E. J. POTGIETER (1808-1875)

ALBERT.

IV.

Welk eene heerlijke gelegenheid voor tegenstellingen, in de manier van onze jonge dichtschool, verzuimen we, welk een aantal en toch’s laten we liggen, wanneer wij ons grootmoedig onthouden van eene schildering, hoe Albert zijne weerkomst vergeleek met zijn’ afrid, en zich beurtelings vleide HenriŽtte’s liefde te hebben verworven, en zich beurtelings verweet HenriŽttes’s gunst te hebben verbeurd; minnaar en dichter te over, om zijn’ toestand in wisselzieker licht te zien dan ons ooit op een’ wisselzieken April-morgen van den wisselzieken’ trans bescheen. Grootmoedig zeiden wij: maar wie zal het ons dank weten, die begrijpt, dat ons doel verder reikt dan de schets eener onzekere verloving, – en lezers, die dat niet deden, wenschen wij ze ter goeder trouw?

„Van Uphoeve is toch l’homme aux petits soins,” zeÓ de menner van den moorenkop, toen hij zijn’ knecht de zorg voor het nog hijgend dier had aanbevolen, en met een tikje van goedkeuring afscheid nam; „vindt gij niet?”

Als stilzwijgen toestemmen is, dan vond Albert het ook, – immers hij gaf geen antwoord; hij oogde het rijtuig van den Weledelgeboren’ Meester na, dat de brug vast opreed.

„Doch ter Veere is de ware Jacob,” voer de mechanicus voort.

„Louter caprices,” mompelde zijn makker.

„Wat zegt ge? zij waagt er mijn goed paard, zij waagt er mijn juweel van eene slede, zij waagt er uw, van Uphoeve’s, mijn eigen dierbaar leven aan, –”

„En het hare,” viel HenriŽtte’s minnaar in; hoe de liefde toch alles verontschuldigt en vergoÍlijkt!

„O! dat staat haar vrij, maar zij waagt er ons allen tevens aan, en dat louter om het genoegen te hebben, hem even toe te knikken! Wilt ge nog volhouden, dat haar die rijke, die mooije jongen –”

De plagerij ging te ver.

„Ik zeg toch,” brak Albert den schalk af, „ik zeg toch, dat die Utrechtsche poort zoo leelijk niet, is, voor den tijd, waarin zij gebouwd werd,” – van Uphoeve’s koets was reeds onder haren boog verdwenen.

„Mijnentwege,” hernam Brielle, „moogt ge beweren, dat ze mooijer is dan de Haarlemmerpoort; maar in uwe plaats, Olverts! zou ik willen weten, of HenriŽtte –”

„Ik bid u, zeg de Willemspoort,” viel Albert in; „de Franschen zijn genezen van hunne herdoopingsmanie; wij beginnen aan dat euvel mank te gaan: men moet van zijn’ tijd wezen, jongenlief!”

En wat drommel hebt ge er tegen?”

„Dat zij dus genoemd werd! niets, dan dat de oude naam duidelijker uitdrukte werwaarts zij leidde, dat ik dat Willems niet begrijp. Als die naam haar ter gedachtenis van den Intogt, des Konings werd gegeven, – zij is sedert, zij is heden nog voor het publiek gesloten; er is sympathie tusschen onze Bouwkunst en onze Wetgeving: wat af heet, is nog niet af, – dan had het ten minste Tweeden Willemspoort moeten zijn. Doch dit zij zoo! een ding verbaast mij slechts, en wel, dat men haar niet de Klassieke poort heeft geheeten.”

„De Klassieke poort?” hernam Brielle lagchende.

„Heeft zij dan geene zuilen, man? en nemen ook wij de definitie van de Engelschen niet over: in klassieken stijl is een Stadhuis een portiek geflankeerd met zuilen, – is eene Kerk een portiek door eene rij zuilen geschoord en met een’ toren getopt, – is eene Poort eene dubbel wachthuis met een portiek, neen, waartusschen een zuilengang den winden vrij spel laat – zonder zuilen geene klassieke architectuur, alles wat zuilen heeft is klassiek.”

„Spotter!”

„O! het is zeker, dat wij in de Bouwkunst hoe langer hoe knapper worden, ons hoe langer hoe minder bekreunen om ons klimaat, om onze zeden, om onze behoeften; van alles wat wij stichten durven wij getuigen, wat onze groote dichter van het Amsterdamsche Stadhuis profeteerde:

„Herstellen is misstellen,
„Wie dit hervormt, misvormt.

„En het zal uitkomen ook, even als de woorden van Vondel bevestigd zijn, sedert wij het achtste wonder van de wereld in een paleis herschiepen.”

„Ik moet zeggen,” viel Brielle in, „dat ge gelukkig zijt in het kiezen van uwe bewijzen; maar anders, vriend! zich op te werpen tot den verdediger van den bouwtrant onzer vaderen, een stijl, die geen stijl was, – zie, in uwe plaats hield ik nog liever vol, dat HenriŽtte niet verliefd is op ter Veere.”

Dat was onhandig van den schalk, Albert had gewonnen spel, ťn om het onderwerp van HenriŽtte af te leiden, ťn om gene zijner theoriŽn aan het oordeel van den mechanicus te toetsen.

„Een stijl, die geen stijl was, vriend! een Hollandsche, met uw welnemen, al is hij nooit in een handboek der bouwkunst beschreven. Ik wil die oude, kronkelzieke Haarlemmerpoort niet in mijne bescherming nemen; maar dat had zij boven de Willems vooruit, dat zij bitter weinig verwachting inboezemde, en de waarheid, het harmonische is i-e-t-s in architectuur. Zoo dikwijls ik haar doorreed en de handigheid van den koetsier bewonderde, die ter regter noch ter slinker stiet; zoo vaak ik haar door ging en de kilte van het gewelf de kroon zette op de sombere gepeinzen, waartoe de stads-singels uitlokken, –”

„Alles verval!” zeÓ Brielle.

„Een gemacadamiseerde weg voor de rijtuigen,” hervatte Albert, „en schier geen gebaand pad meer voor den voetganger; – zeg eens, jongen! Mirabeau viel op zijne knieŽn toen hij de Londensche trottoirs zag; hij had op met een volk, dat den voetganger eerbied toedroeg – wat zou hij van onze singels hebben getuigd?”

„Niets stichtelijks,” zeÓ de mechanicus, „zoo min als van het plaveisel en den toestand der wallen op mijn eiland.”

„Och ! spreek niet van onze achterbuurten,” viel Albert in, „trots al onze zindelijkheid geldt daar:

„Denn wo nicht immer von oben die Ordnung und Reinlichkeit wirket
„Da gewŲhnet sich leicht der BŁrger an schmutzigen Saumsal
„Wie der Bettler sich auch an lumpige Kleider gewŲhnet.

Maar wij waren aan de Haarlemmer-... aan de Willemspoort; zie, hoe vele malen ik haar ook inkwam, weleer heb: ik mij nooit geŽrgerd aan het burgerlijk voorkomen van den Haarlemmerdijk, aan de hoefsmid-stalletjes van het Plein; doch voortaan denk ik de arme zuilen te beklagen, uit de wolken gevallen, tusschen de kale Eerste honderd roÍ en de even kale Vinkebuurt! –”

Maar Albert! –”

Maar, Brielle! het is zoo gemakkelijk, met den bouwtrant onzer vaderen den spot te drijven; doch juister dan zij den ligchamelijken en zedelijken toestand des volks in huizingen en gestichten aanschouwelijk te maken, beter dan zij het deden het oorspronkelijke met het geriefelijke te vereenigen, zelfs in den dooden steen het karakter van onzen zin uit te drukken, zou dat ook zoo gemakkelijk zijn? Hebt gij ooit beproefd u de harmonie te verklaren, welke er in de stadsgezigten onzer oude’ meesters tusschen het levende en het levenlooze heerscht?”

„Ter Veere is groot liefhebber – van schilderijen,” zeide Brielle.

„Het is mogelijk, vriend! maar ge hebt u daar straks zoo ophakkerig aan den oud-Hollandschen bouwtrant vergrepen ” dat ge mij weerleggen moet, zoo ge kunt, dat er ťťnheid was, tusschen middel en doel, dat het eigenaardige, wat ik der oud-Hollandsche steden toeken, louter eene schepping mijner fantasie is. Luister. Zoo dikwijls ik vreemdelingen hoor klagen over de moeijelijkheid, om, ten onzent, in Amsterdam b. v., den weg te vinden, dewijl de eene gracht zoo zeer op de andere’ gelijkt, dat zij die ter naauwernood kunnen onderscheiden, dan denk ik onwillekeurig aan de burgerlijke gelijkheid in ons Gemenebest te huis. Iets algemeeners. Als ik vreemdelingen er zich over zie verbazen, dat de woningen onzer aanzienlijksten schaars, ik had wel mogen zeggen, geene koetspoorten hebben, dan is het mij, of men den lof van den eenvoud hunner zeden verkondigt: Jan de Witt, die slechts ťťn’ dienaar had. WeÍr iets bijzonder-Amsterdamsch. Wanneer vreemdelingen er op smalen, dat we zoo weinig zin voor gezelligheid hebben, dat soms de fraaiste vertrekken des huizes tot kantoor dienen, dat we er de suite door verliezen, dan blijkt de handel nog de hoofdzaak, en wordt de sprekendste trek van ons volkskarakter mij door dat gebruik aanschouwelijk.”

„Maar, dat zijn losse opmerkingen, vriendlief! – als ik van den ouden bouwtrant spreek, dan bedoel ik huizen met luifels en luiken.” –

„O! er was uit den gevel van zulk eene hollandsche woning meer te leeren dan ge gelooft! Is het niet, of die kleine klinkers, zoo netjes gevoegd, zoo rein gewasschen, ons de historie vertellen, hoe de eigenaar zijn’ rijkdom allengs verga‚rde, hoe hij dien slechts langzaam verwierf, steen voor steen, stuiver bij stuiver? De stoep, een paar treiden hoog, waar het moerassige van den grond er niet meerder eischte, duidde hij niet den dubbelen zin des bewoners aan, van het lastige straatgerucht te zijn ontslagen, zich voor de ziekelijke kelderlucht vrij te waren? Bezie de smalle deur, nog in tweeŽn gedeeld: is zij geen blijk van den eenvoud der zeden, van de heiligheid van den huiselijken haard: „Zoo ligt niet binnen, vreempje!” Vergeet toch den gladgeschuurden klopper niet, waarop de vrouw des huizes zoo trotsch is, dien zij hoort tot in de achterwoning, – haar oog gaat over alles, – die niet omwonden wordt, dan wanneer het blijde moederschap haar voor eene wijl van de zorg der huishouding ontslaat. Wat smaalt gij op den luifel, die het zonnelicht uit het voorhuis weert, hoe genoegelijk, hoe vertrouwelijk is het op den laten achternoen in’ zijne schaduw een praatje te houden, op de banken ter zijde van de deur! Wij hebben veel lichts gebragt, waar onze voorvaders weinig togts toelieten; maar hoeveel rustiger, hoeveel warmer sliep men op de boven-kamer achter die luiken; zij sluiten alle gedruisch buiten, alle gedruisch behalve het akelig brandgeklep; doch wie zou in de veeren blijven liggen, als zijn buurman, als zijn verre vriend in nood is? En bovendien, hoe zwaar dat luik zij, hoe schril het op zijne hengsels krasse, de dochter des huizes weet het zachtkens op te stooten; het zal vader noch moeder wakker krijschen, als zij gist dat hij komen zal, als ze zijne stem meent te hooren, als zij hem; ondanks zijn’ plooijenrijken mantel, onderscheidt en herkent, in de schaduw van iep of linde, in den maneschijn, die het water van de gracht verzilvert. –”

„Hoe kon ik zoo dom zijn,” borst Brielle uit, „er mij over te verbazen, dat ge met onzen ouden bouwtrant ophadt? dŠt alleen, dat vensterke, waaronder men zong, was immers genoeg? Als ter Veere u in dat opzigt de loef had willen afsteken...”

„Scherts als ik gedaan heb, vriend! er was iets nationaals in dien bouwtrant, dat eerbied eischt; hij verzinnelijkte niet, als de ordes der Grieken, hij vergeestelijkte niet als de Gothische; maar de trapsgewijze toeloopende geveltop, in wiens midden een enkele groote steen was gevoegd, waarop eene vrome spreuk prijkte, bewees te gelijk, dat men wist, in welke luchtstreek men bouwde, en dat men het geloof in harmonie had gebragt met het leven. Voeg er de dubbele eigenaardigheid bij van de grachten en het geboomte, die liefde voor het element, waaraan wij alles verschuldigd zijn, die zin voor de natuur, door handel noch nijverheid verstompt. Het zou mij weinig moeite kosten u ook in het inwendige der woning de overeenstemming tusschen heer en huis aan te toonen; of spreekt de koopman niet uit die liefhebberij voor kelders en zolders, uit zucht, van alle ruimte partij te trekken?– ik wijs u liever op de hallen en wagen, waarin wij denzelfden bouwtrant weÍrvinden, hier door luttel sieraden ietwat verfraaid, dŠŠr rijk aan bewijzen van een’ zin voor het fantastische, dien wij niet begrijpen, dewijl allerlei invloed van vreemden zijne ontwikkeling heeft belet. Voor mij, ik vind er niets verbazends in, dat mannen, die zoo wel wisten te bouwen wat hun paste, toen de welvaart aanwies, tot twee, tot drie, tot viermalen toe Amsterdam uitlegden op eene allengs grootscher schaal, dat zij om hun oud stedeke telkens prachtiger gordel sloegen en te gelijk eilanden bebouwden, van welke honderde kielen zouden afloopen, opdat de welvaart in overvloed verkeeren mogt.”

„Dat is valsch-doen,” riep Brielle, „gij hebt over dit onderwerp nagedacht.”

„Minder dan ge meent,” hernam Albert, „want ik beken, dat het mij nog niet duidelijk is geworden, waarom onze voorouders, die er in slaagden iets karakteristieks-Hollandsch te stichten in het Amsterdamsche stadhuis, te vergeefs beproefden iets karakteristieks-Hervormds te bouwen in eenigen tempel voor onzen eeredienst. Doch waar ik van overtuigd ben, zie, dat is, dat wij sedert hunne dagen niet zijn vooruit gegaan; dat er, niet alleen ten onzent, maar alom een vloek op de hedendaagsche bouwkunst schijnt te rusten, alsof zij, spijt al haren trots op de kennis van allerlei stijl, bestemd is om niets geschikts te leveren voor het doel, waartoe men het stichtte, – de eerste eisch, welke die kunst moest bevredigen. Ik zeg niet, dat het ons aan faÁades of inscriptiŽn ontbreekt...”

„Het Paleis van Justitie, b. v.,” merkte Brielle aan.

„O! die bouw heeft iets ironisch, dat stuitend is,” hernam Albert, „onze geregtigheid in verband gebragt met onze ongeregtigheid, het halfgestoffeerde Paleis van Justitie, zoo als men zegt – eene Fransche benaming, die waarschijnlijk in zwang is gekomen, omdat men niet wist, welke soort van Hof er in zetelen zou – verrezen uit de puinhoopen van het geslechte Aalmoezeniershuis. Onze pleitbezorgers beweren, dat het zwaar hooren en slecht verstaan is in de Groote Zaal – mogen arme kinderen ten minste bij de verplaatsing hebben gewonnen! Want als zonde bekennen half zonde boeten is, dan was het ons beter, dat gedenkteeken van den gruwel en van de deernis eener groote stad dagelijks voor oogen te bebben, dan schier in den waan te worden gebragt, dat er niet langer zulke kinderen worden geboren en verlaten!”

„De penning van wie te laat ter Beurze komen,” zeÓ Brielle „wordt zoo slap ingevorderd,, het aantal overtreders is zoo zeer op weg de handhaving der wet onmogelijk te maken, dat men waarlijk in verzoeking komt te gelooven, dat er geene behoefte meer is aan die bijdrage.”

„De Beurs!” viel Albert uit, „de Beurs! eene andere proeve van onzen zin voor de Bouwkunst. –”

En hij hield eensklaps op.

Wie er zich over verbaze, Brielle deed. het niet.

Ook bij zweeg.

Maar terwijl zij eene wijle mijmerende voortgingen, gedacht Albert den bouwval der vroegere, die zoo lang open lag, die nog open ligt, als wilde het Bestuur ons eene scherpe, sprekende tegenstelling leveren van den ijver, die er in de dagen van haren bouw heerschte, een’ ijver, dien Hooft schilderde in de profetie van de Vecht, uit zijnen Geeraardt van Velzen. Luister hoe hij zingt:

Daar slaat men eenen grondt, zeediep, van palen sterk,
En kroont den Aemstel met gewelleft metselwerk,
Onwrikbaar door zijn wight; om boven op te laden
Zwaarlijfde zuilen; ’s Beurs voortreflijke sieraden;

en ons het tafereel der algemeene werkzaamheid op den Dam, in de Waal, langs den IJkant, op den Oceaan aanschouwelijk maakt, door eene vergelijking, waarin ge den man herkent, die de natuur lief had, tot bespieding harer geheimenissen toe:

Zoo bezigh zijn de byÍn, by zoomerzon, in ’t Gooy,
Daar zoete boekweit bloeit; als zy (om in de kooy
Te zeer bevollikt, niet elkandre te verdringen)
Uitleiden haar geslachts bejeughde aanwasselingen:
Oft als zy vliegen d’een aan d’andre te gemoet;
En nemen af den last van ’t aangewonne goedt;
Oft als zy yverigh den klaren honigh vaten,
Met zoete lekkerny opvullende de raten:
Oft als zy keeren uit, met al haar burgery
Den hommel, een gediert zoo nyver niet als zy,
Het is er drang en drok, en nergens ziet men luijen:
De honigh geurigh ruikt naa de uitgezooge kruijen.

 „Verheven, benijdenswaardig dichter!” riep Albert uit, zoo vaak hij zich, na de herlezing dier plaats, verlustigde in de breede omtrekken, waarmede Hooft de roemruchte feiten van een handeldrijvend heldenvolk schetste, de roemruchte feiten zijner tijdgenooten: „Verheven dichter! die teregt den Lissabonschen Taag de wenkbraauwen voor het IJ deedt nederslaan, al hongen zij, volgens uwe oorspronkelijke uitdrukking, van ouds begruist, vol gouden zants; verheven dichter! die de verovering der IndiŽn genoeg meendet te prijzen voor de veroveraars, voor uwe landslieden, voor uwe verwanten, door het bestaan mannelijk te noemen, – maar die al uw beeldenschat uitstorttet, maar de oudheid zelve plonderdet, ter verheffing van het eerbiedwaardig ongeluk: Barendsz en Heemskerk op Nova Zembla!” Maar hoe de toon der vurige bewondering overging in dien van den bitteren weedom, als hij onze flaauwe dagen met dien tijd van kracht vergeleek; de bekrompene deugd onzer eeuw met den heiligen ijver van het voorgeslacht, en er dan bijvoegde: „Benijdenswaardig dichter! die slechts waarheid zongt, toen gij uwen medeburgers den hoogen roem toekendet mannenharten te zijn, en moeden van vermogen, hervormers in geloof als in staatkunde, meesters zoo in wetenschap als in kunst!”

Houdt ons de uitweiding ten goede; die liefde voor, die studie van, die herinnering aan het verledene, verklaren Albert’s gepeins, verklaren het gevoel, dat hem aangreep, als hij onder het voortgaan over het noodbruggetje op het Rokin, – dat versleten zal zijn, eer het vervangen wordt door brug of kade, – den bouwval weemoedig aanzag. Dikwijls was het hem daar, of de leegte zich eensklaps voor zijne verbeelding weder aanvulde, of hij onder die herschapen gangen en op dien weder gewelfden boog andermaal de schare ontmoette, welke hij er in vroege jeugd had gekend, – zij die in 1830 Holland, het Holland der zeventiende eeuw, herboren waanden, even als zij dit geloofd hadden in 1813, en echter ter ruste gingen, eer hunne vermetele hoop werd verwezenlijkt! Ware Albert Duitscher geweest, die inval zou hem, bij zijn’ zweem van dichterlijken aanleg, hebben verlokt, bij maneschijn op den bouwval te gaan zitten en er etwas unheimisches van te leveren, om de haren te berge te doen rijzen. Het Hollandsch gezond verstand had er hem gelukkig voor bewaard; maar of, zoo lang er geen krachtiger volkszin ontwaakt, zoo lang de lust tot onderzoek niet algemeener wordt, zoo lang de kunst vreemd blijft aan ons leven, de indruk van het ijdele dier verwachting goede gevolgen bad in zijne onvoldaanheid met het heden; beslis het, zoo gij het durft. –

Een duw van een’ voorbijganger, wien het nooit zou gelukt zijn te raden, waaraan Albert dacht, een in het water geworpen steen, een spel van licht en schaduw, was genoeg om den wakenden droom te storen, om het verval dubbel afzigtelijk te maken. O, de parodie der regels van Vondel, waarin deze de plaats van het achtste wereldswonderstuk aanduidt:

Daer nu de zuil ’t gewelfsel stut,
Doock eertijts in zijn rieten hut
De visscher, die met list van fuicken
Den gaeuwsten Aemstelvisch bedroog.

De parodie dier regels, welke hij er bij wijle aanschouwde, als de havelooze ellende, op een der schier-eilandjes van den Dam gezeten, zich bezig hield met in den modderpoel te visschen, hoe deed zij hem het gemis van Loots betreuren, die deernis zou hebben gevoeld met den bouwval, die de gevallen grootheid zou hebben gewroken!

Albert zweeg nog altoos, en dacht, – ge moogt het gelooven, lezeres! hoe vreemd het u klinke – aan hen, waaraan hij al dien tijd, slechts met luttel tusschenpoozen, had gedacht, sedert hij zijn’ voet van den Aemstel hief, en ondanks dat hij Brielle het stilzwijgen afvergde: een weinig aan van Uphoeve, – veel aan ter Veere, – meest, o, ik zeg niet te teeder aan HenriŽtte, die zoo grillig was en al evel zoo vriendelijk „tot van avond!” riep.

En de menner van den moorenkop? Ook hij brak de stilte niet af, ook hem was de geprojecteerde Beurs een steen des aanstoots – waarover niet langer met eene aardigheid viel heen te wippen. Wat had, zij hem er vele opgeleverd! Eerst de profetie, dat onze dagbladen een’ bluf wat ben je me zouden slaan, als Amsterdam Parijs de loef afstak: Parijs, dat eene Beurs heeft, die ge voor alles aan zoudt zien, voor eene kerk, voor een paleis, voor een’ schouwburg, slechts niet voor wat zij, war‚tje! toch is; eene Beurs, mijnheer! Toen de bekrooning van een stuk, waarvan men geen gebruik dacht te maken, „een navolgenswaardig voorbeeld,” zeÓ de schalk, „voor alle letterkundige maatschappijen; wie zou er niet naar streven eene medaille te behalen, als men zeker kon zijn, dat het werk boven en buiten het bereik der kritiek zou blijven?” Eindelijk, we vermelden het misschien te laat, den Londenschen beursbrand, neen, de gelegenheid daardoor beiden steden aangeboden, in traagheid te wedijveren; de bekrompenheid van het London Exchange-Committee, dat plannen vroeg, of in Griekschen of in Romeinschen stijl, terwijl ons programma wel vierderlei opvatting duldde, en last, not least de vinnigheid der Engelsche dagbladen, over een’ smakeloozen steenhoop te meer,” waarbij „de schim van Wren zuchten zou!”

Het werd ons vergund een kijkje te nemen van een model, waarover men niet verlangde dat iemand een oordeel zou uitbrengen; het was de laatste stof voor eene aardigheid.

Want van toen af begon het eindeloos gewawel in Avondbode en Handelsblad, van wie geen verstand van de bouwkunst hadden en toch een loodje in de schaal wilden werpen; want van toen af dreigde de heer Zocher zich op de hoogte der hangende tuinen in den mantel van een overwaardig stilzwijgen’ te zullen wikkelen, en hield woord ook; Brielle had te veel gezond verstand om dit amusant te vinden.

Het Instituut werd wakker, en werd verzocht weer voort te, slapen – de laatste aardigheid van den menner van den moorenkop, „dat we geene Academie en geen Instituut voor niemendal hadden,” ging er bij om zeep! –

Er werd. een begin gemaakt met het heijen; het gerucht liep da tde grond ongeschikt scheen, en de kunstzin van den mechanicus vleide zich, dat men een voorwendsel had gezocht en gevonden.

„Het is een eervolle aftogt,” zeÓ Brielle, en Albert zag uit zijne mijmering op, en schudde het hoofd.

„Vlei er u niet mede,” hernam hij. „Het plan, waarvan de vervaardiger zelf nog niet schijnt te weten, wat de uitvoering kosten zal, en waarop dus evenmin is toe te passen, dat het

                                                        „Wijs en rijp
„Beraetslaeght, en bepaelt in zyn vereischt begrijp,
„Bespiegelt door en door, in ’t oogh der Trezoorieren
„En Burgermeesteren,

werd aangenomen, als dat men er de voorkeur aan gaf, dewijl, om nog eenmaal Vondel’s lof van het vroeger bestuur aan te halen, dewijl

                                                       uit meer papieren
De waerste tekeninge, en de eÍlste niet ontbrack,
Waer aen de breede Raet in ’t endt zijn zegel stack;

dat plan zal uitgevoerd worden, de jongste volksfeesten zijn er borg voor!”

„Den paradox, jongen.”

„Of het er een ware! doch de zegebogen en vreugdeteekens bij de laatste plegtigheden, bij het bezoek van den Erfprins, bij de inhuldiging des Konings opgerigt, hebben bewezen, voor wie oogen had om te zien, dat alle zin voor het schoone is uitgedoofd! Het viel aan het Bestuur niet te wijten, dat Amsterdam noch op een’ anderen Barlaeus noch op een’ anderen Vondel bogen mogt; maar dat zelfs de heugenis te loor ging, hoe de Ystad voor twee eeuwen vorstinnen plagt te ontvangen: zie dat overtrof alles, wat ik mij armzaligs van onzen tijd had voorgesteld!”

„Gij hadt er van Uphoeve mee moeten vervolgen.”

„Waartoe?” was Albert’s antwoord, „hij zou ons verzekerd hebben, dat de lofdichters bewonderaars vonden. En bovendien, wie onzer heeft het niet geduldig aangezien, dat men der smaakvolle dochter uit een Duitsch koningshuis, – die de letteren, zoo men zegt, lief heeft; die het vooroordeel wil overwinnen, dat in haar geboorteland het kind tegen zijne moeder koestert, de taal van Opitz tegen die van Maerlant, – dat men haar de Godsdienst vertoonde, een grootje met een kruis, (dat wij overal bij slepen,) te midden van eene schare schimmen van den Olympus; immers zoo Amor en Hymen zich in die afschaduwingen hebben herkend! Het bleef er niet bij. Ook bij de inhuldiging trotseerden de dunne pijlers van de Noodbeurs den wensch der menigte, die ze gaarne voor eene wijle had zien verdwijnen, om ruimte te hebben, ruimte voor haar, die den Koning wilde begroeten, bij het afleggen van den eed; – die ons liever veertien dagen beurs had doen houden in St. Olofskapel, of op de Nieuwenbrug, die eerste vergaderplaats van Aemstels kooplieden, dien noordschen Rialto, in de dagen onzer vaderen, – dan dat schouwspel te missen, of slechts gedeeltelijk te genieten. Ook toen, zeg ik, stelden zij de verwachting: des volks te loor; een ander tafereel werd er tegen opgehangen, en we zagen een licht, dat uit den hemel daalde, en in eene stem verkeerde, die Hollandsch sprak; we zagen dat in den jare 1840, te Amsterdam, dat Kruseman, Moritz en de Pieneman’s binnen zijne muren had.”

„Doch het waren slechts vertooningen voor het volk, vriend!”

„En moesten het daarom verwijten voor de kunst zijn? Neen, Brielle! de kwaal schuilt dieper; en het zou onbillijk zijn slechts het Bestuur hard te vallen. De smaak des algemeens is niet zoo vele eeuwen ten achter, als men vermoeden zou uit het velerlei middelmatige, dat er voor het volk wordt geschreven of geschilderd; maar die der hoogere standen is er nog verre van zoo gekuischt te zijn, als het vernis der beschaving doet onderstellen. Wilt ge er een bewijs voor? sla den hedendaagschen kerkenbouw gade, de eindelijk veroorloofde ontmomming de gevels der bedehuizen onzer Roomsch-Catholijke medechristenen, de talrijke blijken van de zucht onzer Hervormde geloofsgenooten, hunne tempelen te verfraaijen...” „Het oude versje,” viel de schalk in, „het versje:

„Geus, Paep, Menist,
„Elk schraapt zijn kist.

moet veranderd; leÍgen is aan de orde van den dag.”

„En wint de stad er bij?” voer Albert voort; „getuigt eene van de drie herscheppingen – ik eisch waarlijk niet veel, – dat men tot de overtuiging kwam, welk een gewigtig werk bouwen is, dewijl het onze begrippen vereeuwigt, dewijl het deze veraanschouwelijkt, den lof of den spot des nageslachts prijs geeft?”

„Dien des tijdgenoots reeds,” viel Brielle in, „denk aan de Heerengracht bij het Koningsplein. Of is dat een leerspiegel, hoe men niet bouwen moet?”

Avis aux Wallons!” zeÓ Albert, en lachte om de koddige opmerking.

„Het is het eerste vrolijke gezigt, dat ik u den ganschen morgen heb zien zetten,” plaagde hem de menner van den moorenkop; „jammer, dat het zoo kort duurt! daar is de wolk al weÍrom. O! wat zal HenriŽtte –”

„Mijne woning is niet verre meer,” hernam Albert, „het zou wreed zijn zoo ik het u tot daar niet gunde. En echter, vriend! denk er eens over na, hoe het komt, dat een enkel gesticht onzer dagen zoo is uitgevallen, dat het, hoe zeer slechts een her- en een bij-bouw, te gelijk onze behoeften bevredigt, en den lof des vreemdelings wegdraagt; zou het ook wezen, dat niets den Amsterdammer zoo duidelijk is als wat de handel eischen mag van een Dok?”

„Het treft weergaloos ongelukkig,” riep de schalk hem toe, „dat het geene mode is, het dames te laten zien; ge zoudt, HenriŽtte anders kunnen overtuigen, dat ge toch met iets vrede hadt!”


Hoofdstuk IIIAlbertHoofdstuk V