de roovers!”

„Waarheen, vriend?” vroeg Drommelschrik, terwijl hij eensklaps oprijzende, met militaire waardigheid Prikstra bij den gordel, die om zijn lijf slingerde, vasthield.

„Jufvrouw Ruigrok ze mij, dat die pruimen hare liefste vrucht zijn.”

Ei, ei!”

„Brr!”

„De goede vrouw heeft zoo weinig genoegen,” bad de schilder.

„Prikstra!” antwoordde de held van Doggersbank, met gouden knop van zijnen wandelstok naar die cel in het verschiet wijzende, in welke jufvaauw Ruigrok deurramen had laten zetten, „ik ben geen verklikker.”

„Laat mij gaan,” smeekte de zoon van Apelles.

„Ik houd er niet van, voor den Cherub met het vlam zwaard te spelen!”

„Drommelschrik!”

„De goede vrouw, die zoo weinig genoegen heeft, is sinds dien avond zoo beleefd...”

„St!”

En de man in den O. I. chitsen japon zette zich weder de bank, en de zee-officier vermeidde zich in het schudden van den pruimenboom, en Jaanders dacht in zich zelven, wat hij aan zijne vrouw zou kunnen zeggen en jokken niet.

Hier viel eene vinnige diatribe in te lasschen tegen het misbruik, dat mijne helden van hunne vrijheid maakten; – indien ik staatkundige vertoogen in den geest des tijds schreef, kwam de arme maagd zelve niet zonder een paar steken onder water vrij. Maar zoo als in iederen wlgeregeerden staat, volgde de geregtigheid het misdrijf ook hier op de hielen; onzen tuindieven bedreigde een ernstiger gevaar, dan de uitval, dien Prikstra beraamde: men make zelf de toepassing!

Het was een boom, de weelderigste dagen van het klooster waardig. De dauw glansde op de liefelijk gele, vroeggerijpte vrucht. Claes en Phlip waren bezig, al etende, de synonymen van lekker en heerlijk met elkander af te wisselen.

„Wat ruischt daar?” vroeg Phlip.

„De takken,” zeide Claes.

„Maar ik hoor voetstappen...”

„Ge hoort pruimen vallen.”

Phlip zag iets wits door het loover schemeren; een oogenblik waagde hij zich een’ tak lager, om het veld te ontdekken; snel als een eekhoren klauterde hij naar den top, toen hij den vijand verkend had.

„Wat zoekt gij zoo hoog!” vroeg Claes, toen hij hem boven zich zag, „de beste pruimen hangen hier.”

„Veiligheid,” wilde Phlip antwoorden; maar een schreeuw van Claes voorkwam hem. De jongen dacht, dat eene wilde kat hem van achteren aanviel; de duw was er echter te hevig voor; hij had het slechts zijner kracht dank te wijten, dat hij niet naar beneden rolde. Phlip fluisterde hem toe, dat het jufvrouw Ruigrok was, die hem met een’ ragebol a posteriori stiet.

„Wat belief je?” vroeg Claes, toen hij zijne vervolgster omlaag gewaar werd.

„Wat mij belieft, rekel! – goddelooze tijden! – een mensch komt pas uit de kerk – er zijn al wer dieven in den pruimenboom – Marretje! waar blijf je toch? – wie leert je die kunstjes? – wat mij belieft, ondeugd! – O dat Prikstra hier was! maar hij schildert zeker een juweeltje. – Jufvrouw Jaanders! Jufvrouw Jaanders! – komt af, guiten! en ik zal je ranselen.”

Hier zette jufvrouw Ruigrok voor goed een sluitteeken, of liever Phlip zette het, door eene pruim op haren mond te laten vallen.

„Claes!” riep hij, „wacht er je wel voor af te komen; eerst als de bui over is, kunnen wij droog naar huis gaan, jongen!”

„Droog, rekels! ik beloof je van neen – Marretje! waar blijf je toch ? – Jufvrouw Jaanders! Jufvrouw Jaanders! – de mannen zitten zeker wer in in de kroeg – dat doet Prikstra nooit, – waren de Engelschen maar niet zoo blind voor zijne verdiensten! – Die zal raak zijn!”

„Hoezee, Phlip! Hoezee!”

Een oogenblik was de oorzaak van dien kreet, door het drietal op den heuveltop verstaan, hun een raadsel. Wel had het scherpziend oog des schilders van verre het glinsterend gebloemd zijden kleed herkend, dat jufvrouw Ruigrok’s grootmoeder op haren bruidsdag gedragen had, en waarin hare kleindochter iederen Zondag prijkte, daar zij het voor zulk eenen dag niet behoefde te bewaren; wel deed de verdubbelde beweging van de takken des booms hen een’ strijd vermoeden; maar welke zege er behaald was, begrepen zij niet. Daar vloog een ragebol uit de takken in den stroom.

„Bravo, jongens!” riep Drommelschrik.

„Zij is alln tegen drie,” klaagde Prikstra.

„Zij heet immers een driedekker,” schertste de zee-officier; „ik wensch, dat zij de feeks de laag mogen geven: neem het mij niet kwalijk, Prikstra! maar ik haat alle Kenau’s. Zie, dan was mijn Leentje een ander meisje. „Het was goed,” plagt zij te zeggen, „dat ik niet bij u aan boord was, toen uw been werd afgeschoten, de kogel zou mij door het hart zijn gegaan!” Arm ding! hij deed het toch!”

Drommelschrik wreef zijne oogen uit, terwijl Jaanders’ merkte: „Dat is iets nieuws, wat ik zeggen wil en jokken, niet en het regent in den pruimenboop van uit den grond. op.”

De man zag juist, jufvrouw Ruigrok had niet te vergeefs om Marretje geroepen. Hijgende kwam de oude sloof haar te hulp; in hare bevende linkerhand droeg zij eene spuit, terwijl zij met de regter een’ emmer water torschte; haar saaijen rok was nat geworden van het vocht, door het slingeren.

„ Je woudt droog naar huis gaan, als de bui over is, ondeugden! dat zal ik je anders leeren!”

En jufvrouw Ruigrok spoot Phlip de stralen in het gezigt, dat zijn aangezigt gudste.

„Ge krijgt een dubbele wijding, de regen en den drop, maat!” riep de spotboef Claes toe, die onder hem eene schuilplaats gezocht had; „maar waar duivel zit Coo toch?”

„Hij ze, dat hij van geene pruimen hield,” antwoordde Claes; „ik wou, dat ik met hem was gaan zien, of de perziken rijp zijn.”

„Hij heeft geen’ moed, er te plukken.”

„Zul je afkomen, rekels! en op je knien om vergiffenis vragen?’ riep jufvrouw Ruigrok.

„Wat dunkt je, Phlip!”

„De emmer zal haast leg wezen – niet naar beneden, zoo lang er twee zijn.”

Wer schoot de fontein hare stralen omhoog; Phlip zwaaide, om haar te tarten, in den top des booms met zijn mutsje door de lucht; toen l)rommelschrik het zag, zeide hij met de woorden van Lucas Trip, dien zijne tijdgenooten den hedendaagschen Hooft noemden:

„Hieldt Parker Zoutmans kleen’re vloot
Te nemen voor gesneden brood;
Hij beet, na vier uur vegtean wijzer,
Zijn doggentanden stomp op ijzer;
En riep: Maak zeil! ontvlugt ’t geweld –”

 De zee-officier wilde voortgaan; maar Prikstra viel in en zeide: „Het schijnt eer, vriend! dat uw’ held de vlugt neemt.”

„Een eervolle aftogt als die van...”

„Zoutman?”

„Als die van Parker, Prikstra! Schilder koetjes, man! maar bemoei u met geene zeezaken.”

De schilder zweeg, en toch had hij gelijk, niet wat het treffen bij Doggersbank betreft, – wij vermeten ons niet er over te oordeelen – maar wat de vlugt van Phlip aangaat. De emmer was ledig, en Marretje, die zich niet aan den rand van den stroom wagen durfde, wilde weder naar huis gaan, om dien te vullen.

„Niet over de brug naar het water!” riep jufvrouw Ruigrok, en verwijderde zich.

„Af!” beval Phlip en Claes volgde hem. Het oogenblik was gunstig, gunstiger dan zij hadden verwacht. „Ik heb hem, ik heb heml” riep jufvrouw Jaanders uit de verte; zij had gevonden en gegrepen. Hij was het offer van valsche schaamte, hij wilde niet stelen, bij had zijnen makkers niet durven zeggen, dat hij het niet wilde.

Fluks dien stok opgepakt, Claes!” zeide Phlip, „het omzetten van de pont kost ons anders weer even veel moeite als straks; Coo! houd die jufvrouw met den emmer vast.”

En Coo, die met meer regt dan zij had mogen beproeven te ontsnappen, aarzelde niet, toen jufvrouw Jaanders, met zijn goelijk gezigt begaan, hem losliet, de lieve Ruigrok bij een slip van hare samaar te grijpen: de jeugd weet van geene gewapende onzijdigheid.

„Bravo, jongens! – ze zijn vrij,” juichte Drommelschrik.

„Ik zie er maar twee,” zeide Prikstra.

„Daar komt, wil ik zeggen en...

„En jokken niet,” gromde de zee-officier teleurgesteld, „feeks Ruigrok met den derde!”

Het was, helaas! slechts te waar, Coo zou het aantasten van het heilige – de samaar – duur boeten! Wat baatte het hem, dat hij betuigde onschuldig te zijn? hij waa voor Prikstra’s vriendin op den weg naar wraak een struikelblok geweest; zij had er hem gaarne honderd pruimen voor gegeven, zoo zij haar doel had mogen bereiken. „Z jong,” zeide zij, „en reeds z ondeugend!” – en trok hem bij zijn regter oor – „geene pruimen te lusten, maar wel perziken!” – en trok hem bij het linker – „leugens op leugens te stapelen, zonder blikken of blosen” – en trok hem bij beide ooren. De oogen van den jongen liepen over; maar hij schreeuwde niet. „Laat hem los, of het zal u berouwen,” riepen Phlip en Claes van de overzijde, jufvrouw Ruigrok sleurde den gevangene met zich voort. De goede vrouw van Jaanders en het strompelende Marretje verzochten haar, hem naar zijne makkers te laten gaan. „Hij is genoeg gestraft,” zeide de eerste; „ik gaf er mijne juweelen oorhangers voor, zoo mijn man en ik zulk een knaapje hadden.” – „Kw jongens blijven kw jongens,” meende de laatste, „het is boter aan de galg gesmeerd.” De dochter Ruigrok’s scheen overreed. „Beken, knaap! en gij zult vrij zijn!” sprak zij, „Ik heb niets gestolen,” verzekerde Coo. „Dat gaat te ver,” was het antwoord. En hij gevoelde voor het eerst van zijn. leven, wat het zegt te worden miskend!

In het verschiet zag het jongske de plek, waarop hij straks zoo zoet gedroomd bad van bloemen, golven, windjes en takken, die met hem speelden; droef te moede sloeg hij, als zij die hem leidde; den weg naar de huizing in. Het somber gebouw – de donkere gang – de diepe kelder – zij stonden allen, voor zijne verbeelding, eer jufvrouw Ruigrok er hem mede bedreigde. „Ik heb niets gestolen,” betuigde hij. En toen zij den breeden drempel overschreden, onder de gewelfde bogen voortgingen, de vochtige trappen aan hunne regter of linker zagen, klopte zijn hart wel luider, maar streelde hem tevens voor het eerst van zijn leven het besef zijner onschuld!

Licht en lucht waren geene zeldzaamheden in het meer bewoond,e gedeelte des kloosters; naauwelijks had, hij dit bereikt, of hij verweet zich in stilte het verlaten der kerk. Hoe zeer gelijkt deze bladzijde der geschiednis van zijn eenvoudig hart, naar die van menig boeteling, weleer in ditzelfde gebouw opgesloten: fier op zijne onschuld bij onregtwaardige vervolging; deemoedig in het stof gebogen, zoodra hij aan zijne verborgen zonden dacht! De bekentenis lag op de lippen van den knaap en jufvrouw Jaanders had die ontvangen, maar de vriendin van den schilder opende de deur van haar vertrek.

Welk eene onaangename verrassing! – Zwermen bijen dommelden door hare anders zoo stille kamer; een korf lag omgeworpen op den grond; de verstoorde dieren vlogen gonzend de binnentredende in het gezicht! De glazen van het spiegelkabinet, – op het gansche hofje waren er geen blinkender – de gordijnen van de bedstede, – gisteren pas van de bleek gekomen – de ketting van de hangklok, – geschuurd of koper in goud kon verkeeren, – waren met bijen bezaaid. Marretje – de oude meid – kon het niet aanzien, en sloeg links en regts met haren zakdoek; eenige dochteren der nijverheid bezweken onder haar verdelgend zwaard, de overigen werden woedend.

„Z zoudt gij u geweerd hebben, toen de rekels ontsnapten,” beet haar jufvrouw Ruigrok toe.

„Maar mijn saaijen rok is nat als klets; wanneer hij gescheurd was, wie had, mij een’ nieuwen gegeven?”

„Die dienstbsren denken altijd, aan zich zelve,” hervatte vriendin van den schilder.

Zoo zij om had gezien, zij zou hebben opgemerkt, dat de niet dienstbare jufvrouw Jaanders zich buiten den strijd hield en met Coo in den gang was gebleven.

Haar ijver liet haar geen’ tijd, toe, zij repte zich de deurramen te ontsluiten; – dr zag zij, voor zoo ver de stekende beesten jufvrouw Ruigrok toelieten te zien, dr zag zij Phlip, die Claes trachtte mede te slepen, en Prikstra, want hem zag zij het eerst! en Jaanders en Drommelschrik, die den jongens den terugtogt uit haar hofje afsneden.

„Wat duivel hebben de guiten daar uitgevoerd?” riep de zee-officier.

„Ons gewroken,” antwoordde Claes, met een pijnlijk gezigt.

„Pleizier is een bilslag waard., Claesje!” viel Phlip in. „Ha, Coo! hoe smaakten de persiken?”

„Hij is een zoet kind!” zei jufvrouw Jaanders, zich met hem bij de overigen voegende.

„Onnoodige haast, man!” viel Phlip spijtig uit, toen Prikstra zich spoedde zijnen makker te grijpen; „van daag ontloopt hij u zeker niet.”

Drommelschrik beschouwde den voet van den knaap – hij had dien verstuikt bij het inwerpen van den korf: „Jufvrouw Ruigrok! een’ zwachtel!” beval de zee-officier.

„Wie kan iets vinden in zulk eene verstoring van Jeruzalem?” – was haar antwoord; „neen, niet in die lade, jufvrouw Jaanders! Dr liggen mijne gedachtenissen in,” – voegde zij er bij: „oef! die beesten! zij laten een’ mensch geen oogenblik rust;” zij werd door drie bijen te gelijk gestoken. „Luister, jongetje!” hief zij weer aan, – „ik zal naar de Schrift handelen, – al zijn dagen! het is mijn neef, de oudste zoon van den graankooper – nu, zijn vader mogt nog al op mij smalen en zeggen: „Een gestolen watertje is zoet, nicht Ruigrok!” – als jij een aardje hebt naar je vartje, jongetje! dan deugt die ook niet veel.”

„Breng die boodschap letterlijk over, Claes!” schertste Phlip.

„Wie zijt gij, knaap!” vroeg Drommelschrik; „de moed, waarme ge mij in de oogen ziet, bevalt mij beter, dan de laatste trek, dien ge hier gespeeld, hebt.”

„De zoon van den Rector,” was Phlip’s antwoord.

„Dan houd ik u als gijzelaar voor het anker eijn, dat uw vader ons beknibbelen wil.”

„Hij gaf een anker wijn, zoo hij mij kwijt was,” hernam de snaak.

„Hij zal een’ zeerob van je maken, als hij mijn’ raad volgt weet hij, dat gij hier zijt?”

„Wij zijn uit de kerk geloopen,”

„En waarom?”

„Gij zijt een vraagal,” antwoordde Phlip; „er werd, geprekt over Hagga I. vs. 4.; en daar wij in geen gewelfd huis wonen, begreep ik, dat het mij niet aanging.”

„Beken liever, Phlip! dat wij kwaad gedaan hebben,”, zeide Coo.

„Wie weet?” hernam Drommelschrik.

Zoo de kennismaking den lezer bevallen mogt, zullen over eene maand zien, in hoe verre de held van Doggers gelijk had.

de Gids, 1838.