E. J. POTGIETER (1808-1875)

ALBERT.

I.

„Annelief!” – zeide Jacob de Maze, – de dertigjarige echtgenoot der bevallige vrouw, welke er naauwelijks vijf en twintig telde, „omstreeks de eerste ure,” zoo als een onzer redenaars zegt, van den zevenden of achtsten dag dezer maand Januarij – „Annelief! als ik zoo hoor, hoe je met HenriŽtte al de jonge heeren de revue laat passeren, dan gaf ik er wel wat om, dat ik je voor een jaar of zes had kunnen beluisteren, toen je wis met eene van je vriendinnen over mij raadpleegdet, en –

„ Jacob! Jacob!” viel zij in, „wat ben ik blijde, dat HenriŽtte zich is gaan kleeden voor het toertje, – wat zou zij je anders over je onhandigheid hebben uitgelagchen!”

„Waarom?” vroeg de echtgenoot, goedhartig.

„Maar, man! begrijp je dan niet, dat je me al mijne illumsions perdues weer voor den geest roept? Zoo menig ťloge, dat ik toen voor je over had, zou nu naar een’ satire zweemen; je waart zoo intťressant.”

„En ik ben zoo gezet, – laat verder hooren, Annelief!”

„Ik nam geen’ jonker, omdat ik mij niet op het land wou vervelen, door van niets anders te hooren dan van de visscherij en de broeijerij, en de jagt en de pacht, en de pastorie en de menagerie; ik nam een’ Amsterdamsch koopman, het onafhankelijkste schepsel ter wereld – behalve van zijn kantoor, en ik zit – den ganschen dag – alleen –”

„Het begin is flatteus,’” zeide Jacob.

„Maar het einde kon wel eens piquant worden; luister: als ik niet alleen ben, of liever als je bij mij bent, en we dus alleen zijn ŗ deux, welk een onderscheid bij weleer! Mijne wenken zouden wetten wezen; helaas! het is tegenwoordig aan eens dooven mans deur geklopt, zoo lang je eene prijscourant in de handen hebt –”

„Onze welvaart, Annelief!... maar je meent het niet ernstig, – en ik ben geen onredelijk man. Ik heb nog al zwak voor eenige kleinigheden, het is waar; ik ben er bij voorbeeld op gesteld eene mooije vrouw te hebben; en daar valt tot heden geen klagen over! Ondanks onze drie kinderen ben je nog geen moedertje, – een verschiet, dat meer jonge lui van het huwelijk afschrikt, dan je gelooft.”

„Ei, kom! – En Mijnheer is al verder gezet op eene goede tafel –”

„Waarvan ik je al de eer geef –”

„Na mijne keukenprinses. En ten derde?”

„Nu, ten derde?”

„Hou je eens of je het niet wist. Eene cigaar na het dessert –”

„Eene loge in dc Fransvhe comedie,” merkte Jacob aan.

„Een paar avonden in de week naar de Vriendschap,” verweet Anne.

Altoos logťs, ten genoegen van Mevrouw.”

„Omdat Mijnheer zijn gezelschap zoo zeer waard is.”

„Anne!” –

„Jacob! – ik had het slechter kunnen treffen, – is dat niet lofs genoeg na zes jaren getrouwd te wezen?”

„Bravo, wijfje! maar nu eens opgebiecht! Is HenriŽtte waarlijk...”

„Foei, zou ik uit de school klappen!”

„Denk je dat Albert... ”

„Hij heeft geest.”

„Of zou, het Harmen wezen?”

„Hij is rijk.”

„Dus is er nog een derde op til?”

„Ik zou haast zeggen, dat je snugger werdt, Jacob!”

„Verpligt, Anne!”

„Maar de eerste communicatie van mijne zuster zal natuurlijk aan haar’ zwager wezen.”

„Ha – zoo!” –

„En laat nu je chocolade niet koud worden, manlief! en vergun mij voor je lievelingsgeregt te zorgen – ik wil er al de eer van hebben, na –”

„ „De keukenprinses; ” zou je willen dat ik zeide, maar zoo mal niet. Er is zeker iets aan HenriŽtte’s mantille te plooijen, waartoe Door te onhandig is –”

„Wil je ook mee komen?”

Jacob de Maze zag haar lagchende na, en stond met de handen op den rug voor den haard, en dacht aan alles, behalve aan HenriŽtte’s pretendenten. Het minste, waar een getrouwd man, zoo als hij, zich over bekommert, is het huwelijk zijner zusters. Het schort niet daaraan, dat hij die alle liefst erftantes voor zijne kinderen zag worden, de oorzaak ligt in zijne onverschilligheid voor alle verliefde droomen, welke voor hem een uitgelezen boek zijn geworden, dat hij niet eer weÍr ter hand zal vůůr hij weeuwenaar is. Bij vrouwen heeft het omgekeerde plaats; – maar ontvangen wij niet van tijd tot tijd, bekentenissen van romanschrijfsters, die mij te regt zouden uitlagchen, zoo ik mij op haar gebied waagde? Jacob de Maze dacht aan zijne zaken – aan de koude op de onoverdekte beurs – aan zijne fijne wijnen – aan het gemompel over de vertraagde betaling van zekere coupons – aan het concert van dien avond – misschien aan het toilet van Anne; – zeker al weer aan zijne zaken. – DŠŠr diende de knecht „Mijnheer Olverts” aan.

Het was Albert, die eene ietwat late nieuwjaarsviste kwam afleggen; hij verborg onder zijne informatie naar den welstand der dames slechts kwalijk zijne teleurstelling, dat hij deze niet aantrof.

„En na goede zaken, vriend! weet ik je niets beters te wenschen,” besloot hij zijne felicitatie, „dan dat je kinderen mogen huilen, dat het een’ aard heeft, tranen met tuiten, man! – dan eerst zul je er pleizier aan beleven.”

„Wat drommel, Albert?”

„Ik meen het, Jacob!”

„Neen, maar zeg mij in ernst, is het eene poŽtische dwaasheid, – zou je er dan een vers op willen maken?”

„Hm! Hm!” was het antwoord, en er lag bitterheid in den toon, waarop de jongeling voortvoer, „kindertranen – onnoozel lijden, – smarte, die niets folterends heeft, daar de stroom der vergetelheid voor de jeugd. nog altoos vloeit: het zou geen kwaad, onderwerp wezen voar eene honderd en eende bespiegeling. – Maar,” vervolgde hij, en de schertsende lach speelde weder om zijne lippen, „ik heb je toch daarom geene norsche Kareltjes en geene kribbige Keetjes toegewenscht; neen, ik ben al een heele patriot in mijn verlangen naar een’ jankenden Sander en eene grijnende Saar.”

„Wat zou dat een aardig familieconcert geven!” zeide Jacob.

„Maar het doel,” begon Albert weder, „het doel, dat er door bereikt zou worden: eene muzikale jeugd – eene muzikale opvoeding – een muzikaal volk! Schreijende kinderen maken zingende moedertjes, en daar hebben we behoefte aan, of je geeft alle jaren zeven gulden en vijftig centen voor niemendal uit, – en zie, daar hield ik je te knap financier voor.”

Jacob stak zijne ooren op. „Zeven gulden en vijftig centen, – gene jaarlijksche contributie, – ha, voor de Maatschappij tot –”

„Ja, tot –”

Tot nut van –”

„Hola, – in het vervolg van, – ja, wat weet ik het, – ik twijfel bij wijlen of zij zelve het wel weet, Jaren lang heeft zij zich lofelijk bezig gehouden met het Onderwijs – toen is zij, met minder gevolg, jaren lang onledig geweest met het bekroonen van prijsvragen, en nu... Jacob! ken je het versje nog, dat je grootvader, achter lijst en glas, in reuzig schrift, zoo als de man zeÓ, op het harmoniezaaltje van zijn’ muzijkmeester zag hangen?”

„Het rijmpje van sinjeur Plavonius? Of ik het ken! Mijn grootpapa plagt altoos te zeggen, dat de pruik er met den strijkstok naar wees, als hij vergeten had de sonnate te bestuderen; hoor, zoo luidde het:

„Ongevoelig zijn de zinnen
Van die geen muzijk bemimnen.”

„Ik geloof waarlijk,” hernam Albert, „dat de oude best van eene Maatschappij bang is voor het anathema; – om te toonen, dat zij nog veel te doen heeft, zal zij onze natie muzikaal gaan maken: une mer ŗ boire! Wij hebben overraauwe kelen, wij zijn nog al zoo tamelijk op nommer ťťn –”

„Een practisch volk,” viel Jacob in.

„Juist man! een practisch volk; maar de muzijk, beweert zij, is het doeltreffendste middel ter ontwikkeling van – ach! heb je geen Verslag van de werkzaamheden hier? ik geloof, dat het met de harmonie en met Plato eindigt. Nu is er wel geen twijfel aan –”

„Waaraan?” zeide Jacob, „aan Plato of aan de harmonie?”

„Aan de volmaakte overeenstemming, vriend! die er tusschen al de leden van haar bestuur heerscht het is een vol, zuiver, laag gerekt accoord. En wat de secretarissen betreft, dat zijn eerste violen zonder weerga. – „De ware opvoeding,” – zeggen zij, allemaal, „– geeft harmonie tusschen hoofd en hart, –” en ze zijn er levende voorbeelden van! Maar om die te krijgen door de muzijk, bij een volk, dat hard van ooren en zwaar ter tong is, zonder dat schreijende kinderen eerst zingende moedertjes maken, en de zin voor de toonkunst dus al met de paplepel wordt ingegeven, – de manier, waarop onze ouden den zang bevorderden, – dat gaat boven mijn begrip. Ik zeg niet, dat ik het niet verbazend zal vinden, als men eene heele natie zoo op ťťns omschept, maar ik hou het er voor, dat onze voorvaders natuurlijker gang gingen. Toen de moeder bij de wieg in den Bijbel las, werden de kinderen van zelve vroom opgebragt –”

„De commissie voor het Onderwijs zit in den Haag, Albert!”

„En we zijn er geene leden van, wij vertegenwoordigen niet eens eene fractie van eene factie; je hebt gelijk, Jacob! maar je vindt immers mijn’ wensch nu minder gek, dan hij je eerst voorkwam? Zie, man! als je bloedjes geen’ zweem meer zullen hebben van zulke gedweeŽ lammeren, dat de baker niet eens een zuija zuija behoeft te kennen, om ze in slaap te sussen, dan eerst zal de muzijk ook ten onzent iets anders worden dan louter vertooning, praalzucht, tijddooding –”

Jacob keek naar het staartstuk, in eenen hoek der kamer geplaatst.

„Ik beweer dat niet, vriend! omdat ik die piano nooit open ziew dan op galadagen – present company always excepted; ik wou je maar in het verschiet den gulden tijd laten zien, waarin geen Vrugt meer opgeld zal doen, en de heele wereld „Roosje! mijn Roosje!” zal kwelen, zoo als hij. Want:

„Zoo als de ouden zongen
„Piepen de jongen.”

„Het is waar, het zal eerst wel wat gepiep geven –”

„En wat gegrijn en gejank!” zeide Jacob, „de hemel beware er mij voor! Als Willem –”

Zie, het knaapje huppelde, of het geroepen was, aan de hand zijner mama binnen, – doch daar Albert haar nog zijn compliment had te maken, en men eener beminnelijke vrouw iets aardigers kan wenschen dan balkende wichters, nam het gesprek weldra eene andere wending. Zijne gedachte over het onhollandsche, om de muzijk als middel van volksopvoeding te bezigen, was een inval geweest, dien hij door een’ uitval lucht had gegeven; hij werd door honderd dergelijke op eenen dag gekweld; hij zou geene van die aanmerkingen tegen elk, gaarne en ŗ outrance, hebben verdedigd. Welligt was hij het moede, er niets anders voor in ruil te ontvangen dan een glimlachje of een hoofdknikje, dan een: „Gij overdrijft!” of „Gij ziet alles zwart!” Waarschijnlijk wist hij zelf, dat die spotzucht niets anders was dan het gevolg eener ziekelijke stemming van geest; – maar de oorzaken van die onvoldaanheid met zich zelven en zijnen tijd, bloot te leggen voor iederen indringer, dat wilde, dat konde hij niet; – het ergerde hem al genoeg, als men bij wijlen die bitterheid amusant vond.

Te vergeefs zocht Jacob het onderwerp nogmaals op het tapijt te brengen door van de Italiaansche Opera te gewagen. Hoe hij zich verbeelden dat Albert er iets tegen zou hebben, dat het beschaafde publiek der hoofdstad zich verlustigde in de weelde, de zangerigste taal ter wereld eindelijk eens te hooren zingen. „Madlle Mattheij!” riep hij met vuur uit, „heeft voor ons publiek een nieuw gebied der kunst ontsloten; zij is eene der weinige cantatrices, bij welke men er niet meer aan denkt dat zij zingt als zij jammert of juicht, – de opera is in ItaliŽ geboren, comme le vaudeville est nť FranÁais.”

„Dat zou je niet zeggen, als je Judels hadt gezien,” viel Jacob in.

„En jufvrouw HenriŽtte is wel, mevrouw?” vroeg Albert, zonder den handschoen in de Nes op te rapen.

„O, zeer wel, mijnheer! – zij zal straks binnen komen.”

Eene pauze: – de jongeling zag naar de deur, of deze er spoediger door zou open gaan. Maar HenriŽtte liet zich wachten.

„Wat zou Willem denken bij het zien van die schaatsrijders, mevrouw?” vroeg Albert, die het hoofd. naar het raam had gewend, dewijl hij zag, dat Anne hem gade sloeg; „mij komen bij dat voortstrompelen en vallen en weÍr opkrassen der beginners altoos de bekende regels van Tollens in gedachte:

„Dat al ons stromp’len en ons gaan
„Niet meer is dan eene eerste schrede
„Op de eidloos onafzienb’re baan.”

„Foei!” hernam de vrouw des huizes, „foei! parodiŽer onze jonge dichters zoo veel gij wilt, zij overdrijven hunne eigen manier, als streefden zij er naar, om te worden geparodiŽerd, maar –”

„Ik bid u vergeving, het was geene parodie,” viel de jongeling in, „het was a homely illustration of an interesting thought; maar kom eens hier, Willem! kom dan toch.”

Albert had goed roepen; het jongske bleef aan het raam staan; hij zag er nog naar om, toen zijne moeder schalk aanmerkte:

„Gebrande kinderen schromen ’t vuur..”

Gold dat woord, gold de opgeheven wijsvinger, die er nadruk aan moest bijzetten; gold het lachje, dat bij die woorden om de witte tanden van mevrouw de Maze speelde, hare aanvallige zuster, die op hetzelfde oogenblik binnen zweefde, of haren lieven Willem of Albert zelven? De laatste giste, en wist waarlijk niet, op wien hij het moest toepassen. Het kom HenriŽtte gelden, want ze zou, zich aan een wintervermaak wagen, dat zij vroeger met eene verkoudheid had geboet; doch hiervan was Albert nog onbewust. Het kon op het jongske slaan, want hij bekeek met deernis zijne linkerhand, waaraan een zeer lapje welligt een frisch vingertje verborg. Het kon op Albert zelven zien – doch we mogen ons verhaal niet vooruit loopen; en hij was blijkbaar te zeer teleurgesteld, om het onderzoek verder voort te zetten.

Wie HenriŽtte aanschouwd had, zou gezworen hebben, dat het niet haar tooi kon zijn, waaraan Albert zich ergerde, en echter was het deze, welke hem een oogenblik verlegen maakte, welke hem hare buiging schier links deed beantwoorden. We zouden ons, zoo eene schets de uitvoerigheid duldde, die eene beschrijving eischen mogt, er vermetel aan wagen. Eene donkerkleurige mantille, met randen van licht-grijs bont bezet, wier ronding wel de keurige evenredigheden harer schouders omhulde, doch haar rank middel niet afgunstig verborg, was door den smaak, die uit vorm en stof bleek, het penseel van een’ Metzu of Dou waardig. En zeker werd nooit het talent dier meesters aan fraaijer leest of aanminniger kopje gewijd, dan men in de weelderige gestalte en het echt Hollandsch schoone aangezigt van HenriŽtte bewonderde. Hare blaauwe kijkers wierpen onder het naderen een’ vlugtigen, tevreden blik in den spiegel; en het fluweelen hoedje zat om te stelen, schoon het de pracht der licht-blonde lokken slechts ten deele liet zien.

„He, mijnheer van – mijnheer Olverts!” begon en herstelde zich HenriŽtte verwonderd. maar verrast, „ik kom zoo gekleed beneden, omdat –” En zij zette den nijdigen hoed af.

„Door heeft zeker weer een’ bok geschoten,” zeide Jacob.

HenriŽtte ontgespte de mantille.

„Het spijt mij, mejufvrouw!” ving Albert aan, „ik tref het ongelukkig, merk ik – ik had gedacht –”

„Ons eene dienst te bewijzen, mijnheer!” voegde HenriŽtte er heusch bij.

„O, mejufvrouw! zeg dat niet; het genoegen zou geheel aan mij zijn geweest, maar ge zijt goed genoeg, om u het diner van veleden Woensdag te berinneren, waar ik mij zoo schrikkelijk zou verveeld hebben als op onze meeste partijŽn –”

„Wij zien nog al gasten, en ook u, bij wijle, mijnheer Olverts!” viel de vrouw des huizes in.

„Vergeving, mevrouw!” zeide Albert; maar het was het vergeving der zamenleving, dat geen’ nadruk heeft en geen antwoord verbeidt; zich tot HenriŽtte wendende, voer hij ernstig voort: „waar ik mij zoo schrikkelijk zou hebben verveeld, zoo ik niet naast u geplaatst ware –”

„En ge kwaamt ons aan onze afgesproken wandeling herinneren? – ge zijt wel goed, maar mijne zuster heeft heden bezigheden –”

„O, mejufrouw! zou slechts dat –” „Al te beleefd, mijnheer Olverts!” brak hem mevrouw de Maze af, en zou den jongeling het hoofd hebben zien buigen, zoo zij niet verder ware gegaan, maar zij voegde er hij: „je serais de trop!

„Anne!” riep HenriŽtte ernstig, „ik heb geene geheimen.”

„En ik zou niet wenschen, dat de geheimen, die ik u mogt hebben mee te deelen, lang geheimen bleven voor mevrouw uwe zuster,” zeide Albert, veelbeteekenend; het scheen dat de verwarring, waarin hij HenriŽtte zag, hem geheel van zijne verlegenheid, bevrijdde; – Anne had hem onvoorzigtig voet gegeven.

Zij was de eerste, om hem dien grond6 weder te betwisten.

„Dat is al te galant, mijnheer Olverts! niet voor de meeste onzer jongeluÓ, maar voor iemand, die zich piqueert opregt te zijn, die ten minste niemand spaart –”

„En dus alle aanspraak verloren heeft, mevrouw ’t om zelf gespaard te worden,” zeide Albert.

Anne was verzoend, – HenriŽtte spoedde zich eene andere snaar aan te roeren:

„Voor een andermaal dus, mijnheer! ik heb heden mijn woord gegeven voor een toertje in eene arreslede met den Heer van Uphoeve.”

„De gelukkkige!” borst, Albert uit.

„Wel moog je het zeggen,” viel Jacob in, eindelijk den wenk van Anne begrijpende, „Harmen is een Weledelgeborene; hij is Meester – hij kan dus naar alle ambten staan –”

Maar Albert mijmerde voort en viel niet uit.

„Hij heeft nog al fortuin voor een patriciŽr –”

„Dat – wil – zeggen – geen – mil – lio – nair,” merkte Albert onbeduidend aan, schoon hij iedere lettergreep scheen te wegen.

„Maar hij heeft geen –”

Albert stond op, om afscheid te nemen.

„Geene vrouw,” schertste Anne schalk

„Dat weet ik,” zuchtte Albert.

„Maar dat was niet wat ik zeggen wilde,” viel Jacob in, „geen regt op den jonkheerstitel, dien hij zich aanmatigt; doch, jongenlief! zoo haastig niet; ik heb van avond eene comparitie, wilt gij mijne vrouw en mijne zuster naar het concert brengen?

„Volgaarne, – au revoir, dames!”

Doch Albert was de deur nog niet genaderd, eer van Uphoeve binnen trad; en schoon hij straks op het punt was te gaan, bleef hij nu onwillekeurig oog eenige oogenblikken, – louter om zich te ergeren. Trots den goeden toon, ook dezen patriciŽrs eigen, straalde er in zijne manieren eene zelfvoldoening door, was er in zijne pligtplegingen iets: „Je ne dťroge pas, je m’accommode,” dat Jacob de Maze de kennis met van Uphoeve had doen afbreken, indien hij prikkelbaar ware geweest als gij of ik, willen wij hopen. De Weledelgeborene roemde het fraaije weder; de Weledelgeborene maakte HenriŽtte zijn compliment over hare exactitude; de Weledelgeborene zeide de vrouw des huizes, dat haar kind een engel was! Hoe lief; hoe beleefd; hoe innemend! Maar er moest toch een beetje citroen in al dien honig worden gemengd; terwijl HenriŽtte hoed en mantille opzette en omsloeg, mogt het gesprek niet kwijnen; wat was natuurlijker, dan dat de naburen, de Franachen, Napoleon meegenomen werden, zoo als de term is?

„Het gaat waarlijk te ver,” beweerde van Uphoeve, „de policie moest die plaat, welke Buffa zich niet schaamt voor zijne glazen te hangen, laten wegnemen; verbeeldt u, dames! Napoleon, die uit zijn graf komt, als keizer gekleed, met ik weet niet wat in de hand –”

„Met een’ lauwertak, mijnheer!” zeide Albert, „Een lauwertak, mijnheer! waaraan het bloed van de halve wereld kleeft; een lauwertak, waarvan de tranen van weduwen en weezen druipen; een lauwertak, zoo het nog eene geeselroede ware!”

„Voor hen, die hem na zijn’ dood beschimpen, mijnheer van Uphoeve. en de naam van den patriciŽr werd niet zonder nadruk uitgesproken.

„Mijnheer Olverts”, was het antwoord, „ik heb u altoos voor een’ Hollander gehouden, wel voor een’ jongen Hollander, maar toch voor een’ landgenoot, die ten minste gelezen had, – ”

„Mijnheer van Uphoeve!” viel Albert in, „ik weet niet, wat gij met uw’ jongen bedoelt; maar ik verzeker u, dat, zoo verre mij bewust is, er ten onzent geen jong Holland bestaat. Ik wenschte,” voegde hij er bij, „ik wenschte, dat ik u even opregt betuigen kon, dat mij nooit in deze dagen bij sommige onzer landgenooten de woorden van Bťranger zijn ingevallen:

„Tel qui longtemps lťcha ses bottes
„Lui mord aujourd’hui les talons.”

Van Uphoeve beet zich op de lippen.

„Ik wist wel, dat mijnheer verzen schreef,” hernam hij na eene pauze, „maar ik wist niet, dat mijnheer zoo jaloersch viel, Die goede Avondbode heeft eindelijk eens iemand geÔrriteerd – de Ode van Lublink Weddik –”

„Gij vergist u, mijnheer van Uphoeve! – de opgang van het vers zij den maker gegund, – het is het gehuldigde beginsel, dat mij gegriefd heeft,” was Albert’s antwoord, ditmaal bedaard tegenover de beschimping. „Het zoude niet nationaal zijn geweest, zoo wij gedeeld hadden in Frankrijks gevleiden trots, in Frankrijks krijgshaftige hulde, in Frankrijks verjongde bewondering bij het ontvangen van het laatste overschot van den man onzer eeuw!”

„Mijnheer!” –

„Een oogenblik, mijnheer van Uphoeve! ge moet den aangeklaagde het regt gunnen zich te verdedigen. Ik geef u toe, het was welligt, zelfs van de hoogere standen in ons vaderland, te veel gevergd een weinig sympathie te hebben voor late geregtigheid, een’ der grootste genieŽn weÍrvaren; – de volkshaat, die het kwade vergroot en het goede voorbij ziet, de volkshaat weet van geene verzoening, zelfs niet in den dood. Maar onze nationaliteit te bewijzen door de verguizing van het verhevene; maar in onze dagen de raauwe vloeken te herhalen door het gros onzer schrijvers en dichters in 1815 uitgebraakt; maar vijf en twintig jaren later nog geene schrede gevorderd te zijn op den weg naar de hoogte, van welke men het verledene moet beschouwen, dat is bekrompenheid, die toejuiching kan verwerven, maar welke hem, wien het handgeklap duizelen doet, en hen, wien de handen zeer doen van het klappen, achteruit brengt, mijnheer van Uphoeve!”

„Ik bedank u voor uw’ vooruitgang, mijnheer Olverts!”

„Het spijt me,” was Alberts antwoord, „dat ik mijnheer van Uphoeve tegen, maar het troost mij, dat ik van der Palm en GŲthe voor mij heb, Gij kent immers de vergelijking van Napoleon bij de zon van den eerste? Gij weet immers, dat de laatste beweerde, dat de studie van al het groote, hetzij dan goed of kwaad, ontwikkelt? En studie zult ge het toch wel niet willen noemen, dat stilstaan, waardoor men nog niet heeft leeren inzien, dat de Voorzienigheid Napoleon geen twintig jaren over Europa zou hebben laten heerschen, zoo die regering, – die geesel Hollands, zoo gij wilt – niet vereischt, niet regtvaardig, niet weldadig ware geweest.

„Regardez en avant et non pas en arriŤre,
„Le courant roule ŗ Jehovah!”

„Het zijn woorden van uwen Lamartine, mejufvrouw HenriŽtte!” Een oogenblik stilte volgde, – Albert vertrok; Mijnheer van Uphoeve boog zich hoffelijk voor hem. Pope heeft ergens de kunst van doorstrepen de grootste kunst genoemd; hij had er voor het schrijven van kleine vertellingen de kunst van overspringen bij mogen voegen. Wij zouden het gaarne de wandeling van HenriŽtte met van Uphoeve naar den Amstel doen, zoo de lezer belang genoeg in Albert stelde, om hem te volgen, om zijner mijmering een luisterend oor te leenen. Hij was jaloersch – wie vermoedt het niet reeds? – op van Uphoeve. Hij vergeleek zijne omstandigheden met die van den Weledelgeboren’ Meester; het gevolg van het onderzoek was niet opbeurend. En was er niet nog grooter verschil tusschen beider karakter dan tusschen beider fortuin? Van Uphoven behoorde tot die gelukkige optimisten, van welke ons vaderland overvloeit, die op niets ter wereld aanmerkingen maken, zoo lang de Staat maar zijne renten betaalt – en daarvoor zou hij vijf en twintig jaren lang in de Tweede Kamer ja hebben gestemd, al ware de schuld er vijf en twintig malen door verdubbeld. Hij was er de man naar, den troost, dat nationale schuld nationaal vermogen is, te bedenken, zoo men ons die fallacy niet reeds vroeger had overgebriefd. Hij had het zijn gelukkig gestarnte dank te weten, dat hij zoo laat geboren werd; maar was hij in de verzoeking geweest, hij had den hofrok van het oude stadhouderschap, het burgerlijk pak van het kortstondige Bataafsche Gemeenebest, het overgegaloneerde kostuum van Lodewijk Bonaparte, de liverei van het keizerrijk en den beurtelings naar Haagsche en naar Brusselsche mode gesneden frac onzer vereeniging met Belgie, met even veel geduld als met even weinig karakter, gedragen. Zoo gij Albert een bewijs hadt gevraagd voor dat gebrek aan zielskracht, aan zelfstandigheid in zijn medeminnaar, hij zou u uitgenodigd hebben, met hem te praten over de beginselen der regering van onderscheiden koningen in geldmiddelen of in zaken van godsdienst of in wat gij wildet; hij zou allen Vaders des vaderlands hebben genoemd, en gij hadt wel gedaan met hem onder de kinderen te rekenen.

Albert was zijne woning genaderd; „mijne schaatsen,” dacht hij, voorzag zich van deze en ging den weg naar den Amstel op.

„Er steekt niets vreemds in,” peinsde hij voort, „dat die citoyens paisibles, die sujets contents flaauwerts zijn in het maatschappelijke leven, in de letterkunde, in de schoone kunsten, in alles, waaraan een hart behoefte heeft, dat iets meer verlangt dan brood voor den honger en water voor den dorst! – „Wij leven niet in Hollands gulden eeuw,” – zeggen zij; – „waarom zouden wij ons met de vergelijking kwellen? Streven kost moeite; laten we ons verbeelden dat wij slagen, zullen veel meer pleizier hebben! Heden een prijsje voor uwe onbeduidendheid, morgen eene lofspraak voor de mijne, en wij wandelen gevierd en geloofd in den wierook der bewondering om.” – DŠt niet, al zou ik alleen staan!”

Het was ongelukkig, dat juist HenriŽtte’s beeld zich toe in al hare betooverende bevalligheid. aan zijnen geest vertoonde zou zij een’ pessimist hare hand geven?

„Pessimist!” barst hij uit, „dwaas verwijt! ben ik dan doof voor onze nationale herinneringen; ben ik dan koel voor wat onze tijd nog goeds en groots oplevert; ben ik dan blind voor het schoone der natuur?”

Albert zag onwillekeurig op; het geboomte der gracht, welke hij langs wandelde, bood een schitterend schouwspel aan. Toen de eigenaardige nevel der hoofdstad dien ochtend was opgetrokken, had alles de glinsterende huive van den rijm gedragen; de graauwe lucht en het stille weder hadden de iepenboomen dien tooi tot in het reeds late middaguur doen behouden. Welke wezens zou de dichterlijke fantasie der Grieken zich uit die witte, honderdarmige luchtgestalten hebben geschapen, dachten wij, en wenschten een’ vriend, die Grieksch denkt, en Grieksch droomt, en Grieksch dicht, aan onze zijde, om het ons te verklaren. Maar Albert was anders te moede; de zo brak voor een oogenblik door het wolkfloers, het was of de ballingen des wouds van diamanten vonkelden.

„Verscheidenste aller juweelen!” poŽtiseerde hij, onder het genieten, „niet door menschenhand tot ťťnvormige figuren te slijpen, noch in zilver te kassen, of met goud zaam te schakelen om eene ijdele menigte blind te stralen door ontleenden pronk; gij zult geene dagbladschrijvers tot lofredenaars vinden, want de natuur strooit u uit over het berkenrijs naast de hut der armoede, als over de kroon van den eik voor het kasteel des adels.”

Waarom had Albert de beschrijving gelezen, door onze couranten van het bal ten hove te Amsterdam gegeven? waarom zich geŽrgerd aan het bespottelijk opvijzelen der diademen, die er prijkten, aan het schier afgunstig waarderen der schatten, er uitgekraamd? Laat ons de vraag met eene vraag beantwoorden: wie is zoo weinig van zijnen tijd, dat hij die vlugtige journalen niet voor eene magt in de nieuwere staten houdt, dat hij zoowel die van vooruitgang als van achteruitgeschuif niet als teekenen des tijds gadeslaat? En mogt hem dan het gezeur over ijdelen opschik niet walgen, bij eene gelegenheid, die naar zijne gedachten stof te over aanbood voor dichterlijker grepen dan eene vlaag van bewondering, welke elk die zwakke oogen heeft, in den eersten juwelierswinkel den besten kan botvieren? Een woord over eene enkele poŽtische situatie, welke Albert niet geloofde regt te kunnen doen, maar die de aanstipping waard is al zou de lezer haar als eene uitweiding over springen.

Er heerschte bij al die feesten der inhuldiging stilte in den tempel der poŽzij; de waardigste priesteren onzer hollandsche dichtkunst lieten de hand op de harp rusten „le silence de la Muse aussi peut Ítre une leÁon pour les Rois” En niemand juichte meer dan Albert die zich zelve eerbiedigende houding toe, welke de letterkunde bij deze plegtigheid bewaarde. „Maar was er dan niemand onder onze jongere zangers,” vroeg hij dikwijls, „zich de kracht bewust, te gelijk de eischen van den geest Onzes tijds te kunnen verklaren, aandringen en doen gelden, en tevens de eer van haar, die niet om vorstengunst bedelt, maar op vorstelijke belangstelling regt heeft, te kunnen handhaven? – Da Costa zong,” getuigde hij, eerbiedig, „zoo als hij alleen zingen kon, als de laatste profeet onzer dagen.” Maar Albert hief zijne ooren, hoe verlangend ook, toch te vergeefs op naar de vurig verbeide stem eener andere school, welke ons de toekomst moest verkondigen, die vorst en volk aanlacht, zoo beide, innig van de grondwet doordrongen, alles voor hare naleving veil hadden, om harent wil afzagen, tot van de weelde der oppermagt, tot van den roes der bandeloosheid toe!

De middelmatigheid, die zich tot vervelens toe aan de inhuldiging vergreep, gewaagde zonder ophouden van den eed en van de aandoening des Konings, en wist hem geen’ hoogeren lof toe te zwaaijen, dan de held van Spanje, de held van Leuven, de held van Waterloo te zijn geweest! Hoe wenschte Albert dichter te zijn in den echten zin des woords, om een ander oogenblik uit zijn doorluchtig leven te kunnen bezingen! En welk? vraagt ge. Een oogenblik, waarvan de herinnering Zijne Majesteit misschien voor den geest zweefde, toen, in de balzaal te Amsterdam, alles wat de hoofdstad, wat het gewest, wat het rijk aanzienlijks heeft, hem omkringde en boog of eerbiedig voor hem op zijde week, de hooge geboorte zoowel als het talent, de verdienste niet gedweeŽr dan de graauwe haren. Albert bedoelde het heldhaftigste oogenblik uit zijn heldhaftig leven; zijn intogt in Brussel, toen het graauw was opgestaan en het gemeen zich aan het graauw sloot, en het volk het gemeen toejuichte en alle driften haar spel speelden, onder die toejuiching van een volk, dat nooit vrij was, en zich nu vrij waande. Er werd hooger moed toe vereischt dan krijgsmansmoed: vorst te zijn en een oproer, dat al vast opstand werd, dat weldra omwenteling zou heeten, in het aangezigt te zien; het eischte zedelijken moed, – den zeldzaamsten van allen. Eene krampachtige huivering mogt zelfs dezen Willem van Oranje, bij de herinnering aan de ondankbaarheid, welke hij toen in al hare zwarte naaktheid voor zich zag, door de leden varen; ziet James V mogt hij uitroepen:

Who o’er the herd would wish to reign,
Fantastic, fickle, fierce, and vain,
Vain as the leaf upon the stream,
And fickle as a changeful dream,
Fantastic as a woman’s mood,
And fierce as Frenzy’s fever’d blood,
Thou many headed monster-thing,
Oh who would wish to be thy king!

 Een blik op de Hollanders om hem heen, – stelde Albert zich voor, – en het zou den Koning te moede zijn geweest, als bij de wederkomst der zon na den storm; een blik op de Hollanders om hem heen, in die zaal, rijk aan herinneringen uit de glorierijkste dagen onzer historie – een blik op de Hollanders om hem heen, naijverig op het wezen der vrijheid, zoo als hunne voorvaderen het op den schijn waren, en de dichter, – zoo verbeeldde zich onze jongeling, – zoude in het schilderen, hoe het harte van Willem den Tweeden hun den eed van trouw herhaalde, het vaderland grooter dienst hebben bewezen dan ridderlint of adelbrief beloonen kan.

Albert had zijne schaatsen ondergebonden, – de Amstel lag om hem heen, geboeid, magteloos, beklagenswaardig zouden we zeggen, als wij de pleitbezorgers van den Stroomgod als we geene sympathie gevoelden voor de menigte, welke zich op zijne spiegelende oppervlakte verlustigde. Hebt gij nooit opgemerkt, hoe het is of ons volk ontwaakt, als de natuur insluimert? Wijntje en Trijntje doen mee, het is waar, zoowel op het gladde ijs, als in de volle tent; maar er is ook buiten die prikkels iets opwekkends in de frissche lucht, in den vluggen zwaai, in de gedachte, dat wij het in vaart van den wind winnen, dat wij slechts te wenschen hebben om er te wezen. Het is eene mannelijke uitspanning, die kloekheid van ligchaamsbouw eischt, die zonder koenheid van geest geen genot is. De Hollander schijnt ons het minst ontaard, als hij ons op schaatsen voorbij giert, – ijlende om zijn wit te bereiken, bewust van de kracht, die het vergt, – de vreugde in het oog, dat slechts de spiegel is van het hart. En echter genoot Albert op dat oogenblik niets van dit alles. „Gebrande kinderen schromen het vuur!” herhaalde hij werktuigelijk en bleef toch staan beiden, op luttel afstands van eene sierlijke arreslede, eene schelp, waarvoor een moedige schimmel trappelde van ongeduld.

„Daar zijn ze!”

En hij benijdde, arme verliefde als hij was, van Uphoeve het omhangen van den mantel en het digtstrikken van den sluijer van HenriŽtte, welke de huisknecht haar op bevel van Anne had nagedragen. Albert wist te wel, hoe genoegelijk en hoe gevaarlijk tevens die kleine diensten zijn, als men oog beeft voor de bevallige ronding van een’ schouder, voor het schalke kuiltje van eene kin. Hij reed digter op het paar toe, hij mompelde in zich zelven de verzen van Vondel:

„Ick zag haer wangen blozen,
„My dacht de minne doock in lommer van die rozen.”


AlbertHoofdstuk II