E. J. POTGIETER (1808-1875)

ALBERT.

III.

…ťn oogenblik slechts was de toestand, waarin Albert zich plaatste, door den teugel aan te grijpen, ondanks dat hij schaatsen reed, inderdaad hagchelijk geweest. Hot was naauwelijks opgemerkt geworden door den jonkman, die den moorenkop mende, of deze had de leidsels zijnen koetsier toegeworpen, en de schimmel werd uit zijne gevaarlijke rigting geleid, en stapvoets ging het voort naar het digtbijgelegen Kalfje.

Wij sparen den lezer, zoowel de eerste excuses van Harmen, als de verbazing van den aanspreker van den stads-schouwburg; „Ach!” en „O!” doet geen effect meer, dan in dramatische litteratuur. Maar wat wij hem niet mogen verzwijgen, is het woord aan HenriŽtte, in het hevigste der ontroering, te midden der schaar, die de slede ijlings omringde, ontsnapt.

„Mijnheer Olverts!” barstte zij uit, „hoe kondt gij u aan zulk een gevaar blootstellen! indien het paard eens –”

Albert liet haar niet voortgaan; bij fluisterde der lieve, terwijl bij haar teederder aanzag dan ooit, in het oor:

„Al wie uit liefde sterft, die sterft de zoetste doot.”

HenriŽtte bloosde, en begreep dat zij zich had verraden, en wreekte zich op den fraaijen regel van Vondel; „PoŽten zijn vleijers! ik geloof er niets van,” zeÓ ze.

Albert wilde antwoorden, maar de toegeschoten menigte week op zijde.

„Zoetjes, Bijou!

„Ge hebt de zaak van ons tooneel nog niet afgepraat.”

De lijkebidder was hem war‚tje alweer op zijde.

„Niet?” hernam Albert. „Kom me dan op den eersten Mei bezoeken, als je bij de begrafenis hebt geassisteerd.”

En de slede reed voort en hield weldra voor het bekende logement stil.

„Wees zoo goed met ons binnen te gaan, mijnheer Olverts! mijnheer Brielle!” – zůů heette de menner van den moorenkop, – „weest zoo goed, mijne heeren!” – verzocht van Uphoeve beleefd, – „mijn schimmel is anders zoo mak als een lam; – mejufvrouw zal wel geschrikt wezen – ik ben heusch confus over Bijou; komt binnen, mijne heeren!”

Wij zullen het geen’ onzer lezers euvel duiden, indien hem, zoo verre gekomen, de lust bekruipt, een paar bladzijden om te slaan, uit vreeze voor eene uitweiding over twee dingen, die ons onderwerp aangeeft: eene lange opsomming der voortreffelijke eigenschappen van den schimmel, straks door de ondervinding gelogenstraft; eene herhaling der versleten aardigheid over het Kalfje, een paar dagen vroeger door de natuur weÍrsproken. Hij stelle zich echter gerust; we zullen slechts aanstippen, – of wil hij, hij sla om! HenriŽtte, Albert, mijnheer Brielle, zij ontgingen de eerste niet, en van Uphoeve moest, zoowel als zij, de laatste slikken. Op de vragen, hoe het ongeluk gebeurde, liet de laatste, na de ongehuichelde verbazing, dat het gebeurd kon zijn, de geslachtslijst van Bijou volgen, de kleindochter en dochter van:

Lord Castlereagh – Prude. De Spinnekop – Hebe.
\___________________/ \________________/
|                               |
Weerlicht______________Eclipse.

V-o-1 b-1-o-e-d van ouder tot ouder, maar dat, naar de namen te oordeelen, weinig kracht bijzette aan de verzekering van den Weledelgeboren Meester, dat er nooit een schrikkig beest in die familie geboren was.

Brielle beweerde al glimlagchende, dat dit gebrek zelfs in de stoeterij te Borculo niet te voorkomen viel, en liet toen af van plagen, – van Uphoeve was zoo min amusant als amusabel, – wij zullen zijn voorbeeld volgen. En nu het tweede punt: Zou er wel een Amsterdammer wezen, die niet weet dat de dooi sinds jaren pleegt in te vallen juist een’ dag voor dien, waarop eene harddraverij op het ijs, voor het Kalfje, door den kastelein van dit logement werd bepaald. We twijfelen er aan; maar dit durven wij beweren, dat ieder, die onze dagbladen gelezen heeft, weet, dat het laatste in den jare 1841 niet het geval was. Het is eene alleropmerkelijkste uitzondering, welke de toekomstige geschiedschrijvers der stad of des rijks – twee vacante posten – niet verzuimen zal met nog eenige even merkwaardige bijzonderheden voor het denkend publiek te boeken! Want onze couranten hebben luide verkondigd, dat alweer een harddraver van den Heer Arie van der Hoop er nog een, ik weet niet wat – waarschijnlijk wel een tabakskomfoor, die echt-nationale paardenbelooning – heeft behaald; zoo iemand er belang in mogt stellen te weten, wat het eigenlijk geweest is, en hoe het beest heette, kan hij het niet afschrijven van de zwarte overwinnings-tafelen in den stal van Zijn WelEdelgeb?

Maar we zouden het onzen lezers nooit vergeven, als ze, na ons tot hier te hebben vergezeld, niet ongeduldig vroegen, waarom wij hun de moeite vergden, den trap, die naar de drie of vier receptiekamers der bovenwoning van het Kalfje leidt, op te klimmen?

Geniesze was der Schmerz dir hinterliesz,
Ist Noth vorŁber sind die NŲthe sŁsz;

zegt GŲthe, en wie weet niet hoe zoet het is, de gevaren, die men heeft uitgestaan en te boven is gekomen, op zijn gemak over te vertellen, ook zonder dat wij Othello zijn, ook zonder dat er eene Desdemona aan onze lippen hangt? De verminkte krijgsman, die in het hoekje van den haard, met zijn houten been, de hoogten aanwijst, van welke het vijandelijk schrootvuur zijn gelid dunde: „Jongens! in zoo’n oogenblik is alle menschelijkheid naar de maan;” – de landrot geworden matroos, die onder de linden eener dorpsherberg de boeren in een’ vliegenden storm verplaatst: „Het was of de bliksem voor dievenlantaarntje speelde;” – de oude jager, die zoo dikwijls den dood van den haas heeft gedronken, dat hij zijne hand van de jicht niet meer kan optillen, en toch zijne pijn vergeet bij de beschrijving, hoe de wolvin uit het hol te voorschijn sprong en hem zou hebben verscheurd, als hij zijn geweer niet: „Tot aan den haan toe in haar’ muil had gestoken en toen afgevuurd;” – ja, wij allen, wie we zijn mogen en wat wij leden, honderdvoudig als onze driften zijn, honderdvoudig als ons lijden is:

Soo zich een vriend met ons in ’t groene komt versteken,
En op de praetebanck, van zoden daer geplant,
Syn uertjens wagen wil en helpen se van kant:

dan zijn we, gij zoowel als ik, historieschrijvers, historiedichters ware juister woord geweest.

En heeft de haard niet van ouds nog grooter regt op vertellingen? Het was vol in het Kalfje, tot stikkens toe vol; een zendeling onzer matigheids-genootschappen zou er gelegenheid hebben gevonden Volksbodes zonder tal uit te deelen; maar Albert behoorde niet tot hen, die om het misbruik des wijns – herinner u de plaats uit Plutarchus – alle wijnstokken met wortel en al zouden willen uitroeijen, – alle misschien, behalve die in hunnen eigen’ hof. Voor hem was de volte oorzaak eener andere ergernis. Het wemelde om HenriŽtte heen van kennissen, welke zich buiten, welke zich op deze pleisterplaats van ijsgeneugt de vertrouwelijkheid van vrienden aanmatigden! En welk regt had hij, zich hierover geraakt te toonen; welk zegt te eischen, dat de glans harer schoone oogen slechts voor hem zoude stralen? O, phlegmaticus! hebt gij hemind zonder jaloersch te zijn?

En toch de kieschheid eischte, dat hij zich geweld aandeed, dat hij zich den dubbelen dwang getroostte, zoo min de weelde, die hem overstelpte, bot te vieren, als aanspraak te maken op het oor hebben, dat zoete voorregt der liefde! Albert beproefde het – maar was het onnatuurlijk, dat het hem zwaar, te zwaar viel, dat van Uphoeve hem onverdragelijk werd door zijn aanhouden, HenriŽtte per Bijou naar de stad te mogen terugbrengen; dat hij zich een oogenblik van het tafeltje, waaraan zij plaats hadden genomen, verwijderde!

Een weinig toegevendheid voor het opgewonden dichterlijk gemoed, bid ik van u allen, mijne heeren! gij, die in staat zoudt zijn geweest bedaard te blijven voortpraten, en van tijd tot tijd de asch van uwe cigaar te tikken, als wsre er niets gebeurd!

Albert kon het niet, hij ging de kamer rond, hij stond een wijle voor den open’ haard.

Een oud heer, een habituť van het Kalfje, had een verhaal van ellende in eene arresleÍ ongeveer ten einde gebragt. Willen ook wij er een oogenblik naar luisteren; een weinig oplettender dan Albert, die afleiding zocht en toch telkens naar HenriŽtte omzag? Het scheen een pleizierrid uit Noord-Holland, over de Zuiderzee, naar Overijssel te hebben gegolden, in de jeugd van dien heer natuurlijk, en dus tusschen 1785 en 1795 in – maar laten wij hem zelven hooren:

„Ja, mijne heeren!” – zeÓ de spreker, en hij blies zijn gehoor eene wolk rooks in het gezigt, eene pleizierige manier van onze vertellers – „toen we de overzeesche kust al mooi begonnen te naderen, overviel ons eene sneeuwjagt, zoodat we binnen drie tellens geene hand ver konden zien. „’t Is een stevige noordwester,” zeÓ mijn broÍr, die ter zee hare gevaren uit liefhebberij, weet je, ’t was in de dagen van Zoutmans glorie!” – men moet lid, van het instituut zijn om gekweld te worden, met een standbeeld voor dien held! – „ „geef mij het roer, Jan!” zeÓ hij, „ik zal koers houden of ik het kompas voor me had; maar de drommel haal’ me! als ik mij ooit weer op dit water waag.” Zoo gezegd zoo gedaan, alleen een zeeman heeft er slag van, nooit zijne presentie van geest te verliezen; „allemaal in mijn zog!” riep Teunis, en wel twintig arren volgden de onze, zoo als de eene gans de andere. Hal ha! ha! als ik toen het jawoord niet gehad had” – eene woordvoeging, die bewees, dat de man Amsterdammer van geboorte was, of ten minste dagelijks het niet officiŽel gedeelte der Amsterdamsche Courant uitspelde – „van mejufvrouw mijne beminde, weet je, dan had zij het mij wel moeten geven voor al het in den arm knijpen, dat ze mij deed, hij was veertien dagen lang bont en blaauw, paardenliefde, hŤ!”

En dewijl niemand lachte, kon de man waarlijk niets beters doen, dan het sneeuwballetje, dat vůůr hem stond, eens om roeren, en aan zijne lippen te brengen; men heeft niet altoos zulk een’ troost voor eene mislukte aardigheid bij de hand. – HenriŽtte had toch de kleinste handjes van al de dames in de kamer. –

„Je zult het niet willen gelooven,” voer de oude heer voort; – „maar het kwam geene enkele maal in mij op om te zeggen: Wacht maar, Fijtje! wat ik je weÍr zal knijpen!” terwijl ik wel honderd keeren dacht: „nog een stap of wat en adie, Jantje! dan ben je er om koud!” – De volkstaal schildert toch aanschouwelijker dan de vermeend-deftige; als onze verhandelaars er ooren voor hadden, dan verhandelden zij niet meer! – „Maar Teunis leÓ er de zweep over, als was het hachje van meening: „beter een kort eind dan een lang lijden”; ha! ha! ha! en het duurde geene tien minuten, of hij riep: „behouden haven, jongens! Het leek er mooi naar, onze Bles stiet met den kop tegen een’ paal of een’ boom, weet je, dat wij achteruit stoven tegen de ar, die ons volgde, en deze weer op hare beurt tegen de derde, en zoo voorts, vice versa. „Foei, Bles!” zeÓ Teunis, „op eene blinde klip kan de knapste verzeilen; maar te stooten op een ding, dat zoo hoog boven water staat!” wat voor ding het was, zou ik je nog niet weten te zeggen: ha! ha! ha! want we hielden ons niet op met uit te kijken, we maakten maar dat we in het dorp kwamen. „Is hier goed logies?” vroegen we den eersten slungel den beste, die ons aangaapte, zoodat zijn pijpje uit zijn’ mond viel, weet je, en wat denk je, dat hij ons tot antwoord gaf?”

Het overbescheiden gehoor vermat zich geene gissing, en de habituť had dus eene allergeschiktste gelegenheid te roepen: „Jan! een vlammetje, en nog een sneeuwbal, jongen! – drie is scheepsregt.”

Waarom liet HenriŽtte dien nijdigen sluijer ook juist aan de linkerzijde hangen? –

„ „Veur zoo’n bende van Cardoes ?” vroeg de lummel, en waarachtig,” – zeÓ de verteller, – „ha! ha! ha! de jongen had gelijk; want als ik denk, hoe mijn Fijtje toegetakeld was,

en hoe ik er zelf uitzag, weet je, met een’ haarzak commeÁa, dan begrijp ik nog niet, hoe we op elka‚r konden verlieven; maar dat is eene revolutionnaire gedachte, hoe kon die in mij opkomen!” De oude heer is de eenige niet, die in onze dagen de regering der pruiken betreurt, spijt zijn Hollandsch gezond verstand. – „ „Neen,” zeÓ de slungel, „neen!” en bende van Cartouche of niet, de hertog van Brunswijk-WolfenbŁttel zag er, op het verweerde uithangbord van de kroeg, uit als een bare duivel, ha! ha! ha! Het is hetzelfde of het Teunis was of een ander, genoeg, weet je! een van het gezelschap kwam op den inval, dat er in het dorp een jonker moest wonen.” – Chaque terre a son Seigneur. – „Een fooitje doet, wonderen, de heele wereld door, maar vooral in ons land, he? en de slungel liep voor ons uit „naor ’t huus!” of hij vier pooten gehad had, zoo als Bles. Toen waren we binnen, meen je? Ja wel! het stond als een dubbeltje op zijn’ kant.” – Zeg nog, dat onze ouden prozaÔsch waren: wat staat korter, zoo het al staat ~ – „dat we,” zoo als Teunis zeÓ, „in het gezigt van den wal zouden verzuipen.” De jonker of de baron, of de graaf, of de drost, of wat hij wezen mogt, weigerde ons in te laten; we hadden goed roepen, dat we Oranjeklanten waren, ha! ha! ha!”

„Met uw welnemen, mijnheer! sneeuwde het nog altoos voort?” vroeg een man, die tot de narekenaars behoorde, en voor wien het, naar die vraag te oordeelen, buiten kijf moest zijn, dat de etensklok had. geslagen; anders zou hij er bijgevoegd hebben, „wat wou je eigenlijk op dat slot?”

– En wie was het toch, voor wien HenriŽtte eensklaps oog en oor scheen te worden? –

„Als je vijf minuten bij ons waart geweest, je zoudt er uitgezien hebben of je op een’ meelzolder hadt geslapen, ha! hal ha!” – hernam de habituť van het Kalfje, – „maar ik zeÓ, dat we goed roepen hadden dat we Oranjeklanten waren; de brug ging voor onzen neus op,” – in dien tijd hadden de kasteelen nog torens en ophaalbruggen, – „de baron liet ons weten, dat hij geen volk herbergde. Volk! wij, jonge luÓ van fatsoenlijken huize, volk! wij de zoons van mannen, die pilaren waren van de Amsterdamsche beurs; – volk! maar de man zal wel hebben leeren zien wat volk! was, toen we de Franschen kregen,” – vindt gij niet, dat de oude heer slechts billijk zou zijn geweest, zoo hij er bij had gevoegd: „nadat men eerst de Pruisen gehad had?” – „Teunis broÍr leÓ er de zweep over, maar hij deed. het niet voordat hij er eerst een’ zeemansknoop op had gelegd, ha! ha! ha! – „laat de bliksem je zoo ver onder den grond slaan, als een driedekker in een half jaar zeilen kan!” En voort ging het, of de paarden den stal roken, – naar een stadje in de buurt, waar we ons duchtig te goed deden, en ik Fijtje in hare poffertjeswangen kneep, dat het een’ aard had, al was de hospes een Kees als een weerwolf en al dansten zijne drie manke dochters de carmagnole om een vrijheidsboompje. Maar dat had ik wel kunnen zwijgen, want Patriotten en Prinsjesmannen het waren allemaal brave luÓ; hoe minder van die twisten gesproken, hoe beter: wat in den doofpot is stinkt niet! ha! ha! ha!”

En het derde sneeuwballetje gleed naar binnen.

Allemaal brave luÓ!” dacht Albert, de historiestudie ten onzent aan de orde van den dag, – wat in den doofpot is dat stinkt niet,” een mooi motto voor een boek wit papier, met den belangwekkenden titel: „Geschiedenis onzer burgertwisten!” ”

En hij vestigde nogmaals zijn’ blik op HenriŽtte, en het spook der jaloezij nam voor zijne rustelooze verbeelding eene slechts al te innemende gedaante aan, – meent ge, dat hij Brielle verdacht? gij bedriegt u! Brielle was veel te positief om te verlieven, eer hij zijn fortuin had gemaakt, – Brielle telde nog naauwelijks vijf en twintig jaren, – Brielle begon pas. De jongeling, met wien HenriŽtte zoo druk, zoo vertrouwelijk sprak, had beide, geld en geest; Albert zelf moest bekennen dat het eene uitmuntende partij zou zijn.

Maar had hij zich dan zoo even in den toon harer stem bedrogen? Het kon niet zijn. Het zou onbescheiden wezen, zoo hij juist nu terugkeerde.

Hij luisterde nogmaals.

„U heeft zeker al in een groot gevaar verkeerd, mijnheer!” hernam een dertiger, die bij het vuur stond, niet om zich te warmen, maar om te bedaren van een’ langen rid op schaatsen. „U heeft zeker al in een groot gevaar verkeerd, maar ik ben met een vriend vijf zes op het Haarlemmer-meer toch nog in een’ veel grooter gevaar geweest. Het ijs van de Meer is nooit te vertrouwen, och neen! dat weten alle schaatsenrijders; maar als men jong is, dan waagt men het al ligt, en zoo deden we ook voor een jaar of tien. Welnu, we waren halverweg weer naar huis, daar kwam een mist opzetten, een echt-Hollandsch mistje; maar we hadden den toer meer gemaakt en hoopten te regt te zullen komen. We zouden het ook zeker gedaan hebben, maar onze voorrijder hield eensklaps stil, en riep ons toe: „een wak, jongens! een wak!” en, och ja! of wij hooger of lager af reden, er was een wak in het ijs, zoo ver wij zien konden.”

„Wel weÍrgaas!” zeÓ de oude heer, „en wat deed je ?”

– Een intermezzo!

HenriŽtte rees op, HenriŽtte nam den haar aangeboden’ arm van den benijden indringer, HenriŽtte ging met hem aan een der vensters staan.

Wat viel er dan op den Aemstel te zien, waarover zij hem zoo schalk toelachte?

Albert huichelde onverschilligheid – hij luisterde scherper toe. –

De flaauwert hernam:

„ „Frisch gewaagd is half gewonnen,” zeÓ er een van ons, en ik was er over heen, de anderen kwamen me na; maar het werd ons toch raar te moÍ, toen we van verre een geluid hoorden, even of er geschoten werd., of dat de donder in het verschiet rommelde. Ik heb vergeten te zeggen, dat de mist al meer en meer toenam, we konden elkaar op eene streek of zeven afstands niet meer zien, och neen! – daar waren we al weer aan een wak. Aan overspringen was geen denken, zoo ver we turen konden was het open, op- en neÍr rijden baatte niet, het scheen dat we op een drijvend eiland waren: „andere Robinson Crusoe’s,” zeÓ een spotvogel van mijne kennis; maar er was geen gekscheren mede, de mist werd zwaarder en de avond viel in. Het was vinnig koud, en goede raad duur; och ja! we had.den geene flesschen en trommels bij ons, zoo als mijnheer straks zeÓ, dat dit in den goeden ouden tijd de gewoonte was. Niet dat ik mijnheer oud noem –”

– Albert had de oogenblikken, aan het venster doorgebragt, geteld; hoe lang vielen ze zijner jaloezij!

Daar zweefde HenriŽtte naar het tafeltje terug. Dacht zij nog aan hem? vroeg de ijverzuchtige. Het scheen neen! bij huiverde toen eene slip harer mantille hem aanroerde; het arme meisje schrikte bij zijn gezigt. Hij schaamde zich over zijne drift – maar, wat nu? Er heerschte eene onverklaarbare vertrouwelijkheid tusschen het paar, schertsend voorkwam ze zijn’ kus, gul stak zij hem de hand ten afscheid toe.

Hij had zich straks bedrogen! –

„Jong ben ik waarachtig niet!” hernam de oude heer.

„Maar toch nog kras, menigen vlasbaard zoudt gij het te doen geven; doch dat is tot daaraan toe. „Als we maar niet bevriezen hebben we al veel gewonnen,” zeÓ ik, „en zie, men zegt toch niet ten onregte, dat de nood de moeder is van alle uitvindingen, och neen! Ik haalde een mes uit mijn’ zak, ik bond er een touw aan, dat ik gelukkig bij mij had, ik stak toen het mes in het ijs, en zeÓ tot mijne vrienden: „Als we nu beurt om beurt aan dit touw een kringetje omrijden, dan zijn we ten minste voor bevriezen bewaard.” Er was niemand, die er iets tegen had; een, twee, drie, vier, vijf, zes, reed elk een kringetje, och ja! en verder kwamen we wel niet; maar het bloed bleef toch warm, en schoon het zoo donker werd, dat we geene hand voor oogen konden zien, ieder keerde toch, als hij het touw maar strak uithield, weer terug van waar hij was vertrokken. Zoo reden wij elk wel een maal of tien; zonder dat ons iets beters inviel, och neen! en maakten ons al gereed het ook de elfde maal, tot de honderdste toe, te doen –”

De indringer was vertroklcen, en ook van Uphoeve ligtte, met een kennis of drie, vier, de hielen; Albert schoot op het tafeltje toe, – die lastige Brielle zat er nog!

Un tiers ennuyeux? Dat minder, lezer! maar schalk genoeg, om er zich drie dagen lang mede te amuseren, zoo Albert eene verklaring had uitgelokt, en – „En?” Onze vriend wilde het niet aanvullen. „Groot houden,” dacht hij, en zette zich bij hen neder.

„Waarom lacht ge zoo spotziek?” vroeg HenriŽtte.

Hij deed, zijn best haar in den eigenaardigen liflafstijl des vertellers over te verhalen wat hij zoo even had gehoord.

HenriŽtte vond hem vreemd, en kleurde, – van gramschap of van schaamte? zij bezag de vingertoppen harer handschoenen, die spicht waren, waarlijk spicht.

„En wat drommel, Olverts!” zeÓ Brielle, „wat drommel vondt gij daar amusants in?”

„De parodie van twee of drie dingen, vriend! waaraan iemand zich bij ons nog al kan ergeren, zoo lang hij aan kunst, aan wetenschap, aan volksontwikkeling gelooft. Welligt ook de parodie van mijn’ eigen’ toestand op dit oogenblik. –”

„Mijnheer!” viel HenriŽtte in.

Vermoedde zij wat er in zijn hart omging, of bragt louter verbazing er haar toe?

„Vergeef mij, mejufvrouw! – zoo als ik zeide, Brielle! de parodie onzer middelmatige poŽzij, de –

„Overbekend!” riep de menner van den moorenkop.

„Overbekend, vriend! geen schepsel zou gelooven, hoeveel non sense er nog ten onzent in verzen wordt uitgevent, tenzij bij gedoemd wierd, die stukjes in eene andere taal over te brengen. Ontdoe ze van het vliegwerk van maat en rijm, en ge houdt niet eens eene gedachte, ge houdt op zijn best eene schim van eene gedacbte over. – Pluk onze dichterlijke zwaluwen eens kaal...”

„O! wat die betreft,” zeÓ de menner van den moorenkop, en zijne luchthartigheid stak aardig af bij de gedwongen houding der gelieven, „geef ik het je gewonnen:

„Zoodra als de abeelen
„WeÍrgalmen van ’t kweelen
„Der or’glende kelen

„Stop ik,
              „Puur uit schrik,
                                          „BeÓ mijne ooren maar toe,”

en spottende voer hij voort:

„Want dartele winden,
„Gehuwd aan ’t gezucht
„En ’t gegeur van de linden,
„Doorsuiz’len de lucht,
„En pozen
„Bij rozen,
„Die blozen
„Om ’t kozen, –

„Het maantjen, –
„Een traantjen, –
„Koek, koek, koek, koek, koe!”

„Bravo, bravissimo!” borst Albert uit, „dat hebt ge wis uit een Groninger boekske,” en vervolgde met meer vuurs dan het onderwerp verdiende, dewijl zijne hartstogtelijkheid zich dus best verbergen liet; „onze ouderwetsche familiestukken geven ten minste eene duidelijke voorstelling der eigenaardigste trekken van het geslacht: een wipneus, of een paar negerlippen of

„Een opgetrokken wenkbraauwboog,”

doch onze lofdichters van soepjurken, slaapmutsen en sloffen zijn tevreden, zoodra zij man, vrouw en kinderen maar bij den haard hebben neergeplakt, om dan over huiselijk heil te mogen uitweiden, met een breedsprakigen herhalingslust, welke mij altoos aan het genot van eene eend op het drooge herinnert, die eindelijk een’ poel heeft gevonden om in te plassen. – Voor de onderscheiden hartstogten, welke een kunstenaar in iedere groep menschen opmerkt, gadeslaat, ontleedt;” – Albert, de dichter, kreeg de overhand op Albert, den verliefde, – „die hem onwillekeurig uitlokken tot de’ studie van hun verleden, tot eene gissing over hunne toekomst, voor al het echt poŽtische hebben zij geen’ zin. Huiselijk heil!” en hij hield bitter op, – de minnaar was weer meester over den poeet.

Licht-blaauwe oogen,” –

plaagde hem de menner van den moorenkop.

HenriŽtte’s toestand werd pijnlijk; zij begreep nog niet wat Albert in zoo zonderlinge stemming had gebragt; maar zij zou gene vrouw zijn geweest, zoo zij niet had geweten, dat hare oogen heele mooije blaauwe waren.

„Stil toch,” bad Albert, en het bleek haar uit den nadruk van dat woord., dat Brielle hem zijne eigen verzen citeerde; Albert was grillig genoeg alle aanhalingen van dien aard te haten.

„Licht-blaauwe oogen
„Overtogen
„Met een’ glimp van levend goud!
„Schaarscher luchtte mij uw weelde,
„Wist ge wat zich ’t hart verbeeldde,” –

zeÓ de schalk.

„Niet verder!” gebood Albert. En HenriŽtte sloeg de hare neder, want de zijne hadden haar, ondanks hem zelven, bij die woorden aangezien als wilde hij hare verholenste gedachten raden – zij begon te gissen, welke vreeze hem kwelde.

En, zoo als we reeds betuigden, zij sloeg hare oogen neder – was het schuchterheid, was het schuldbesef?

„De zwaluwen!” – herhaalde Brielle, „de haardrijmers, –”

„En de flaauwe wijzen,” – viel Albert in; – HenriŽtte wilde niet opzien, – „en de flaauwe wijzen, die spreuken bezingen, aan wier betrekkelijke waarheid niemand twijfelt, doch welke zij zoo algemeen toepassen, dat iedere bekrompenheid er bij kan indutten, gestreeld door den zoeten waan, dat zij toch gelijk heeft, – ik tart u, Brielle! van een’ der drie te loochenen, dat zij iets anders doen, dan aan het touwtje afrijden, omrijden, oprijden, tot zij hun cirkeltje hebben beschreven. Zij komen er niet verder door, en hunne toekijkers blijven ook even wijs, of liever even dom; maar het bloed hielden ze toch laauw van bevriezen geen gevaar, – o, die lieve cirkelversjes!”

HenriŽtte peinsde er al dien tijd over na, of zij reden had gegeven tot de jaloersche brouille, en vond slechts – wat mijne, lezeressen al lang hebben opgemerkt – dat zij in Albert’s hart eene geduchte medeminnares zou hebben in de kunst.

„Ik begrijp niet, Olverts!” hernam Brielle, „wat u verpligt van al die dwaasbeden notitie te nemen. Als ik dat in mijn vak wilde doen,” – de jonkman had zich der wetenschappen onzes tijds, het mechanismus, der stoomkracht, der industrie, toegewijd, – „dan zou men mij uitlagchen. En te regt: Practica est multiplex, geldt bij ons. Het rad, dat niet draait, deugt niet, al kwam het uit de eerste fabriek van John Bull. –”

„Maar slechte verzen vinden honderd plaatsen voor eene,”, viel HenriŽtte in: haar fijn gevoel zeide haar, dat Brielle’s materialisme Albert’s kunstliefde krenken moest.

„Tot in den Nederlandschen Standmeter, mejufvrouw!” hernam Albert, en wendde zich weder tot Brielle; zoo gij vraagt, waarom hij nu het onderwerp niet rusten liet, ik beantwoord u met de vraag: of hij dichter zou geweest zijn, zoo hij het had gedaan?

„Wie twijfelt er aan, dat het materiŽele dit vůůrheeft? De uitslag uwer proeven is tastbaar: zoo veel ellen, zoo veel ponden, zoo veel guldens, ergo...– (HenriŽttes blik zwierf door de kamer om; gedacht zij den bezoeker van zoo even, was het ijdelheid? – vond ook zij een beetje jaloezij eene vereerende onderscheiding?) – „Verdenk mij van schimp noch smaad, Olverts! ik geloof niet, dat wij in de fabrieken het Trojaansche paard hebben ingehaald. Wie er met minachting op neÍrziet, maakt slechts zich zelven bespottelijk; hij sluit zijne oogen moedwillig voor den vooruitgang der wetenschap.” – (HenriŽtte vond, dat hij de zijne even moedwillig voor haar rondgluren look.) –

„Al genoeg concessies,” zeÓ Brielle; „ook kan ik er mij nog al in troosten, dat deze of gene uit de hoogte op mij neÍr ziet, mits ik alle jaar maar een mooi sommetje overhou. –”

„Leve de handel! leve de nijverheid!” hernam Albert, „wie het mij niet nazegt heeft er geen begrip van, hoe Holland groot is geworden, hoe Holland zich zal kunnen handhaven; maar het zij er verre van, dat ik daarom verpligt zou wezen, zoo razend van onze negentiende eeuw te zijn, dat ik niets anders zou wenschen dan: „Geld! geld! Geld!” Het was liefde voor kunsten en wetenschappen, welke in onze vaderen die schraapzucht temperde, of veredelde; – vlei er u eens mede, als ge ziet, hoe juist die parodie op zevenachtste onzer letterkundige critiek past.”

„Uw stokpaardje!” zeÓ HenriŽtte.

„Ik ken er eene,” verzekerde A1bert, „die al twintig, dertig jaren lang op hetzelfde standpunt bleef staan. –”

„Dat is conservatief,” schertste Brielle.

„Het is nog zoo lang niet geleden,” hernam onze vriend, „dat ze autocratisch was, en nog gaat zij voort, maandelijks over ieder uitgekomen boek haar vonnis te wijzen, of hare kras te halen met een:

Koop toch, ’t is mooi!”

„of een:

„Foei! raak ’t niet aan!”

„Orakelachtig onfeilbaar,” spotte de menner van den moorenkop.

„Het is de critiek van het cirkeltje, die louter voor leesgezelschappen werkt, en, zelve in den mist, er belang bij heeft, dat ook het publiek in den mist blijve. Weet gij, waaraan ge haar kennen kunt? Aan de liefde, aan den eerbied, aan de afgoderij, die zij het touwtje toedraagt en bewijst, het touwtje van het overgeleverde, het geijkte.”

– Ik twijfel er zeer aan, of zes van de zeven lezeressen wel met zoo veel belangstelling zullen luisteren, als HenriŽtte aan den dag legde. –

„Over het verband tusschen den geest des tijds en de letterkunde van den dag, over den wederkeerigen invloed van deze op elkander, bekommert noch bekreunt zij zich – van waar zou die geest haar zijn aangewaaid? Een boek is een boek en niets meer; – wie heeft ooit gehoord, zegt zij, dat het geroepen is om eene behoefte te bevredigen, dat het uit eene onbevredigde behoefte ontstond? In haren mist zou zij u, zoo gij haar eene verklaring van den zin dier woorden vroegt, misschien antwoorden: „UEd heeft wel gelijk,” mijnheer! het getal der broodschrijvers neemt verbazend toe!” Arme sloof! waarom zou zij zich met onderzoek kwellen? zij had nooit phantasie, die bestuur eischte! Maar touwtjes heeft zij, touwtjes voor de wetenschap, en touwtjes voor de kunst. Er komt een geleerd werk uit – al hare vragen bepalen zich tot die, of de schrijver wel aan het touwtje harer orthodoxie, of aan het touwtje harer liberaliteit heeft geloopen, dat wil zeggen: de liberaliteit en de orthodoxie van een gegeven, van een door haar bepaald jaar; vooruitgang met de wetenschap kan, zoo ligt uit den mist – zij zou beweren, op een dwaalspoor leiden. Eenig kunstwerk maakt opgang – het is haar een gruwel, dat die romanschrijver, dat die dichter van zijnen tijd is; zij heeft er zoo velen, en die velen zoo lang laten rijden aan het touwtje van het zedelijk nut, of aan het touwtje der zoetvloeijende lamzaligheid.”

De lezeres, die dit uithield, zonder het handje voor den lieven mond te brengen, verdient een’ minnaar als Albert – zoo zij er niet reeds een beteren heeft.

„En alles ging zoo wel bij overlevering, zij had tweederlei taktiek, eene voor de kleintjes:

 

Zy vingen simpelen en hingen ze op by ’t oor,

„eene voor de grooten, – zij was rekkelijk, zij was toegevend, zij was allerliefst, ja, zij kon van hen door de vingers zien, dat ze voor eene wijle het touwtje wegwierpen. „Vieren,” noemde zij dat. Wee echter den auteur, die van den beginne af beproefde zich zelven een pad te banen; zij sprak over hem den zwaarsten vloek uit, die iemand in dit land treffen kan: den vloek der jeugd; hij bleef voor haar jong, piep-jong, totdat zijn baard, al grijze haren had. –”

„Zeg eens, vriend!” vroeg Brielle schalk, „hebt gij ooit onder die critiek geleden?

„Integendeel,” hernam Albert, „het weinige, dat ik leverde, heeft bij de cirkel-critici doorgaans meer genade gevonden dan het verdiende. Al wat ik haar verwijt is, dat oordeelkundige gisping – en niet het naknutselen van theorieŽn van anderen, waarbij ze slechts hare eigene onhandigheid verraadt, waardoor zij haren val niet zal voorkomen – dat oordeelkundige gisping mij zou hebben opgewekt, er naar te streven iets beters te schrijven. Zij had mij daartoe aan scherper toetssteen van te ligt gehalte moeten keuren.”

„Dat heet ik liefhebberij voor het martelaarschap,” zet de mechanicus.

„Dat is liefde voor de kunst,” hernam Albert met vuur; „wat anders zou mij het regt hebben gegeven haar aan te vallen, zoo als ik bij wijle deed, waarom het verzwegen? Ik stelde mij eene opscherpende, ontwikkelende critiek voor – het volslagen contrast der onze, die geen hooger denkbeeld van eene geschiedenis onzer letterkunde en poŽzij heeft, dan eene bloemlezing van die stukken, welke zij het fraaist vindt; zij, in haren leuningstoel; – zij, met het boek onder den neus, en blind voor den tijd, waarop het werken moest, – zij, die geen begrip schijnt te hebben van de roeping der Muzen, voor onze dagen, voor de toekomst! Indien ik voor mijn’ stouten eisch had geboet, wie zou mij het oor hebben geleend, zoo ik mij had beklaagd, over zijne vervulling? Mijne tijdgenooten zouden vooruit zijn gegaan, mij voorbij, maar toch vooruit! Foei, Brielle! dat ge mij verdenken kondt van gekrenkte eerzucht, die mijn’ spotlust prikkelde. Ik wil, ik mag nu de derde parodie niet verzwijgen, welke mij in dat rijden in den mist trof, griefde, had ik moeten zeggen.”

Het fijn beschaafd, vrouwelijk gemoed heeft sympathie voor alles wat edel, wat hoog is; HenriŽttes oogen vonkelden van eene geestdrift, die zij meer gevoelde dan begreep. Zij wilde de eerste zijn om het misverstand te doen ophouden: ontbreekt het eener vrouw ooit aan een middel?

„Mijnheer Brielle!” verzocht zij dezen, „zoudt gij zoo goed willen zijn eens rond te zien, of mijnheer ter Veere nog in gindsche kamer is ?”

„Mijnheer – ?” herhaalde Albert, het ging hem zoo als het u en mij wel eens ging, hij misduidde.

„Mijnheer ter Veere, met wien ik straks uit het venster zag.”

En Brielle stond op en zocht.

Foei! zegt gij, dat Albert aarzelen kon, den opslag dier heldere oogen, den ernst van dat minzame gelaat te vertrouwen.

Hij zag mijmerend voor zich.

Doch was het dan wantrouwen? Gelukkige! die nooit de speelbal uwer fantasie zijt geweest, die niet terugdeinsdet, dewijl ge vreesdet eene onregtvaardigheid te begaan; die niet terugdeinsdet, dewijl ge uwen jammer altijd vroeg genoeg zoudt, vernemen.

Hij bleef vůůr zich zien.

HenriŽtte vond, dat Albert linksch was als alle mannen, – waarom vroeg hij niet wat ter Veere voor haar was?

ExplicatiŽn tusschen verliefden hebben iets zoo pijnlijks, dat ik Albert van harte vergeef, dat hij met de zijne marde: – maar wat hij zich zelven niet vergaf, was, dat hij nog aarzelde toen van Uphoeve hen verraste.

Of HenriŽtte het hem deed? De Weledelgeboren Meester liet haar geen’ tijd iets te zeggen. „Bijou zou straks vůůr zijn, Bijou scheen niet geschrikt, Bijou –” het was ten minste eene afleiding voor de beide verlegenen. Doch ook die stof zou weldra uitgeput zijn geweest, zoo Brielle niet was teruggekeerd, – hij betuigde, dat hij te vergeefs naar ter Veere had omgezien.

„Ik dank u,” zeÓ HenriŽtte, „het spijt me.”

„Ter Veere, ter Veere? Ik heb hem straks beneden ontmoet,” viel van Uphoeve in, „hij was in de wolken, u te hebben aangetroffen; maar wie zou dat niet zijn?”

Ik beklaag iedere vrouw, die voor zulke fade complimenten buigen moet.

„Hij herinnert zich de genoegelijke dagen ten huize uwer ouders, in den verleden’ zomer gesleten,” voer de Weledelgeboren Meester in ťťnen adem voort.

Wij vreezen waarlijk, onzen lezers nog niet te hebben gezegd, dat HenriŽtte’s familie te Nijmegen woonde, dat zij slechts voor de wintermaanden bij haren zwager te Amsterdam logeerde.

Alberts gezigt bewolkte al meer en meer.

„Maar hij heeft mij verzekerd,” voegde van Uphoeve er bij, „dat hij u eerstdaags zal bezoeken; uw kleine kring zal er aan gezelligheid bij winnen, hij is een charmant mensch.”

„Hij zal welkom zijn,” antwoordde HenriŽtte, en zag Albert niet aan, – het is nooit edelaardig zich te wreken; maar jaloezij is ook eene vreeselijke kwaal!

En echter, zoo zij gezien had, wat er in zijn hart omging, zou hij zich zijner hebben ontfermd. Hij, die straks op het punt was geweest, zich zelven over zijne verdenking aan te klagen, zou zich bespottelijk hebben gemaakt, dacht hij. Van Uphoeve prees ter Veere, de geslagen minnaar den nieuwen mededinger! O! het was zeker, dat HenriŽtte’s kreet, HenriŽtte’s belangstelling slechts blijken harer vriendschap waren geweest; vriendschap! dat armzalige surrogaat voor liefde.

„Eene heelpleister voor eene blaauwe scheen,” zou Brielle hebben gezegd.

Was het wonder, dat er bij HenriŽtte eene gedachte oprees, of zij niet een weinig coquetterie tegen zoo veel, tegen zoo sombere jaloezij mogt overstellen?

Albert mijmerde nog altoos.

„Die derde parodie moet akelig wezen,” schertste de mechanicus, „want ge ziet er uit als een ongeluksprofeet!”

„Die derde parodie was het,” hernam Albert, de gelegenheid aangrijpende, zijne aandoening te verbergen, „ik zag er onze politici aan het touwtje in.”

„Wie, mijnheer?” vroeg van Uphoeve, die van geene politiek hield, en zich toch in alle politieke gesprekken mengde – om te bezadigen.

„Een groot aantal onzer medeburgers, mijnheer! die Hollanders willen heeten, en echter roem dragen op hunne onverschilligheid, voor de gebeurtenissen van den dag, die blijven voortsukkelen aan den dunnen draad van het verledene, uit gebrek aan lust, aan moed, aan kracht, om te onderzoeken, wat er om hen zal zijn als de mist optrekt.”

„Maar, lieve vriend!” viel Brielle in, „mijnheer van Uphoeve is volstrekt niet op de hoogte van het gesprek;” – en met weinige trekken schetste de menner van den moorenkop hem, hoe de groep schaatsenrijders er in de dubbele schemering aan toe was.

„IJdele vrees!” verklaarde de Weledelgeboren Meester, zoodra Albert zijne onrust over de toekomst bad lucht gegeven, „ijdele vrees! men is immers ontwaakt?” en hij legde al den schimp der botheid in den nadruk, waarmede hij dat laatste, sarrende woord uitsprak.

„Ontwaakt?” hernam Albert, „en in welken geest? Rekent ieder zijner onverschilligheid een deel van de schuld toe; – streeft elk uit het duister, waarin hij zich zoo lang vermeide, naar licht; – zal het algemeen belang zwaarder wegen dan de bijzondere driften? Dat men het gelooven mogt! Staatkundige theoriŽn hebben weinig aanlokkelijks voor een handeldrijvend volk, maar onverschilligheid, die burgerpligten en burgerregten geene studie waard acht, –”

„En de grondwet, mijnheer ?”

„Is zij denzulken geen twintig, geen vijftig jaren in ruimte van begrippen vooruit? neen! vloeit het ten onzent niet over van politici aan het touwtje, in wier oogen Rusland en Oostenrijk aardsche paradijzen zijn; die zich Frankrijk niet anders voorstellen, dan altoos op het punt zich in een’ poel van jammeren te storten; die Engeland al aan Chartisten ter prooi wanen; in de Vereenigde Staten een despotismus te gemoet zien ?”

„Ten minste binnen de honderd jaar,” beweerde Brielle, „opdat wij nooit het pleizier zullen hebben er hun eene gekheid over te zeggen, als het eens niet gebeurt.”

Concordia res parvś crescunt, mijnheerl” zeÓ van Uphoeve, en nam, zonder dat HenriŽtte het zag, een snuifje: „dat plagt van ouds waar te zijn, dat zal nog wel waar wezen.”

„Eendragt,” hernam Albert, „eendragt is geen dut, mijnheer van Uphoeve! neen, de eendragt, die een volk groot en gelukkig maakt, schijnt mij het gevolg te moeten zijn van eene volkomen kennis onzer behoeften en belangen als natie! Of wat is eendragt anders dan de in woord en daad aan den dag gelegde overtuiging, dat slechts een vereenigd streven de vervulling der eerste, de bevordering der laatste waarborgt? En meent ge dan, mijnheer van Uphoeve! dat onze voorouders, – uwe voorvaderen – zich de opofferingen, tot welke een verlichte burgerzin hen aanspoorde en in staat stelde, getroost hebben, in dien droom, in dien dommel, welke onze stilstaanders en stilliggers ophemelen, als het hoogste genot? Rust roest! was hun woord; alles wat hun land betrof, ging hun ter harte, en zoo zij in de glorierijkste tijdperken onzer historie nog onder het ideaal der eendragt bleven, schaars daalden zij af tot de laagte der slofzucht, zonder er bitter voor te boeten!”

„Maar, mijnheer!” viel de Weledelgeboren Meester in, „we hebben immers nu eene grondwet, wat wilt ge meer?”

„Dat zij „het plechtanker van ons volksgeluk” worde, dat haar geest doordringe in alle standen der maatschappij, dat zij u, den patriciŽr, geneze van uwe spijt over het verlies van vroegere regten; mij, den plebejer, eerbied leere voor alle niet meer willekeurige wetten; dat ons beider sympathie voor lang gekoesterde vooroordeelen een waardiger voorwerp kieze, in echte onbekrompene nationaliteit! Onze Koning wil haar, voor hem zijn alle onderdanen Nederlanders; laten alle medeburgers het ook voor ons worden! Hooft stond boven zijnen tijd toen hij zong:

„De roomsche geus het smekent blad
„Tot Brussel onderteekend had,
„Zoo wel als d’ ander, en verzocht ’er
„’s Lants vryheit by aen ’s Keyzers dochter.”

„Zijn wij in twee honderd jaren vooruitgegaan ?”

„Wel mijnheer!” zeÓ de Weledelgeboren Meester.

„O mijnheer van Uphoeve! wie in uw optimisme deelen kon! – maar neen, geene spotternij, de zaak is er te heilig voor. Hebt gij dan geene ooren voor de stem der driften, die reeds nu partij zoekt te trekken van onkunde, belangzucht, godsdiensthaat? – Schaamt gij u dan niet over het beschimpen van het jongst verledene, ten onzent aan de orde van den dag – een schimp, die terugstuit op ons, voor zoo ver wij in de honderdste of duizendste mate bijdroegen, om dat verledene te maken wat het werd, om het te laten wat het was? Ergert u! –”

„Vergeef mij,” zeÓ de meester van Bijou, – „ik moet even zien –”

De rente wordt immers nog betaald!

„Laat den moorenkop te gelijk voorkomen,” riep Brielle hem na, en wendde zich tot Albert.

„Ge zijt van daag verbaasd ernstig.”

Wat HenriŽtte hem vond, laten wij liefst onvermeld, de kunst was nog iets – maar nu ook het land. –

O Hollandsche matronen!

„Ernstig? ja!” hernam Albert, „maar vindt gij het dan een tijd om grappig te wezen? Over dit onderwerp valt ten minste te spreken, zonder dat ge mij van persoonlijke eerzucht zult verdenken: stand noch studie roepen mij op die baan. Verre echter van mij alle sympathie met het heerschende volksbegrip, dat de zaken des vaderlands den burger niet aangaan, – het is evenmin Hollandsch als de vroegere afgodeering het heeten mogt; als ik het de verguizing vind, die haar nu opvolgt! Aan het eene als aan het andere ontbreekt de eerbied, dien een volk zich zelf moest toedragen; er was geene waardigheid in den lof, er is laagheid in de blaam. Wien veroordeelen wij, dan ons zelven? Ons rest iets vromers en vroeders te doen...”

„Wat ?” vroeg Brielle.

„Alle krachten in te spannen, – overtuigd, als wij door het verledene moeten zijn, dat ons heden de moeder is van ons morgen! – ter ontwikkeling onzer nationaliteit, – alle gaven cijnsbaar te maken aan het bestrijken van dien kanker onzer maatschappij en onzer eeuw, het afzigtelijke:

„Raep en Schraep!

Ligt het aan mij, Brielle! dat ik minder liefde voor de wetenschap, minder zin voor de kunst, minder waarachtige verdraagzaamheid, minder staatkundige verlichting ten onzent zie, dan wij behoeven, om ons op de hoogte onzer naburen te handhaven? Nooit werd in Nederland, krachtiger, veelzijdiger, nationaler letterkunde vereischt, dan in onze dagen; wat wil de menigte, wat viert de menigte? wie beheerscht de menigte? De muzijk! de muzijk in alle kringen te huis, de muzijk in alle schakeeringen gevierd, de arme muzijk, die het in de negentiende eeuw nog niet verder heeft gebragt, dan zij in de dagen van Saul al gevorderd was: de booze geest week voor het harpspel David’s, en het was Saul eene verademing; maar bij keerde er niet minder om terug.”

„Aan het venster! aan het venster!” riep van Uphoeve, die inmiddels den trap weer was opgestoven, en HenriŽtte, Brielle, Albert vergezelden hem.

Wat was er te zien?

Ter Veere, – niets dan ter Veere, – wiens ar met een, Russisch voorspan zou afrijden; hij zag op naar HenriŽtte, hij wierp haar met de slinkerhand een’ kus toe.

HenriŽtte gaf geene verklaring dier gemeenzaamheid.

„Albert,” dacht zij, „Albert heeft woorden veil voor alles, wat hem belang inboezemt, behalve voor mij!”

Hoe weinig kende zij hem!

„Maar gij hebt ons niet eens verteld, hoe het afliep met die rijders aan het touwtje ?” vroeg zij ietwat spotziek.

„Tien tegen een, mejufvrouw! hernam hij, „dat de maan opkwam en hen naar huis lichtte; ik beken dat de parodie in dat opzigt niet doorgaat. De jongelui zullen waarschijnlijk blijde zijn geweest, dat zij zien konden, waar zij waren; de middelmatigheid haat zelfs de flaauwste star, welke haar...”

„Ten toon stelt, mijnheer Olverts!” besloot HenriŽtte den volzin.

„Mejufvrouw!” begon Albert.

De knecht van den Weledelgeboren’ Meester kondigde aan, dat Bijou vůůr was.

„Indien ge mijner slede nogmaals de eer zoudt willen aandoen, mejufvrouw!”

„Vergeef mij,” antwoordde HenriŽtte, „Bijou is een juweeltje, maar ik ben geene heldin; ditmaal zal ik gebruik maken van het aanbod van mijnheer Brielle.”

„Een caprice,” mompelde van Uphoeve.

„Ik hoŻ niet van dames, die geene caprices bebben: het is het onderscheid tusschen een’ mensch en een machine;” zeÓ de menner van den moorenkop, „Hoe meer caprices een mooi meisje heeft, hoe liever.”

„Ei, mijnheer!” zet HenriŽtte schalk.

„Maar om u schadeloos te stellen, mijnheer van Uphoeve!” betuigde Brielle, „ge zult mij pleizier doen, zoo gij eene plaats op mijne ar aanneemt, – op u, Olverts! reken ik.”

De Weledelgeboren Meester boog zich; men was beneden, men plaatste zich in de zonderlinge slede, – voor de narekenaars diene, dat de knecht van Brielle ter zijde van de schelp wipte.

Het was voller op den Aemstel, het ware uur om te zien en gezien te worden, – wat al weelde, – wat al pracht, – wat al smaak! Of HenriŽtte er zich in verlustigde, of zij niet gevleid werd door de verrassing, op het gelaat van menigen jongeling zigtbaar, als hij het bloeijende meisje aanschouwde, in de slede van eene onzer grootmoeders? Het zou eene vergeeflijke ijdelheid zijn geweest; Albert echter zag er meer in. Hij sloeg haar gade toen zij de plek naderde, waarop zij hem, straks zoo gelukkig had gemaakt – zij zag niet op! Als zij het gedaan had, zou zij hare dankbaarheid hebben verraden; „dat mogt niet,” zeÓ het lieve hoofdje.

Van Uphoeve sprak haar aan, zij luisterde geduldig.

„We zijn de plaats voorbij, mejufvrouw! en Bijou is niet geschrikt.”

„Toch niet, mijnheer?” – was alles, wat zij kon uitbrengen. De menner van den moorenkop deed als hoorde hij het niet, maar verlustigde zich blijkbaar in den gestrekten draf van zijnen gunsteling, – het dier trok de opmerkzaamheid aller kenners tot zich.

Bijou wil maar ter nood achterblijven.”

„Het mogt wat,” mompelde Brielle.

Hoe heet de moorenkop?” vroeg van Uphoeve.

„Hm! – Wim !”

„Wat kost hij u?”

Het antwoord ging voor HenriŽtte te loor. Ook wij verliezen er niets bij. Zij peinsde, een lach school weg in de kuiltjes harer wangen; zoo gij haar gezien hadt en schilder waart; geweest, ge zoudt geraden hebben, dat zij eene dubbele plagerij beraamde, dat zij aan Brielle’s liefhebberij voor caprices dacht, dat zij Albert – zij blikte tot hem op.

„Welna! riep zij eensklaps.

Bedroog zij zich? Geen Welna was nog in het gezigt. En echter bedroog zij zich niet. Het woord deed zijne werking; welke herinneringen riep het Albert voor den geest! Geviel het niet op den eersten avond hunner kennismaking, dat hij mevrouw de Maze in de lectuur van de Waardin verraste, een Verhaal uit het midden der zeventiende eeuw, door J. F. Bosdijk, zoo als mijne lezers weten? Het was maanden geleden, en toch hoe heugden hem nog alle bijzonderheden van dat uur!

Eene ontleding van dat werk zoude hier ongerijmd zijn; maar wij vertrouwen, dat Albert zijn pleit zou weten te voldingen, zoo de auteur hem over zijne afkeuring van dien arbeid rekenschap vroeg. Hoe had hij Anne over de keuze beknord, hoe zich geŽrgerd aan de voorstelling der Amsterdamsche Regeering van 1650, welke burgers in hechtenis liet nemen, op de aanklagt van een boos oud wijf; eene aanklagt, ondersteund door den huisknecht van den beschuldigden burger; eene aanklagt, beraamd met een  zoo walgelijk gemeenen jood, als ooit een romanschrijver aan een fatsoenlijk publiek durfde voorstellen!! En het historiŽele van het kostuum, en de intrigue, gebouwd op de tweelingen der raadselachtige waardin, en de stijl, alles had zijne beurt gehad; wij trekken het oordeel za‚m in de vraag:

„Maar, mevrouw! wie heeft u toch dat boek aanbevolen?”

HenriŽtte wist het niet; maar het was er verre van, dat het haar spijten zoude, dat hare zuster het zich had aangeschaft. Hoe duidelijk was het haar in den loop des gespreks geworden, waarom zij Scott zoo’ hoog vereerde, waarom het haar, na de lezing van een zijner werken, zoo wel met God, en menschen te moede was.

„Slechts een talent als het zijne,” had Albert in het midden gebragt, „zou in staat zijn geweest regt te doen aan die belangrijke episode uit onze stadhouderlijke historie, den aanslag op Amsterdam! Aan de eene zijde patriciŽrs, het oude Rome waard, de Bicker’s en de Huydecoper’s; de Bicker’s, die zich zelven wisten op te offeren voor de stad hunner geboorte; – aan de andere zijde een jong, moedig vorst, wien het naauwelijks als vergrijp viel toe te rekenen, dat hij zijne hand naar eene kroon uitstrekte, die reeds op het eerwaardig hoofd van zijnen grootvader zou hebben geblonken, indien de dood dezen, in hare plaats, niet den lauwer der onsterfelijkheid had toegereikt! Welk een onderwerp!” had hij uitgeroepen, „het Amsterdam der zeventiende eeuw, dat de vierde uitlegging harer vesten ontwierp, dat er zich op mogt verhoovaardigen, de eeuw van Frederik Hendrik door eenige onzer grootste vernuften, in haren schoot geboren en gekweekt, te hebben opgeluisterd! – En Willem II ! Stel u de droomen van heerschappij voor, welke den overmoedigen jongeling de armen van verlangen deden uitbreiden, bij de gedachtenis aan de zegepralen van zijnen oom Mouringh, totdat de schim van zijn’ geliefden, van zijn’ gezegenden vader hem hoofdschuddende verscheen, en de hand terughield, die reeds naar den schepter greep!

„Welk eene tegenstelling zou een vernuft als het zijne niet gevonden hebben in den staatkundigen Aertsbergen, met den weelderigen Sommelsdijck, en in die van beide met de Bicker’s! Welk een dichterlijke greep, de geschiedenis in eene profetes, te verkeeren: Willem te schilderen, overvallen door de gedachte aan eenen vroegen dood, en zijn eenig kind, den derden Willem, onder de voogdijschap van Jan de Witt!”

HenriŽtte had toegeluisterd, bij dat omwandelen in de galerij eener in beelden gebragte historie, en genoten. Albert’s geestdrift had de hoofdtrekken der karakters scherp doen uitkomen, de groep werd bezield, en terwijl zij hem met hare heldere oogen aanstaarde, verwezenlijkten zij beide eene schoone gedachte van den Duitschen meester:

Alle Freude des Dichters ein gutes Gedicht zu erschŲpfen,
FŁhle das liebliche Kind, das ihn begeisterte, mit.

Het was een zeldzaam begin van verlieven! HenriŽtte gedacht het en bestrafte zich zelve, dat zij straks zijnen ijver, voor wat hij heilig hield, had gelaakt, dat ze zich over zijnen ijver voor ontwikkeling had verwonderd.

Anders was de indruk, dien de herinnering op Albert maakte. Meester in de zelfkwelling, verbeeldde hij zich, dat zij slechts met den kunstenaar ophad, dat zij hem nu gispte, zoo als ze dit ook toen met een woord had gewaagd.

Immers, hij had in zijne verrukking het boek van den heer Bosdijk van zich gestooten, toen hij in de voorrede de woorden aantrof: „Mijne bedoeling was, het aangename met het nuttige te paren en onderhoudend te zijn, zonder strikken te spannen ter belaging van de onschuld, of ter kwetsing van het zedelijk gevoel.” – „Belaging der onschuld, kwetsing van het zedelijk gevoel,” was hij geŽindigd, „hij is geen waarachtig kunstenaar, die dat doet; hij heeft het schoone ontwijd, de schaamte is hem vreemd geworden. Maar, al is de Waardin zedelijk als een tractaatje, mevrouw! uit eerbied voor onze historie moest gij het boek ter zijde leggen. De Heer Bosdijk zal beweren, dat zij hem maar tot bijwerk diende; maar ook dat is zondig, ook dŠt onzedelijk! Er zijn onderwerpen, voor welke zelfs het talent eerbied heeft; er komen tijdperken in de historie voor, aan welke het genie zich slechts met huivering waagt: het zijn die, waarin twee groote beginsels met elkander worstelen, zoo als in dit, lust tot gezag met liefde voor vrijheid! Wie geeft iemand het regt, eene voorstelling dier dagen, door het onderschuiven van laffe verdichtselen te ontwijden; wie geeft dit aan een’...”

Maar het harde woord was niet over zijne lippen gekomen, – HenriŽtte had hem aangezien.

„Leer gij mij liefhebben,” had hij haar reeds toen willen smeeken; – waarom marde hij zoo lang met de vraag?

Mevrouw de Maze, die het boek slechts ter loops had ingezien, was minder gelukkig als verdedigster des auteurs opgetreden; geen argument ad hominem, geene plaatsen uit het werk, louter de verzekering, dat het gerucht den heer Bosdijk een’ der grootste bewonderaars, een’ der handigste navolgers’ van van Lennep noemde.

„Het eerste is mogelijk, het laatste loochen ik, mevrouw! Ik wil niet eens beweren, dat de heer van Lennep zelf te veel navolgt, om een goed model voor anderen te zijn; maar het boek is zijn patronaat onwaardig; van Lennep moet patricische herinneringen hebben.”

Veertien dagen later bragt van Uphoeve aan HenriŽtte het versje, 1650 – 1840 mede, eene verrassing op het diner van de eerewacht, welke Z. M. te Amsterdam inhaalde; – men schreef de coupletten aan van Lennep toe!

HenriŽtte had het Albert overgereikt, in een oogenblik, dat Anne de kamer had verlaten.

En deze? Hij had, er noch den ouden patriciŽr in herkend,” noch den dichter, voor wien in het verledene eene les voor onze dagen ligt. Het was ook eene ontwijding des onderwerps.

„DŠŠr is nu Welna,” zeide van Uphoeve, – de lezer verplaatse zich weder bij de slede en vergeve ons den zijsprong.

Er was iets in Albert’s blik, dat HenriŽtte afvroeg, of zij zich dien avond herinnerde?

Hij zuchtte!

„DŠŠr is nu Welna, – het had genoemd moeten worden, in de coupletten, op het diner in den Franscnen Tuin voorgedragen; wat zegt gij er van, mijnheer Olverts?”

„Als ze niet waren rondgezonden om af te schrijven, zo ik ze beschouwd hebben als behoorende tot het dessert.”

„En is dat alles wat gij er van zegt ?” vroeg Brielle.

„Alles!”

„Hm!” zeÓ de heer van Bijou.

„Mijnheer van Uphoeve heeft ze zekerlijk bewonderd,” antwoordde Albert op het vriendelijk geluid.

„Ik verbeeld mij, dat ze nog al populair zijn.”

„En wat is populair, mijnheer ?”

„Wel, mijnheer Olverts! geschikt voor het volk, niet te hoog, vooral niet te hoog, maar aardig, prettig, – prettig van aardigheid.”

„Uwe definitie is niet van de vleijendste, mijnheer van Uphoeve! want een auteur, die zich tot de rol van hansworst zijner lezers verlaagt, komt volgens haar al zeer digt aan uw ideaal.”

„Wij zullen het van daag niet eens worden,” mompelde de Welerlelgeboren Meester.

„Weest getroost, mijne heeren!” zeÓ de menner van den moorenkop, „de stad is in het gezigt.” Hij liet zijn paard vast uitstappen, industrieŽl als hij was.

„Al?” vroeg HenriŽtte, en Brielle kon, zonder onbeleefd te zijn, niet minder doen, dan er op laten volgen:

„Willen wij nog? –”

„Een toertje,” zeÓ HenriŽtte.

En zij reden beurtelings af en op, in lijnregte of gebogene rigting; de menner van den moorenkop kreeg er pleizier in; het had iets van caroussel rijden.

Dat was het doel niet.

„Een eindje wegs in de zon,” bad HenriŽtte.

En Brielle vervulde gedwee haar verlangen.

DŠŠr was men weder bij Welna; Albert, die HenriŽtte onverklaarbaar grillig begon te vinden, vatte onder het langzaam voortrijden den afgebroken’ draad des gespreks weder op.

„Het is verbazend moeijelijk juiste definities te geven, mijnheer van Uphoeve! en ik ben de eerste, om te erkennen, dat mijne toepassing der uwe op den heer van Lennep, onregtvaardig zoude zijn. Ook is hij niet de ťťnige onzer auteurs, die de populariteit afgodeert ten koste van den waren roem.”

„Als dat geen contradictio in terminis heeten mag,” borst de Weledelgeboren Meester uit. Albert herinnerde zich de regelen van Barbier, door Beets vertaald:

O volksgunst, volksgunst! Is zij niet de groote onkuische,
Voor ieder veil, die tot haar naakt,
Zoo slechts zijn bloed voor haar van schand’lijke ontucht bruische,
Zijn arm naar heure omhelzing haakt?

en hernam:

„Populariteit en roem, mijnheer! populariteit en roem zouden ťťn zijn? – Populariteit, die zoo min afhankelijk is van zuiveren smaak als van grondige geleerdheid, de eenige waarborgen van den laatste? – Populariteit, die ten onzent, dikwijls zonder dat zij er zelve van bewust is, den achteruitgang in de hand werkt? – Populariteit, die voor het volk schrijft en, dicht, al heeft zij niet eens een helder begrip wat de toestand van ons volk eischt, wat volk is? – Populariteit, die populariteit, who stoops to conquer, ijdeler ijdelheid, dan die der ijdelste vrouw, zij zou hetzelfde zijn als waarachtige roem! – Doch zoo wij elkander zullen verstaan, dan moeten wij wel tot de roeping eens schrijvers terugkeeren. Gij houdt het er zeker voor, dat hij er geene hoogere heeft, dan zich van de taak van uw’ maÓtre dea plaisirs te kwijten op het gebied van den geest?”

„Het zijn ten minste mijne lievelings-auteurs, die dat doen.”

„En wanneer ge, bij ongeluk, eens een werk ter hand neemt dat zich verstouten durft iets anders, iets meer te zijn, – dat geschreven werd om u op te zweepen, dewijl uwe traagheid voor opmaning doof is, – dat den moed heeft eene overtuiging tegen uw vooroordeel over te stellen, – dat met warmte spreekt, waarin gloed is, want de dichter heeft gelijk, als hij zegt:

„Doch werdet Ihr nie Herz zu Herzen schaffen
„Wenn es euch nicht von Herzen geht!”

wat doet gij dan, digt flappen?”

„Maar wie leest zulke werken, mijnheer Olverts! Ik, ten minste, laat mij niet gaarne uit mijn behagelijk evenwicht brengen.”

„Goede hemel!” riep Albert, „gij eischt dat een auteur zich studie van hoofd en hart getrooste – om u crÍme fouettťe voor te zetten! Geen’ anderen indruk dan een’ streelenden – als de tijd gedood is, werd het doel bereikt. – Is er wel een armzaliger schepsel op Gods aardbodem dan uw lievelings-auteur? ge leest hem om te vergeten! Het slechtste boek heeft nog te veel tijds en talents gekost voor zulk een doel!” –

Wij verbazen er ons over, dat Albert zich over dien smaak verwonderen kon! Hoe vele lezers onzer dagen zijn niet anders dan groote kinderen, die gaarne in een’ letterkundigen kaleidoskoop zitten te kijken, – een’ romantischen, een’ poŽtischen, een’ historischen kaleidoskoop, n’importe, mits er maar afwisseling in de figuren heersche, en zij, na er honderd te hebben bekeken, tot elkander kunnen zeggen:

„– Nu de honderd en eende! –”

„De zon steekt waarlijk,” klaagde HenriŽtte.

Was het een sein om terug te keeren!

Brielle begreep het dus.

Maar de mechanicus had naauwelijks gewend, daar zeide zij: „ Wat spijt het me, dat wij het Russische voorspan in het geheel niet gezien hebben!”

De menner van den moorenkop mogt straks nog al in den lof van caprices uitweiden.

„Ter Veere is wis weeÍr van stad gereden,” voer zij voort.

„Ik geloof het niet, mejufvrouw!”

„Het is waar – uw paard –”

„Is even vermoeid als Bijou,” viel van Uphoeve in.

„Toch niet,” zeÓ de menner van den moorenkop.

„Als gij dus wilt, mijnheer! – ik zou zoo gaarne –”

En Brielle was veel te beleefd, om zijn ros niet nogmaals de baan naar het Kalfje te laten afdraven.

Maar HenriŽtte genoot hare overwinning slechts ten halve, want Albert droomde voort over de populariteit. Hij was bar tegen van Uphoeve uitgevaren, – de plaats, de snelle rid, het gezelschap, waarin hij zich bevond, weÍrhielden hem zijn gevoelen verder te ontwikkelen, – men doe hem dies geen onregt. In zijne mijmering zweefde hem het beeld van een onzer grootste vernuften voor den geest, wiens populariteit hem benijdenswaardig scheen; de man, die niet tot zijn’ tijd neerdaalde, maar zijne tijdgenooten tot de hoogte, waarop hij stond, trachtte op te heffen, de man, die zich een halve eeuw lang toewijdde aan verlichting des hoofds en veredeling des harten, de man, die, bij de burgerkroon, hem daarvoor verschuldigd den lof verdiende de herschepper van ons proza te zijn geweest – wie herkent van der Palm niet?

Nog een woord.

Verdenk Albert’s ijver tegen de valsche populariteit onzer dagen, van betweterij noch eigenliefde; hij had kwelduivel genoeg aan zijne liefde voor de kunst. Neen, het waren niet de scheeve voorstellingen van den toestand der fraaije lettere ten onzent, den buitenlander van tijd tot tijd in de handen gespeeld, welke hem ergerden; bij het overbrengen in vreemd talen van verzen, welke niemand in ernst meer fraai vindt, – bij de verzekering „que Drost marchait sur les traces de van Lennep! – bij het gedrang om Marmier te ontmoeten en ge omarmen, – (de harde les van Bowring heeft geen’ indruk gemaakt!) beklaagde hij hen, die zwak genoeg waren gaarne geprezen te worden, door wie hen in hunne grootste verdienste niet kunnen waardeeren, in hunne nationaliteit! Een andere prikkel dreef hem voort dan die des alledaagschen lofs, het verlangen de kunst de plaats te zien innemen, welke haar toekomt, haar medehefboom te doen worden tot onze ontwikkeling als zelfstandig volk! Veertig, vijftig jaren lang werd allerlei talent, aan een’ enkelen, aan een’ thans versleten vorm besteed; we ontvingen eene litteratuur van verhandelingen, we werden oppervlakkig zonder weÍrga. – Scott werd ook ten onzent bekend, het is voor hem synonym met bewonderd; maar de navolgers kwamen, en gaven ons, in plaats van werken in zijnen geest, werken in zijne manier; en de natie, die voor vijftig jaren der Schrijfsters van Willem Leevend al veroorloofde, geene enkel harer vooroordeelen, geene enkele harer dwaasheden, geen enkel harer gebreken te sparen, verlustigde zich in de laatste tien jaren in ridders en roovers, welke God geve, dat beide uitheemsch blijven! – Er verhieven zich enkele stemmen tegen die bastaardij; Geel – wij behoeven zijnen lof niet te verkondigen – Geel drong aan op:

„deege deeglijkheidt,”

men mogt zich met eene omwenteling in den stijl vleijen, – objectiviteit in de beschouwing, individualiteit in de behandeling, – poŽzij en geene rhetoriek meer, – een open oor voor de stem van het letterkundig geweten! –

Waarlijk, Albert was een pessimist, daar hij zoo dikwijls loochende, dat al die beloften vervuld zijn, – hij was een gek, wanneer hij zich zelven het eerst van allen geeselde over het terugkeeren van den ouden Adam!

Er is immers ten onzent geen letterkundige meer, wien niet van den ochtend tot den avond, als hij uitschrapt, als hij doorhaalt, als hij verscheurt, als hij bekort, als hij overwerkt, het beeld der sybille voor den geest zweeft: „Hoe schaarscher bladen, hoe hooger heure waardij?”

Al onze auteurs achten immers dien dag huns levens verloren, waarop zij den valschen goden hebben geofferd, door het vieren eener gemoedelijkheid, waarbij alle verstandelijke kracht, alle zedelijke zin indommelt, door het toegeven aan eene antipathie voor burgerlui en gemeen volk, die van de ontwikkeling van het menschelijke vervreemdt?

Populair of niet populair, ieder hunner leeft immers in de verwachting des dags, waarin ook hem rekenschap zal worden afgevraagd van zijn doel en zijne middelen, van den tijd hem vergund, van het talent hem bedeeld, van gaven en genie, die wij benijdden en dat wij huldigden?

„Ik zie het Russische voorspan nog niet,” zeÓ HenriŽtte.

„Het Russische ?” hernam Albert, „hoe kunt gij tocb belang stellen –”

„Ik heb op met al wat Russisch is,” viel van Uphoeve in. „Czaar Peter –”

„Die leerde te Zaandam timmeren,” brak Albert den ouden deun af; „en ik zal gelooven, dat er een tijd zal komen, waarin wij alles van de Russen zullen moeten leeren – als wij maar lang genoeg den kreeftengang gaan.”

„Kreeftengang, mijnheer! wel, in Rusland heerscht tegenwoordig zin voor allerlei beschaving.”

„Het is waar, mijnheer van Uphoeve! Mademlle Taglioni is te Petersburg geŽngageerd.”

„En Mademlle Rachel gaat er waarschijnlijk naar toe.”

„Of de aansprekers van den stads-schouwburg medegingen!” dacht Albert.

Het leed schier geen twijfel meer, dat ter Veere de hoogte van het Kalfje had bereikt.

Brielle prikkelde den moorenkop met hand en stem.

„Heerlijk!” borst HenriŽtte uit.

Het ging nog sneller.

„Ho, Wim! ho!” riep een der beide heeren, die op zij’ van de zonderlinge slede stonden.

„Dacht ik het niet, dat gij me eene poets woudt spelen ?” lachte de menner van den moorenkop, „dat ge mijn paard midden in den ren zoudt willen –”

„Neen, maar Byou, schoon niet geschrikt, kan naauwelijks bijhouden,” antwoordde van Uphoeve.

„Het is om bang te worden,” zeÓ HenriŽtte.

Brielle hield oogenblikkelijk in.

„Bravo!” riep de Weledelgeboren Meester.

„Maar het Russische voorspan,” fluisterde HenriŽtte, van achter haren sluijer, terwijl hare schoone oogen zegevierden.

Weder in gestrekten draf!

Daar daagde het op, het lang gewenschte Russische voorspan, en ter Veere werd zoo vriendelijk toegeknikt, dat Albert zich op de lippen beet van spijt.

„Ik dacht toch, dat het mooijer was, dat Russische voorspan,” zeÓ HenriŽtte.

De moorenkop hijgde – zou Brielle, toen hij hem later hals en manen streelde, – het dier boette er met eene ligte verkoudheid voor, – niet bij wijlen eens aan zijne liefhebberij voor caprices gedacht hebben? –

Van Uphoeve haalde onder het naar huis rijden, naar huis stappcn, hadden wij moeten zeggen, nogmaals van de populariteit op; het was toch waarlijk pleizierig, algemeen te worden bewonderd, enz. enz.

„Er is een trots,” beweerde Albert, „die naar hooger krans staat, die niet voldaan is met iederen lof; er is een trots, die het meer eere houdt, gepoogd te hebben, schoon de uitslag falen was, dan het nooit te hebben gewaagd, eene sport hooger te klimmen, dan men vůůr hem klom. Maar die trots rust niet louter op eigenliefde, hij is het gevolg der kennis; hoe verre men het buitenslands bragt; hij is niet denkbaar zonder innige liefde voor het land zijner geboorte! Wat noem ik het trots? het is eene soort van priesterschap van het goede en schoone; toewijding, zelfverloochening, zijn er de voorwaarden van!”

„Met zulke begrippen loopt men gevaar dol te worden,” zeÓ van Uphoeve.

„Of niets te leveren,” meende Brielle.

„Tot van avond, mijnheer Olverts!” fluisterde HenriŽtte, terwijl zij in een rijtuig wipte, – het was eene lieve attentie van den Weledelgeboren’ Meester.

„Tot van avond!”


Hoofdstuk IIAlbertHoofdstuk IV