E. J. POTGIETER (1808-1875)

ALBERT.

II.

 

„Voort, Byou! Voort!” –

Henritte was in de schelp getild; van Uphoeve had achter haar plaats genomen, en voort ging het, vlug, maar niet vliegende, in de ware maat van arren voor pleizier; onze hollandsche componisten zullen haar eerstdaags der muzikale wereld aangeven.

Allen liefhebbers van het eigenlijk gezegd harddraven in eene arreslede door de stad zij er eerbiedig vergiffenis voor gevraagd; maar het is ons nooit ingevallen hen te bewonderen, en van benijden voelden wij geen’ zweem, zoo vaak zij ons met gerekten hals en schier uit het lid getrokken armen voorbij renden, de schrik der schichtig op zijde springende voetgangers, – de kwelgeest der schoonen, aan zoo onhoffelijke paardenmenners vertrouwd. Hoe wergaas vlug zij een’ hoek omdraaiden, hoe verbruid knap zij nog in tijds uithaalden, het scheen ons toe, dat zij als piqueurs toch nog voor Hart en Prosch onderdeden! En hunne dames – welk eene deernis boezemden zij ons in! Het schemerde der armen voor het gezigt, niet enkel omdat het haar te moede was, of alle voorwerpen, menschen, huizen, torens, grachten, op haar toekwamen: neen, zij eindigden met letterlijk niet te kunnen zien door de sneeuw en het slijk en de slibbe, die de hoeven van het overprikkeld ros opjoegen en opstieten, tot hare mantels veelkleurig werden van drabbige kluiten zonder tal! Foei, van een genoegen, waarin alleen eene paardrijdster behagen moest scheppen! Foei, van eene uitspanning, die gebrek aan zin voor het schitterende, voor het sierlijke, voor het schoone verraadt! Foei, van een’ wedijver, waarmede geen andere lof valt te behalen dan de onvrouwelijke roem, zich aan eene halsbrekerij te hebben gewaagd!

Zoo van Uphoeve’s rid niet een geheel ander schouwspel had opgeleverd., zoude Albert der schelp op zijde zijn gebleven, zoude Albert er zich in hebben verlustigd zoo als hij deed? Eerst staarde hij haar eene wijle na. Hoe aardig stond het roode tuig, met de zilveren bellen! En echter, hoe onwillig scheen het edele dier, terwijl het de manen schudde, al dien pronk te dragen; hoe vierde het, in zachten draf, de weelderigheid, waarvan het blaakte, bot! Eene wijle, zeden wij. Maar was hij daarom gaan schaatsrijden, waarom zoude hij niet?... Vier, vijf, zes forsche streken, en Albert reed aan de regterzijde der slede, en Henritte zag om, onderscheidde, herkende hem – wat deed haar eensklaps het lieve hoofd wenden? Ook hij rigtte zijne blikken haar voorbij, verder links...

Ik geloof waarlijk, dat hij zuchtte.

Een vurig zwart ros – voor eene ar gespannen, welke wij hopen, dat weldra door den eigenaar zal worden verbrand, opdat zij niet te eeniger tijd, als eene zeldzaambeid buiten ’s lands verzonden, den laster voedsel geve, dat wij de Chinezen van Europa zijn, in lust voor het baroque, het gedrogtelijke, het misgeboortige, – een vurig zwart ros was den schimmel op zijde, en de jonkman, die den moorenkop mende, groette Henritte met een’ zwaai van de zweep.

Van Uphoeve’s paard hoorde het suizelen der lucht; het edele dier behoefde geen’ scherper prikkel.

„Stil, Byou! stil toch!” –

De Weledelgeboren Meester hield in wat hij houden kon.

Albert zag, hoe de mededinger van dezen, wiens slede geene dame droeg, ijlings zijn ros bedwong; Albert zag, hoe hij lachte, Albert zag... neen, hij zag niets meer, want een zijner kennissen, van de andere zijde opgereden, schoot naar hem toe, hield hem staande, en vroeg, hem met drift:

„Heb je ’t al gehoord?”

„Een ongeluk!” hernam Albert, vragende, en zwaaide om den ophouder heen en staarde de beide sleden, welke al zijne opmerkzaamheid trokken, na.

„Een ongeluk zonder weerga,” was het antwoord., terwijl onze vriend. zijns ondanks in den arm werd geknepen, „al spleet de Amstel onder onze voeten, het zou zoo erg niet wezen, een ongeluk...”

„Maar wat dan toch?” borst Albert ongeduldig uit.

„Met den eersten Mei zullen wij geen Nationaal Tooneel meer hebben!”

En een zucht volgde, een zucht, het Leidsche plein waardig!

Doch gij begrijpt, dat niet Henritte’s minnaar dien slaakte.

„Sinds wanneer hadden wij dat dan!”’ vroeg hij op zijne beurt, en liet den jobsbode versteend van verbazing op de plek staan, en repte zich der schelp, neen, den beide sleden na, die reeds de hoogte van de Omval hadden bereikt.

„Welke booze geest vervolgt mij toch heden?” barstte hij uit, – „ik ontmoet niets dan antipathin! Maar, voort, voort, want al heb ik die klis afgeschud, hij zal zich wer aan mij hechten, als hij maar kans ziet mij in te halen,”

We zijn den Provincialen lezer eene opheldering schuldig – hij kent de menschen, welke Albert de aansprekers van Amsterdamschen Stads-schouwburg noemde, niet. En echter schenen zij dezen opmerkelijk uit twee oogpunten eerste vertegenwoordigen zij op eene kleine schaal een groot gedeelte onzer natie in hare karakteristiekste gebreken: aanmatiging en slaperigheid; ten andere worden zij dagelijks zeldzamer, en verdienen dus voor de letterkundige historie ten minste te worden omgetrokken. We spraken van aanmatiging: met grooten ophef van ons nationaal tooneel te gewagen, scheen hem altoos eene der bespottelijkste. Hij hield het er voor, dat onze eigenaardig Hollandsche Schouwburg-muze met onze groote vernuften der zeventiende eeuw is ter ruste gegaan.

„Een lange slaap, die naar een’ doodslaap zweemt!”

„Of,” vroeg hij, „beheerscht de geest van Huygens en Hooft en Brero en Vondel een repertoire, dat voor zeven achtste uit vertaalde stukken bestaat, of draagt dan eene achtste blijken van den zin onzer schrijvers en dichters, voor ons volksleven, – is het vleesch van ons vleesch – spiegelt ons gemoed er zich in af? Helaas!” eindigde hij, al zuchtende, zijn onderzoek, „als dat nationaal was, dan hebben wij nu al ongeveer honderd jaren – Langendijk leverde de laatste portretten uit de eeuw des vervals – een bij wijle verengelscht, een dikwijls verduitscht, maar vooral een verfranscht gemoed gehad, – verfranscht tot de onzedelijkheid, van Arthur toe! Ons nationaal tooneel? het is de bitterste satire, welke wij op ons zelven schrijven kunnen!”

We hebben gezegd, dat Albert den voorstanders van den Amsterdamschen stads-schouwburg slaperigheid verweet: tien, vijftien, twintig jaren lang verviel ons tooneel van navolging van vreemden tot volslagen onbeduidendheid – de val zou groot zijn geweest, zoo het eene oordeelkundige navolging had mogen heeten! Of het die was moogt ge zelve beoordeelen, als gij der studie, wat wij van Shakspeare, wat wij van Lessing, Schiller en Gthe leerden, de moeite waard acht, laat ons bij de lijkebidders blijven. Wat deden zij? „Vruchteloos, nutteloos, beginselloos klagen,” dacht Albert. „De aard der krankte werd zelden onderzocht, en wat zijn geneesmiddelen, niet ten gevolge van dus verworven kennis toegediend, beter dan kwakzalverspillen? Indien een tooneel nut zal stichten – geen preeknut, dat men ten onzent uit alles haalt – maar het nut, dat de kunst een volk kan aanbrengen, dan moet er overeenstemming zijn tusschen zijne behoeften en de stukken, welke men opvoert!”

De negentiende eeuw brak aan en men vleide zich met het bezit van een tooneel, hoe dan ook: want de staf van Nomsz was in de handen van Barbaz overgegaan; want men had treurspelers, wien de traditie, hoe men een treurspel naar den franschen smaak moest opsnijden, nog in het geheugen lag. Maar eer die eeuw hare jongelingsjaren had bereikt, ontvielen de treurspelers het treurspel, of begaf het treurspel de treurspelers; het is tijd verbeuzelen er over te twisten; dit is zeker, dat beiden dood zijn: en wat hield men over? De opera en het ballet, en nog eens het ballet, en het ballet ten derde male: o, ons nationaal tooneel!

Van toen af begonnen de aansprekers:

„Heft, Aemstel Nimfen! heft een’ droeven lijkzang aan!” ”

Wij zouden Albert onregt aandoen, hij zou zich over ons bij de redactie van de Gids niet zonder grond beklagen, zoo wij niet eere gaven, aan wien eere toekomt!

„Vergeefs,” beweerde hij dikwijls, „vergeefs heeft Wiselius de schoonste vaag van zijn talent der ondankbare taak gewijd, den smaak van ons volk te leiden, te verfijnen, te veredelen! Neen,” viel hij zich zelven dan in de rede, „neen, niet geheel te vergeefs, want ruischen zijne verzen, al wie smaak niet nog harmonisch toe? En echter,” voer hij voort, „moest een man van zijn genie zijne stem niet opheffen tegen prullen, als: Tekeli, of het beleg van Mongatz, en Hondentrouw of de moord in het woud van Bondy? O!” riep hij dan uit, „om eenmaal den vloek uit te spreken over eene honderd malen onjuist gebezigde vergelijking, dat het de stem eens roependen in de woestijn geweest ware! Want tot Joannes zijn uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het geheele land rondom de Jordaan, en wierden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hare zonden; maar wie werden overtuigd, wie bekeerd door Wiselius? Onlangs hebben wij de opvoering van Tekeli weder beleefd!” –

Was het wonder, dat Albert in zulke oogenblikken het gemis van een’ Hollandsch karikatuurteekenaar betreurde? Een wals, dacht hij, een wals van de hoofdpersonen in de laatste vijf en twintig jaren ten tooneele gevoerd, of van het tooneel geweerd, zoude de beste kritiek zijn van de theorie, gevolgd door:

Der kunsten God aan ’t Y.

„Wie anders,” mijmerde hij dan, „zou den rei openen, dan Don Quichotte en Sanche Panche, de levenslustige gouverneur van het Barataria-eiland, zoowel tot een geraamte uitgeteerd, als de dolende ridder, vast rammelende in zijn harnas, – verjaarde figuren, helaas!” En vermoedt gij niet, dat de Wiskunstenaars met het Gevluchte Juffertje hen als schimmen uit, den voortijd moesten nazweven, met die weinige overige personen uit de stukken van Langendijk, voor welke men ons publiek voor eenige jaren nog smaak toeschreef! Op dat spokige tooneel had. Albert gaarne een zeer levendig zien volgen, het geworstel der vreemdelingen, die elkander van de baan dringen: den duitschen Genadigen Heer, bij voorbeeld, door de fransche Mevrouw de Barones uit den weg geduwd, Ote-toi de l, que je m’y mette; de Opperjageres van Iffland op zij geschoven door een scharminkel van Scribe’s schepping: J’ai infiniment plus d’esprit que la bte; den Onechten zoon van Kotzebue, die eerbiedig wijkt voor eene krankzinnig geworden Vedeide onzer dagen: Un faux pas eet un titre la couronne du martyre! Inderdaad, hier zou slechts l’embarras du choix heerschen; de koddigste partners lagchen u toe, de vreemdste tegenstellingen liggen voor de hand, – De hoeden af – daar komt het treurspel aan; maar eerbied voor alle gevallen grootheid! aan Corneille, aan Racine, aan Voltaire valt het niet te wijten, dat wij hen navolgden, tot verloochening onzer oorspronkelijkheid toe! Als de kunstenaar Albert’s gedachte had verwezenlijkt, dan zouden de beelden, uit de tragedie genomen, iets van de figuren hebben gehad, welke wij op de martelaarsstukken der oude meesters aanstaren. De indruk zon dan ongeveer dezelfde zijn geweest: een feit, een aantal spelers, alledei begrippen en gewaarwordingen, onzer opvoeding, onzen toestand, onzer eeuw zoo vreemd, dat wij naauwelijks weten, wat wij moeten prijzen of laken. Een paar beelden had hij echter gaarne scherp zien omtrekken, ter beoordeeling van den geest die het tooneel beheerschte: – Agrippine, uit Une fte de Nron, die, het is al jaren geleden, vergeefs aan de hand van van ’s Gravenweert, trachtte vr te dringen; de Paria van Delavigne, door Withuys meesterlijk vertaald, ook hier verstooten, – ik weet niet waarom. Een enkel woord nog, eer wij „Requiescant in pace!” roepen; – het geldt, twee vrouwen. Ziet gij dr die Arcadische moeder wel uit de aandoenlijke volksboekjes, – en hoort gij die dochter onzer Graven verzuchten, dewijl men haar na zoo vele eeuwen nog geene rust wil laten? En nu – nu schemert het Albert voor de oogen, eilieve! vul zelve de groepen uit onze oorspronkelijke blijspelen en drama’s aan; van de eerste zult gij niet veel kunnen maken: wij hebben slechts de Neven gezien, en die leveren geene stof op voor dezen wals. Maar onze drama’s, o, onze drama’s! wij hebben drama’s uit den Spaanschen tijd, en wij hebben drama’s uit onze dagen: in de eerste vindt gij alledei horreurs, en bovendien een schitterend costuum; in de laatste, ja, in de laatste:

Mijn eigen rechte naem is Kommeryn.

Ha! daar komt de opera opzwieren! zoo de inheemsche als de uitheemsche, en de wals-cirkel is vol; schoon het Albert spijt, dat hij geene schimmen aan schimmen mag laten rijen, de nonnen uit Robert le Diable aan de verbleekte figuren van weleer!

Bevalliger guirlande is naauwelijks denkbaar, dan er uit honderde tooneelen, aan onze balletten ontleend, viel zaam te strengelen. „Als men de pirouettes,” was Albert’s antwoord, „tot arabesken gebruikte, dan zouden deze eene hooge gedachte inboezemen van de zedelijkheid onzes volks; dan mogten de woorden der gordijn er onder worden geschreven:

– – – – Met geestdrift aangeben,
Kroont hier, in ’t heilig koor, VERDIENSTE en DEUGD alleen.

Al deze gedachten gingen Albert door het hoofd, terwijl hij voortreed; – de bewondering, welke de Maze nog dien ochtend voor ons Thatre des Varits had aan den dag gelegd, was olie in het vuur. „Een paar zulke schouwburgen,” praatte deze anderen dikwijls na, „en er zal zich bij ons een tooneel ontwikkelen zonder werga!” – „Ja!” plagt Albert dan schamper toe te stemmen, „ja, iets dat nooit zijns gelijke heeft gehad: vertalingen, genoten onder eene pijp en een glaasje; gisteren vaudevilles, heden vaudevilles, morgen vaudevilles – het eene vaudeville het andere opvolgende, zoo als Isac Abraham Jacob Isac; – altoos Hebreeuwen, altoos vaudevilles!”

En de Maze lachte.

En Albert verweet zich zelven, dat hij oordeel genoeg had, om de verkeerdheid, te zien, en geen talent genoeg bezat, om de verbetering te weeg te brengen. Maar hij kreeg de sleden in het gezigt; hij haalde die in. Henritte hield het hoofd links gewend.

Er was coquetterie in dien rid, in den wedijver der twee edele dieren, – in het ongeduld van dat vurig zwarte ros met de huid van een’ tijger gedekt: in den overmoed van dien brieschenden schimmel, zijn’ mededinger een’ voet vooruit, dewijl de jonkman, die den moorenkop mende, der jonkvrouw door Bijou voortgedragen, die hulde wilde bewijzen. Henritte scheen gestreeld door de beleefdheid, welke te lang duurde, om niet te worden opgemerkt. Immers Albert verbeidde vruchteloos het oogenblik, waarin het haar behagen zou eens weder regts te zien, en alles wat zijn staren hem baatte, was de telkens levendiger overtuiging der velegenheid van Harmen, om zijn’ schimmel niet meer voor te geven, dan de menner van het zwarte ros hem liet.

Daar gonsde het ijs achter Albert, daar schoot hem de aanspreker van den stads schouwburg wer op zijde

„Maar, jongen!” begon deze, „wat was dat daar een woord van je? foei! de zaak moest je meer ter harte gaan, het tooneel is de school der zeden.”

„Ik droom heel prettig, al heb ik geen ballet gezien,” hernam Albert, cynisch genoeg.

„Maar de kunst! vriend! de vaderlandsche kunst.”

„Door den vaderlandschen engelenbak beheerscht,” was het antwoord.

„Maar de laatste hoop van onze declamatie!”

„Wat blief je?” hernam Albert, terwijl hij een’ koddigen lach niet kon inhouden, „de uitgalming?”

„Er is van daag geen praten met je,” beweerde de lijkebidder.

„Het is ook al te dol,” viel Albert uit, eeerst kom je met eene school voor de zeden op de proppen, dat wil zeggen het lijden van vorsten en vorstinnen, wier toestand de helft van het publiek niet begrijpt, waarme de andere helft niet langer sympathiseren kan. De eerste heeft nooit gehoord van de goden, onder wier lotsbeschikking zij zuchten; de tweede gelooft niet meer, dat koningen uit een ander leem zijn gekneed, dan wij: onwaarheid dus –”

„Maar, Albert! zoek je dan waarheid op het tooneel?”

„Laat me je eerst zeggen, wat jij er vindt, en ik niet, dan zal het je duidelijk genoeg wezen, wat er voor mij ontbreekt. De vaderlandsche kunst, ze je, die op vertalingen van alle natin en tongen aast, h? – de vaderlandsche kunst, die de vreemde begint na te sukkelen, als de manier van die schrijvers in hun land uit de mode is? – de vaderlandsche kunst, die zich verhoovaardigt als eene hollandsche actrice eener fransche de grepen afkijkt, en dan uitroept, dat de navolging het voorbeeld overtreft?”

„Dat komt, vriend! dewijl we Jans noch Trui meer hebben!”

„Wie?” vroeg Albert.

„Wel, ken je die niet? Mevrouw Wattier en mevrouw Grevelink.”

„Ik ben zoo familiaar niet met de edellu van den prins,” was het wederwoord van Henritte’s minnaar; – „doch we’ spreken immers over het verlies van het tooneel zoo als het nu is, niet zoo als het was? – Maar het is of je laarzen van vijftien mijlen draagt; zoo je haast hebt, rijd maar vooruit, man!”

„Je plagt anders van de vlugsten te wezen!”

„Maar ik begin oud te worden.”

„Och, kom!”

„En bovendien, we kunnen wel bijhouden –, we zullen altoos nog vroeg genoeg aan het Kalfje komen.”

„Spreek dan voort over het tooneel, Albert! Onze national roem hangt er aan! Tot nog toe heb je maar twee bedenkingen werlegd, mijne derde was –”

„De uitgalming! Ik beken je, dat ik van die kunst geen zier begrijp. Ik weet wel, dat er tooneelorakels zijn – en dat kan men worden zonder iets oorspronkelijks te hebben geleverd – die in hunne raadselspreuken verkondigen, dat de Hollandsche Treurspeelschool onderscheiden is van de Fransche Treurspeelschool, – verduiveld lange woorden! – voornamelijk in de wijze van opzeggen. Al wat mij, wanneer ik er aandachtig naar geluisterd en ernstig over nagedacht had, duidelijk werd, was hun beweren, dat onze acteurs ieder woord van iederen regel, van ieder tooneel, uit ieder bedrijf, van ieder treurspel doen gelden, terwijl de Franschen de flaauwe plaatsen afrabbelen en de mooije laten uitkomen. Ik heb dan wel eens in mijne onnoozelheid gevraagd, of Duchesnois geene Fransche actrice was, en of Talma niet bij Snoek mogt halen?”

„De groote Dries,” viel de aanspreker in.

„O Snoek! uw naam zal eeuwig leven!”

zeide Albert, „zoo als het straatlied. luidt,”

„Het is onbegrijpelijk, hoe je zoo dwars kunt wezen; het geldt het lot van honderde huisgezinnen –”

„Dwars,” vroeg Albert, „dwars? – ik begrijp ons tooneel niet; ik heb het nooit begrepen; welligt gaat het boven mijn begrip; noem me daarom niet dwars! Eisch je een’ penning uit medelijden, ik zal me niet onttrekken; maar vraag je voor de kunst, dan moet ik haar aanschouwen en bewonderen, of ik verdien in Abdera te wonen en niet in Amsterdam, Er is een tooneel geweest, ziedaar alles, wat ik weet. Wanneer ik de stukken van Hooft, van Vondel, van Brero, lees, – ja, van Brero, al durfde hij bij den naam wat hij ons met de daad gepleegd wordt, – dan rijst er een geheel voor mij op, een volk waardig, dat tot een nieuww, een verstandig, een zedelijk leven ontwaakte. Uit de kluchten van Hooft, van Brero, van Huyghens treedt het te gemoet ruw en ruig, zoo ge wilt, maar vol van kracht, vol van lust, vol van moed; een volk, dat zich vrij kon vechten, dat werelden kon veroveren!” –

„Het ijs wordt hier slecht; willen wij de overzij niet nemen!”

„Ik blijf hier,” sprak Albert driftig; Henritte wendde juist het hoofd regts; „doch je opmerking heeft dt goeds, jongen! Dat ze mij herinnert, dat het geen onderwerp is voor een praatje op schaatsen.”

„Waarom niet, wanneer wij voortsukkelen alsof wij kruimpjes zochten zoo als klein Duimpje?”

„Hm! Hm! – onder een mits dan, dat je me nooit wer staande zult houden om den wille van ons tooneel.”

„ Ten minste niet als je naar eene slede kijkt –”

„Heb je het waarlijk gemerkt? Doch waar waren we? aan de kluchten geloof ik, dan liggen de treurspelen van Hooft aan de beurt. Je hebt ze immers gelezen?”

„Sla maar door of ik ze gelezen had.”

„Zoo als onze verhandelaars doen? – Uit de treurspelen van Hooft spreekt de geest eens volks, dat nadenkend, wijsgeerig, vaderlandlievend was; eens volks, dat verstand genoeg had, om zich in het bezit der heroverde vrijheid, der veroverde Indin te kunnen handhaven. Het hoogste genot blijft nog over! Vondel’s helsche stukken, Vondel’s lyrisch treurspel! Wie het ooit genoten heeft, hij moet zich in zijne toehoorders een vroom volk hebben voorgesteld; een volk, dat zin voor het verhevene had; een volk, dat na de aarde een’ hemel verwachtte! Jongen! wat is er onze kunst geworden!”

Gijsbrecht van Aemstel trekt geene menschen meer.”

Albert was onwillekeurig voor zijn onderwerp te zeer in vuur geraakt, om te glimlagchen over de aansprekersklagt: „Zoo Vondel’s geest maar leefde; zoo er maar was voortgebouwd op den hoeksteen, in dien tijd gelegd! Wat is het er verre van! Of heeft zich ons allengs gewijzigd volksleven in de stukken van den dag teruggekaatst! Palamedes was de doodsnik der Muze, die van het tooneel den volke leerde. Sedert dien tijd partijschappen zonder ophouden, maar geen dichter meer, die zich boven de driften van zijn tijd wist te verheffen, – geene burgemeesterlijke eerzucht getuchtigd.; – geen vorsten-overmoed beschaamd. En de huiselijke stukken? Welk een val uit de zeventiende eeuw in de achttiende – is het niet, of er drie honderd jaren liggen tusschen 1680 en 1780? Langendijk bloeit, Langendijk sterft, – arm zoo als Vondel vr hem, arm zoo als Nomsz, arm zoo als Barbaz n hem, arm zoo als ons ondankbaar tooneel het genie en de middelmatigheid liet en laat, wie er zich ook aan wijdde, in een land, dat geld altijd veel noemde, voor hetwelk geld alles wordt, – na Langendijk naauwelijks iets meer, dat naar eene schildering der volkszeden zweemt!”

„Maar het treurspel bloeide, de groote Punt, de groote Cruys –”

„Och, wees toch zoo kwistig niet met uw groot! En wat het treurspel betreft, was het niet het vreemde, het nageapte, het vergetene: Achilles, met de allongepruik en eene dissertatie over de eer? De Jan Claessen is nationaler dan dat basterdkind van een Griekinnetje met een Franschman. Kijk me zoo bar niet aan; ik wil uitzonderingen maken, en wel voor een paar stukken door twee vrouwen, waardige navolgeressen der vroepere Katharyne Lescailje: de jonkvrouwe de Lannoy en Lucretia Wilhelmina van Merken. Zij entten beiden een takje vrijheidsloover op den schier ontbladerden tronk der pozij; maar het was noch de vrijheid. der zeventiende eeuw, noch die der negentiende, dat droombeeld van de achttiende, – ’t welk men aanzag, ’t welk men toejuichte, terwijl men den staat ten onder liet gaan –”

„Ge vergeet Monzongo; ge weet, hoe Bilderdijk dit stuk prees –”

„Doch zonder door een waarom reden te geven van zijn gevoelen, iets dat Bilderdijk meer gebeurde, tot in de aanteekeningen op de Geuzen toe, dat echt-Hollandsch dichtstuk uit een’ on-Hollandschen tijd.”

„Al weer een uitval tegen onzen eersten dichter.”

„Waarom te gelijk onze eerste bluffer!”

„Dat is je stokpaardje; maar onze herstelling in de rij der volken woog den geleden’ smaad. op –”

„En bragt de herstelling des tooneels te weeg? Wiselius moest het hooren! Van Hemert zou het je toestemmen! Het treurspel is gevallen ondanks de talenten van den eerste; de situatin door den laatste uit ons volksleven gegrepen, zijn, nooit vertoond.”

„Het zal er aan leggen...”

„Dat ik geen begrip van ons tooneel heb – dat ik geen doel kan gissen, waar ik geen plan zie – dat ik te veel sympathie gevoel voor mooije verzen en uitstekend proza! De natuur, de waarheid, die er in de uitdrukkingen der personeel van lageren stand, in de stukjes van den laatste doorblinkt, walgt misschien een publiek, dat reeds aan een verfranscht Hof landsch gewoon is, – God! wat is dat?”

Het is onmogelijk een denkbeeld, der snelheid te geven, waarmede Albert dien laatsten kreet uitstiet, onmogelijk de vaart te beschrijven, waarmede hij vooruitschoot, en van Uphoeve’s schichtig op zijde gesprongen’ schimmel bij den teugel greeep. Wat het dier tot dien zijsprong dreef, wist niemand; maar het ijlde en de ligte schelp zwaaide heen en wer... Indien het nog een paar rukken voort was gestoven, het zou in eene bijt zijn gestort, en het leven van Henritte had gevaar geloopen zoo als dat van den Weledelgeboren’ Meester; zoo als dat van den knecht van Harmen, zouden wij er menschelijk moeten bijvoegen, schoon hij geene tegenwoordigheid van geest genoeg bezat, om bij den eersten schok van de slede te springen, en vr het paard te vliegen.

„Albert! Albert!” riep eene vrouwenstem, toen het paard stil stond. Het was die van Henritte. De toon gaf hem de overtuiging, dat hij bemind werd; hij was over-beloond!


Hoofdstuk IAlbertHoofdstuk III