E. J. POTGIETER (1808-1875)

ALBERT.

V.

„Daer ’t bruiloftbedde duikt in versche mirtebladen,
En avontstarrigh licht zijn glans verspreit door ’t groen;”

zeide Albert in zich zelven, toen hij, na den eenzamen maaltijd, uit zijne mijmering oprees, om naar de Maze te gaan, en HenriŽtte te vragen, of – doch wij zouden den lezer zijne verliefde droomen, zijn onherroepelijk besluit mededeelen, zoo wij niet vreesden onder de weelderige schildering te zullen blijven, in die beide regels van Vondel schemerig-aanschouwelijk, twee regels, in welke Albert onwillekeurig al zijne hoop, al zijn verlangen lucht gaf.

Laat ons dat woordeke al terugnemen, want ofschoon hij den spot dreef met platonische liefde, schoon de verloochening van het menschelijke hem een gruwel was, toch streefde hij; naar loutering van het zinnelijke, toch, – maar het rijtuig was voor, maar hij stapte er reeds in. Wie zich in dit eene aristocratische koets, met liverei en wapenschild voorstelt, hij bedriegt zich; het was niets beters dan eene burgerlijke vigilante, die karakteristieke uitvinding onzes tijds, les jouissances ŗ portťe de tout le monde. Ik zie er voor mij, die bij dat woord, die bij dezen lof den neus ophalen: „men wordt er in neergetrokken naar de laagte der straat,” zeggen zij, „ook laten, de veeren veel te wenschen over,” op de keijen vooral, niet waar? een het geraas is ondragelijk;” – ik bid u, ga niet voort. Gij zoudt er ons door uittarten u een bewijs te leveren, hoe zalig men zich trots dat alles op die coussins pondreux wanen; het is eene dubbele verzoeking, dewijl we daardoor oggezocht een verschrikkelijk minnedicht van Bilderdijk zouden contrasteren; wij meenen een minnedicht, door dezen, in afgrijselijk weder, op een’ voorbeeldeloos hotsenden bolderwagen geschreven; neen, voor de vuist opgezegd, en trots al het galmige onthouden, want er staat ex tempore onder gedrukt. Maar gij gunt ons de vigilante, mits wij u den uitval sparen, en wij scheiden er van met de enkele tegenstelling, dat Odilde haren minnaar bij het afwippen der trede te gemoet vloog, dat Albert zoo gelukkig niet was.

Immers, der woning van de Maze ingelaten, zag hij HenriŽtte – die hem in den gang niet eens gewaar werd – een ander vertrek dan de gezellige huiskamer binnenzweven. Zoo zijn gehoor hem niet had bedrogen, klonk haar uit de zaal eene mannenstem tegen. En als dat oreille en campagne ditmaal niet te vergeefs op de voorposten had omgezworven, dan dan zweemde die stem naar – doch moest dan de Weledelgeboren Meester dien ganschen dag in zijne verbeelding spoken! o jaloezij! Weinige schreden nog, en hij zou weldra de overtuiging hebben, of hij zich al dan niet had bedrogen; hij trad de huiskamer in, – Anne ontving hem, – gekleed, gekapt, gereed om met hem naar het concert te gaan – maar in gezelschap van ter Veere!

Het was Albert te moede of hij droomde, of hij ijlde! De beide medeminnaars reeds weder ten harent, HenriŽtte met van Uphoeve in gesprek! En de plaagzieke zuster, die zijne verwarring genoot, zij stelde de twee Heeren zoo schalk aan elkander voor; zij deed het Albert den jongeling van het Russische voorspan, met zooveel nadruk als den vriend van HenriŽtte, „met wien zij buiten veel genoegen, o zoo veel genoegen had gesmaakt!” Juist die overdrijving barl hem het ijdele zijner vrees moeten bewijzen; maar hij was niet bedaard genoeg om na te denken, en toen hij het zich waande, wat baatte het hem? Te vergeefs zeide bij tot zich zelven, dat het slechts toeval kon zijn, dat hij ter Veere juist dien avond daar aantrof; te vergeefs trachtte hij zich te overreden, dat hij hem vroeger ten huize van de Maze zou hebben ontmoet, zoo hij te Nijmegen inderdaad de verklaarde minnaar van HenriŽtte was: geweest! Hij herhaalde, hij beaamde het nogmaals, en echter: bleef hij afgetrokken, peinzend, stil, ondanks dat het gesprek Gelderland gold, Gelderland, waarmede hij dweepte, Gelderland, dat hij zoo gaarne huldigde met den wierook van Staring:

Gij, vruchtb’re dalen, waar de zon
Haar schichten koelt in bron aan bron,
Waar ’t veldgebloemte vroegst ontluikt
En langst aan winters magt ontduikt;
Waar Echo, als de meimaand keert,
Den zang van duizend vogels leert;
Gij, bosschen! die daar tusschen ’t graan,
Wanneer de sikkels veldwaarts gaan,
Op nieuw versierd met lenteblad,
Smaragd gelijkt in goud gevat!

Het oord was zijne eerste liefde – hoe zou het hem mogelijk zijn geweest in te stemmen met het alledaagsche: „O het is er heerlijk!” van Anne, met het nog prozaischer: „Zoodra de spoorweg klaar is, huur ik er een’ optrek,” van ter Veere. Neen, het kon hem niet invallen voor zulk een gehoor zijner bewondering bot te vieren van dien dichter, welke hem zoo’ dikwijls had verplaatst op de heuvelen, waaraan hij den rang van bergen bedeelde, dewijl zij over meer verschiet heerschen, dan ons vaderland behoort, – een’ dichter zulk eene natuur waardig, als hij de beken aarzelen doet werwaarts te vlieten, daar de schoonheden der dreef hier en ginds even uitlokkende zijn. Of had dat paar voor hem ooit, zoo als Albert, de armoede onzer letterkunde betreurd; ooit, zoo als hij, haar volslagen gebrek gevoeld aan aanschouwelijke natuurbeschrijving? Honderde onzer schrijvers en dichters hebben daar gereisd, genoten, geleefd; maar wie heeft partij getrokken van de studie, die er lust had moeten zijn; wie zag die natuur met de oogen eens minnaars? De uitdrukking, hoe vurig, is flaauw, – wie toonde zich doordrongen van het besef, dat hij een goed werk zou hebben gedaan, zoo hij tot de ontwikkeling van den zin voor haar schoon bijdroeg!

Erger u niet aan de klagte, of kent gij Hollandsche vernuften, die landschappen hebben geschilderd, zoo als La Martine; dorpen geschetst, zoo als de talentvolle Miss Mitford; tafereelen van velden wouden jagten vischgeneuden geleverd, zoo als Howitt; oogsten bezongen, zoo als de ťťnige Burns; bloemen con amore en met kennis geteekend, zoo als Nodier! Het is eene mijn, die op te delven valt, voor wie de hand aan de spade wil slaan; maar tot heden beschaamt de waarheid onzer schilderschool, waarop wij zoo trotsch zijn, onze litteratuur deerlijk. Wat is de natuur der laatste anders, dan eene kleurlooze overlevering, eene conventionneele stoffaadje! „Drievierde onzer poŽten,” beweerde Albert vaak schertsende, „bezingen haar zoo als Hagedorn het in menig lied eene linde deed; toen hij er de opmerkzaamheid des publieks op had gerigt, zag de eerste boerenkinkel de beste, dat het geene linde was. Och! of wij niet schilderden, niet bezongen, dan wat wij zagen, en wisten en voelden!” voegde hij er dan bij, tot bitter zelfverwijt hem den mond sloot.

En zoo iets hem uit die stemming opbeurde – wij zeggen niet, dat zij het hem op dat oogenblik deed – wat was het anders dan de gedachte, dat een opregt berouw verzoent en beterschap werkt, dat hij GŲthe te zeer bewonderde, om niet in zijne school vooruit te gaan?

Wij geven hem bloot voor de verdenking van blinde afgodeering van dien Jupiter des verstands, eene afgodeering, waarin te dikwijls de hulde van leerlingen voor den meester ontaardt; wij haasten ons er bij te voegen, dat ook Albert onderscheidde tusschen Johan Wolfgang en Zijne Excellentie, tusschen de schrijver, die zich zijnen roem verwerven moest, en het orakel, welks onbeduidendst woord werd opgeteekend. Hij ging nog verder en vreesde echter niet te ver te gaan; gebrekkige natuurkennis moge der zon vlekken toedichten en misschien gispen, wat zij, beter toegerust, prijzen zon; gebrekkige menschen kennis waagt niets bij de erkentenis, dat ook het grootste poŽtische genie onzes tijds onvolmaakt was, dat zijne strekking – maar wie heeft den moed, wie vooral heeft het regt, de hand aan de weegschaal te slaan voor een’ man, die niet schroomde waar te zijn, schoon de waarheid alle bekrompenen ergere moest?

Zoo dikwijls Albert de Bekenntnisse einer schŲnen Seele las en herlas, verbaasde ook hij er zich over, dat zijn christelijk zin elders in de schriften van GŲthe zoo weinig, zoo zelden bevredigd werd.

En echter waagde hij het niet, daarom den staf over hem te breken, – even weinig als bij Schiller om die GŲtter Griechenlands veroordeelde.

Alle gaven van hart en van geest, waartoe zijn ze ons verleend, dan ter ontwikkeling? Streven naar harmonie tusschen het zinnelijke en het zedelijke is, moest het doel van ons leven zijn. En wat anders kan tot deze leiden, dan vooruitgang in kennis, of, wilt gij het bepaalder uitgedrukt, opregtheid in zelfstudie, open zin voor de wereld, die ons omringt, voor de orde welke zij verkondigt, voor de schoonheid, waarin deze wordt volmaakt! „Laat ons eerbied toonen,” sprak Albert, „voor elk, wiens woord, en daad bewijzen, dat hij ter goeder trouw naar deze streefde, – eerbied, hoe onderscheiden dan ook de zin, die hij hem overweegt, van den zin blijke, die ons in de hoogste mate ten deel viel, – eerbied van den vroede voor den vrome, van den gevoelige voor den verstandige, – eerbied, die ons ten minste beware in anderen het euvel te gispen, waaraan wij zelven mank gaan, het euvel der eenzijdigheid, die nergens vermeteler vonnis strijkt, dan waar zij regt meent te hebben tot de aanklagt over gebrek aan geloof!”

Gebrek aan geloof! zonderling verwijt voor hen, wier studie hen het eerst van allen moet hebben overtuigd van de engte der grenzen, waarbinnen de menschelijke geest is beperkt!

„Of de bekrompenheid zich harer aanmatiging schaamde,” barstte Albert bij wijle uit, „of zij zelve de letteren leerde spellen van het boek, dat zij meent te begrijpen en te dikwijls slechts naklapt: het boek der wetenschap, of der kunst; het boek der natuur, of der openbaring! Luttel studie, en wij zullen verbaasd staan, dat zoo weinig van wat wij het onze waanden, inderdaad, het onze was; – langer studie, en de schemering van den twijfel zal ook op ons dalen, zwart en zwaar; – ten derdenmale nog ijveriger studie, en het flaauwe licht, dat ons opgaat, zullen wij liefhebben tot den marteldood toe, want het zal onze overtuiging zijn! Het is eene vlugtige schets van de historie aller groote genieŽn – de vreeze, de ouderdom vooral, mogt een’ enkelen Galilei, wat hij waarheid hield, doen verloochenen; terwijl hij zijn stelsel herriep, was zij nog sterker dan hij, fluisterde de grijsaard zijns ondanks: „e pur si muove,” – helaas! de geschiedenis der meeste groote genieŽn is even zeer een kort begrip van verkettering! Verkettering, hoe! GŲthe, de natuuronderzoeker, die navorschte van den steen tot de planten, van het levend woud tot het levender gedierte, van het instinct tot het verstand, GŲthe zou niet geloofd hebben – weg met de onderstelling! een geest zoo veelzijdig begaafd en ontwikkeld als de zijne, zou niet hebben mogen aarzelen, hoe zich dier Voorzienigheid waardig uit te drukken, welke voor hem in de onafgebrokene, in de wonderbaar zaamgeschakelde reeks van stoffe, van aandrift, van ziel leefde, een Wezen voor zijne hulde te groot, en te hoog! „GŲthe was geen Christen!” beweert men, driest weg, zonder een’ zweem van meegevoel voor den kunstenaar, die zoo noode van de schoone wereld des heidendoms, van de plastische kunst der Grieken scheidt; „GŲthe was geen Christen!” Verre zij het van mij die blaam, hem aangewreven, terug te werpen op de maatschappij, met het verwijt, dat hij haar christelijker zou hebben geschilderd, zoo bij haar in daad en niet in naam christelijker had gevonden! „Strijd gij om in te gaan,” was het verheven woord des Heeren, indien uw christendom op overtuiging rust, – en geen, ander heeft waarde noch invloed – dan zal noch pantheÔsme (het woord lag u op de lippen), noch eenige andere afgoderij het doen wankelen. Al wat ik wilde, dat wij van den dichter, zouden leeren, was kunst, zin voor het schoone, heerschappij over den vorm, waarheid van voorstelling! al wat ik van hem las, gaf mij de overtuiging, dat hij ook van ons individualiteit in onze ontwikkeling zou hebben geeischt, – indien wij er dus in slagen kennis en geloof, natuur en openbaring in overeenstemming te brengen, te hooger zal onze voldoening, te harmonischer ons leven zijn!

„O gelukkigen!” voer hij dan voort, „die ten onzent de: grootsche gedachte zult verwezenlijken, door Oehlenschlšger in, zijnen Correggio meesterlijk uitgedrukt,” meesterlijker dan eene’ vertaling haar kan wedergeven:

SILVESTRO.

Ik acht de kunst de wonderbare brug,
Den regenboog van levendige stralen,
Die de aard’ verbindt aan ’s hemels hooge zalen.

ANTONIO.

Der godsdienst taak!

SILVESTRO.

                            Neen, die staat onverwrikt,
Onzigtbaar als een Cherub, maar verkwikt
Aan ’t schoone zich, en heft op hare wieken
Het fraaije spel der kleuren! –

En echter, Albert had ter Veere onregt gedaan! Welk een gloed, welk een geest in zijne beschrijving van het leven des kasteels – den lustrid te paard, de wandeling in het lommer, het togtje op den vloed – de Diergaarde – Cleve, en den ouden Marcobrunner van Maiwald zum FŁrsten Moritz von Nassau! Met de helft van dien zin voor genot zou een schrijver fortuin maken, want in het fraaije landschap dartelden de lieven zijner kennis om.

„Kersen plukken,” zeide hij, „kersen plukken, zie, wanneer er een aasje poŽzij in den jonkman schuilt, dan moet zij aan het licht komen, als hij in het tengere boompje zit, dat met hem in de lucht wiegelt. O dat pleizierig neÍrgluren, als het blonde of bruine kopje onder hem zich achterover buigt, om de mooiste te vangen! Hoe tantaliseert bij ze, zoodra hij eene volrijpe trits gewaar wordt, door die niet af te schudden, door die van tusschen de stoffige of glansrijke bladen naar hem toe te halen, en de kersen, glimmend van den frisschen regen, of laauw nog van de heete zon, in zijne vingers te laten heen en weer bengelen; andere Paris, maar die het kleinste handje kiest van al de poezele naar hem uitgestoken, die de vruchten schalk neer laat glijden... Het kleinste handje? de liefste lippen had ik moeten zeggen, die het meest naar kersen zweemen, rond en rood als deze; de mooiste vergelijking voor lippen, mevrouw! al is ze ook de oudste, – ik heb het honderdmaal gedacht als HenriŽtte –”

„Kersen ving?” viel Anne in.

Albert wriemelde onrustig op zijn’ stoel heen en weer.

„Kersen ving, juist!” hernam ter Veere, „ge zijt hare zuster in schalkheid, mevrouw! maar immers niet in rancune? Verbeeld u, ik heb haar op eene van mijne schetsen gebragt, louter kopij der natuur; eene hut met een dak van riet en mos, ter zij van de woudbeek, waarop de zon speelde door de twijgen van het gebladerte heen; twijgen, die er van weerszijden over reikten, of zij elkander wilden omarmen. Het was; een alledaagsch, maar allerliefst tooneel, – in haar wit gewaad maakte zij op de zodenbank, die half in de schaduw, stond, een heel aardig effect; haar strooijen hoed bengelde aan, het lint over haren linkerschouder, vier of vijf kroeskopjes van den daglooner stoeiden om haar; de stouterts wierpen kruimpjes wittebrood in het water, om te zien, hoe de vischjes die ophapten. Ik dacht de groep zoo te nemen, – de dreumels klapten in de handjes, zoo vaak de schubben hun te gemoet glinsterden; er sprak een aard uit ieder kind, en zij zelve scheen dit als ik te zien.”

Albert kon zich niet weerhouden den teekenaar goedkeurend toe te knikken.

„Daar kwam een zesde kroeskop, de kleinste van allen, aanspringen; zij stond op, zij tilde hem van den grond; ik geloof dat het schaap niets aan had, dan een hemdje, maar dat was rein als sneeuw, en zie, zij hield het schalkje boven het water, opdat ook hij kruimpjes in de beek mogt kunnen gooijen, ook zien, hoe de vischjes boven kwamen. Weergaas! wat deed zij het bevallig, ik schetste dat het een’ aard had, en ik slaagde; maar daar zult gij zelve eens over oordeelen. Ik heb het u maar verteld, om te hooren, of gij het nu wel zoo heel ondeugend van mij vindt, dat ik op mijne schets van dat jongske een minnegoodje maakte? Zijn mollig handje kwist de kruimpjes, maar zijne oogen zien haar aan, en zij, ze weet zelve niet hoe zij het heeft, – is dat nu zoo heel ondeugend? Niemand vond. het zoo, iemand als zij alleen, en dat misschien slechts, dewijl ieder ie de schets zag, er bij uitriep: „Ha, HenriŽtte!”

„Zij heeft er mij nooit iets van verteld,” viel Anne in.

„O! maar ik heb er voor geboet, zij heeft mij rancune gehouden, rancune tot den laatsten dag toe. Zoo dikwijls ze sedert bemerkte, dat ik mijn potlood te voorschijn haalde, wist zij een voorwendsel te vinden om –”

Om, mijnheer!” vroeg Albert.

„Om – het hooge woord moet er uit, – om mij den rug toe te keeren, allerbeleefdst, het is waar, maar ook allerbeslotenst; zoodat zij op de overige teekeningen slechts zelden voorkomt, en die weinige malen maar zijdelings, meest altoos heengaande.”

Albert lachte, maar het was een pijnlijke lach, want het zou hem liever zijn geweest, zoo zij op geene zijner schetsen meer was afgebeeld, – hij had geen’ moed te vragen, of ter Veere ook teekeningen uit den kersenboom had.

„Doch ik moet revanche bebben,” voegde de jongeling van het Russische voorspan er bij, „ik dacht er heden ochtend dadelijk aan, toen ik haar in het Kalfje ontmoette, zij vergunde mij de eerste gelegenheid de beste – het zou wel aardig zijn, als ik haar schetste, zoo als ik haar later zag, in de grillige ijssleÍ van Brielle, aan iedere zijde nog een heer... mijnheer geloof ik.”

„En mijnheer van Uphoeve,” voegde Anne er met nadruk bij, „mijnheer van Uphoeve, die ons van daag aan tafel lastig viel met een billet voor mijne zuster, „om een half uur belet, liefst heden nog,” en die” – zij zag op de pendule – „die dat half uur indiscreet lang rekt.” –

Als Anne niet op het punt was geweest, naar het concert te gaan, als haar ongeduld zijne vergoelijking niet vond in hare liefde voor de muzijk, ik zou geene kans zien haar van onbescheidenheid vrij te pleiten. En echter raad ik al mijne lezeressen zich zelfs in zulk eene ure te beheerschen, want een oogenblik later had de vrouw des huizes hare klagte kunnen sparen; HenriŽtte trad de kamer in. Een zegevierend blosje tintte hare wangen ietwat donkerder dan heur rood plagt te: zijn, – wat zag zij verbazend ernstig! – waarom schrikte ze toen zij Albert gewaar werd? Het was wellevend, het was, meer, het was heusch van ter Veere, dat hij zich hield als . merkte hij hare verwarring niet op, dat hij haar van het lastig staren van Albert, van het lachje, waarmede Anne de ontstelde lieve op een’ stoel naast zich troonde, bevrijdde: hij, stelde haar voor, op den eersten mooijen ochtend dier week, de curiositeiten van Natura Artis Magistra met hem te gaan zien. Zij mompelde iets tot antwoord.; de jongeling van het Russische voorspan hield het beleefdelijk voor eene toestemming – hij verzekerde haar, dat het der moeite waard was, een kijkje te nemen van dien Zoologischen tuin.

„Waarin wij Londen en Parijs naar de kroon steken,” viel Albert in.

„Ten minste beginnen het te doen,” hernam ter Veere, „of is de opgang, dien de zaak gemaakt heeft niet iets ongehoords? In een enkel jaar –”

„Zoo vele dwaasheden te bedrijven –”

„Als we leden wonnen? dat is wat kras, mijnheer!” brak op zijne beurt de jongeling van het Russische voorspan Albert af; „het is waar, de voordeelige Schikking, en de dood van den Orang-Outang –”

„Dat zijn dingen, om met gulden letteren in de Jaarboeken van het genootschap te vereeuwigen, een genootschap, mijnheer ter Veere! dat de studie der natuurlijke historie ten onzent populair zal maken, van huis uit, van den leeuw af, niet waar?”

De menner van het Russische voorspan schudde lagchend het hoofd.

En de dames! Ik weet niet in het hoeveelste artikel van het wetboek der wellevendheid de geheime verstandhouding in gezelligen kring verboden wordt, maar ik weet wel, dat vrouwenoogen dit gebod niet eer handhaven voor ook wij het wagen dat te overtreden.

Anne had gevraagd, HenriŽtte had geantwoord, maar het viel Albert in, te luisteren, – alles met de oogen, en de vrouw des huizes bestrafte hem, door zelve boete te doen.

„Lieve HenriŽtte!” zeide zij, „het heugt mij, hoe weinig u een vroeger bezoek van zulk eene menagerie voldeed.” –

„Menagerie?” riep ter Veere,„en echter kunt ge gelijk hebben; het is winter, de dieren zijn opgesloten;” –

„Goddank!” viel Albert in, „dat wij het nog niet zoo verre hebben gebragt, dat wij ons verbeelden, dat lorres en apen in het plantaadje-plantsoen inheemsch zijn – beeren en buffels c’est autre chose.”

„Maar mijnheer ter Veere zou mij niet vragen,” – begon HenriŽtte.

„Als ik mejufvrouw HenriŽtte,” hernam ter Veere, „buitendien niet iets heel bijzonders had meÍ te deelen.”

„Dat was mijne meening niet,” zeide zij, „ik bedoelde, als die tuin iets had van de spellen van –”

„Van Aken, mejufvrouw! de voorwerpen zijn wel dezelfde, doch de inrichting is geheel anders, nog wel niet zoo als in den Jardin des plantes.”

Mais Áa viendra, Áa viendra,” schertste Albert; „intusschen bestaat het pleizier hier als in al die tuinen, in het nemen van proeven, of een olifant ook appelen lust, en hoeveel beschuiten bruintje kan opmummelen. Eťn ding maar is jammer van den onzen...”

„Wat?” vroeg ter Veere.

„Dat ge in Natura Artis Magistra nog geen’ giraffe hebt, – onze poŽzij zou er een nieuw beeld bij winnen, een takje meidoorn is immers eene dťlice voor het beest? Een nieuw beeld, hoe de doornen zelfs liefhebbers vinden! het is zeven giraffes waard, want het zou onverslijtelijk wezen, even als de overige dierlijke togten, waarmee wij menschelijke deugden opluisteren!”

Maar ter Veere had, ondanks al zijn’ geest, te veel esprit de corps – men wordt solidair tot voor de dwaasheden! – maar ter Veere herinnerde zich te zeer den blik, door Anne op de pendule geslagen – de wijzer helde over aan de kwade zij van acht, – om langer te blijven. Eene bede aan HenriŽtte het bezoek te wagen „den eersten dag waarop de zon hen geene rancune zou houden,” volgde op eene beleefde buiging voor Anne, – de jongeling ging niet heen zondor Albert te bedreigen, dat hij hem voor zou stellen tot lid van; Natura Artis Magistra. „Ge hebt wetgevers noodig en geene poŽten!” hernam deze, en ter Veere had de hielen geligt, en de toebereidselen voor het concert begonnen – spoedig had de kamenier kalessen en mantels gebragt; Anne beweerde onder het digtstrikken der laatste, dat HenriŽtte niet had moeten beloven mee te zullen gaan; ik geloof, dat zij haar louter met een verschiet van drie dagen hoofdpijn kwelde, om nog eenmaal het woord van dien ochtend te herhalen:

„Gebrande kinderen schromen ’t vuur.”

Albert zag haar aan; mevrouw de Maze voer voort:

„En Willem beschaamt –”

Nous autres par sa sagesse,” viel HenriŽtte in,. „il n’en fait point parade.”

Er volgde een oogenblik stilte; Door had toch nog iets vergeten; Albert brak het pijnlijk zwijgen af:

„Willem!” riep hij.

Op vloog het jongske van zijn prentenboek en stak van verre de handjes uit naar den biscuit, dien Albert uit een mandje op tafel had buit gemaakt, en naderde en aarzelde.

„Op mijne knie, Wim!”

„Ik durf niet, mijnheer!”

„Foei, dat is geen jongenswoord! – waarom niet?”

„Om ’t vuur, om ’t leelijke vuur,” pruttelde de knaap.

Albert wachtte er zich wel voor redeneren; zijn in beweging gebragt regterbeen beloofde en paardrijden, waarvan Willem te dol liefhebber was, om er verzoeking weerstand, te kunnen bieden.

„Naar den Haag, bles!” riep het jongske en greep intusschen naar den biscuit.

„Niet voor dat je me zegt, waarom je bang voor het vuur bent, Wim!”

„Er is geen spelen meÍ,” zeÓ de knaap.

„Spelen met het vuur, jongen?”

„Met die mooije, gele slang, zie, daar komt ze al weer naar me toe,” en er was iets koddigs in de mengeling van vrees en lust op het blozend gezigtje; „maar ze zal me niet nog eens beet hebben, al kwispelt ze als Lindor!”

„Had zij ’t je dan?”

„Oef!” zei het jongske, en liet den vinger zien met zwarte zijde omwonden,

„Oef! – ik had haar zoo lang, zoo vriendelijk aangekeken, „kom toch,” riep ik, „en ze kwam.”

„En je greept haar!” –

„Bijten deed ze me, maar ze zal ’t me niet weer doen; ook zegt Ma, dat het geene mooije gele slang is; „’t is maar vuur,” zegt Ma.”

En het jongske kreeg den biscuit, terwijl Albert tot de treurige overtuiging kwam, dat de wijsheid van gebrande kinderen ook al niet benijdenswaarrlig is – aan Wim’s vingertje stierf zijne vuurfantasie een’ nuchteren dood.

„Tot dien prijs,” begon hij, en wilde waarschijnlijk aan, mevrouw de Maze vertellen, dat het grooter is die gave te beheerschen dan uit te dooven, eene waarheid, welker toepassing wij ieder, vis ŗ vis soi-mÍme, aanbevelen, maar zag om en sprong op; Anne was met Door verdwenen, de laatste was zeker weder onhandig geweest, HenriŽtte stond bij de tafel, – alleen! O die nijdige kales, in wier plooijen haar lief kopje voor drievierde verborgen was, achter wier donzige zijde hij vreesde, dat ze zijn fluisteren niet zou verstaan, in wier scha‚uw hij niet zien kon of zij bleekte of bloosde. Maar liet zij hem dan de hand niet, die hij drukte; liet zij hem die niet toen zij hem had moeten afweren, stoutert als hij was! Doch foei, dat bespieden staat ons leelijk, een eerste kus is iets heiligs! Als gij hem gesmaakt hebt, lezer! dan wilt ge niet eens dat ik mij aan eene beschrijving wage, en als ge nooit weder werdt, bemind – arme misdeelde! waarom zou ik u dieper uw lot: doen beklagen?

Anne keerde terug, – gelukkig zonder de AbigaŽl; Anne, verraste het paar – en strikte HenriŽtte de kales af; „uw duo vergoedt mij het concert,” zei ze lagchende.

Alle verklaring werd overbodig door dat woord. „Maar, mijnheer Olverts!” voegde zij er bij, „doe dan toch uw’ koetsier wegrijden; mijn hemel! ge zult nooit een huishoudelijk man worden!”

Albert begreep den wenk, dat zij eene wijle met HenriŽtte alleen wilde zijn; was het vreemd, dat hij haar maar een oogenblik gunde?

„Mijn boetsermoen is nog niet half uit,” riep ze, toen hij ijlings terugkeerde, eis dat: ja! zeggen, zonder voorwaarde, en dat aan iemand, dien ik nooit tot zwager zal dulden, zoo hij niet afleert alles te gispen!”

„Wees gerust, zusjelief!” hernam Albert, „ik ben nu in de beste school, of weet ge niet, dat de Min alles leert:

„Ootmoedigheid, geduld en zedige manieren;
Te hopen zonder hoop, eens anders luimen vieren.”

HenriŽtte hief het hoofd uit hare verwarring op, HenriŽtte zag er zoo bekoorlijk uit, dat het overige der citatie uit Vondel in een’ kus te loor ging.

En Anne knorde niet voort; – het bewustzijn van zijn geluk scheen hem waarlijk te hebben veranderd; Albert vroeg noch opheldering over van Uphoeve, noch inlichting nopens ter Veere.

Het is waar, dat de Maze hem die, een uur later, ongezocht gaf.

Hij was van de comparitie naar het concert gesneld, zou een ander gezegd hebben, maar Jacob vergenoegde zich met gegaan, hij had er zijne dames niet aangetroffen, hij was ongerust te huis gekomen: welk eene verrassing! – Eene verrassing van drie minuten, lezer! of had hij haar niet weken lang al voorzien, had hij er op het concert reeds wel meer aan getwijfeld? zie, hij herinnerde zich nu duizende kleinigheden, die hij vroeger maar geveinsd had niet op te merken.

Anne herinnerde zich, op hare beurt, zijne vragen van dien ochtend, den derden, dien zij hem voor den geest had gespeeld – „ik zou haast zeggen, dat je snugger werdt, Jacob!” – het was zeer wijs van Anne, dat ze zweeg, ondanks dat zij zich dat alles met een schalk lachje herinnerde!

„Verbeeld, u,” zeÓ de Maze tot Albert, „verbeeld. u, van Uphoeve maakte eener piquante brunette in het oog loopend zijn hof; hij had naauwelijks den tijd mij te zeggen, dat HenriŽtte straks nog volmaakt wel was geweest, toen hij haar een’ handschoen, dien zij in zijn rijtuig had laten liggen, terug bragt.”

„Om hare hand in ruil te vragen,” viel eene vrouwenstem in.

Waarom Anne dat niet zwijgen kon?

Albert kuste het „foei”, dat op HenriŽtte’s lippen lag, verrassende weg.

„En mijn heer gemaal,” vroeg de vrouw des huizes, „mijn heer gemaal was toen zeker doodelijk ongerust over zijne lieve wederhelft?”

„Ter Veere liet er mij geene oorzaak toe,” antwoordde Jacob, „ter Veere, die het zoo druk met Brielle had over de rarekiek van eene slede, waarin hij van ochtend HenriŽtte had ontmoet, dat ik hem vroeg, of hij er eene dito wou laten maken voor zijne bruid; gij weet, dat hij in de volgende week,” aanteekent?”

„Met mijne nicht!” zeide HenriŽtte; „het mooiste meisje uit Beek,” voegde zij er bij, „maar het plaagziekste ook.”

En Anne gevoelde nog minder lust tot knorren, het scheen haar zelfs overbodig, want Albert vroeg niet alleen geene verklaring van de schets, waarover ter Veere had gesproken, Albert gispte dien ganschen avond zoo weinig, en dat weinige zoo zacht.

„Als dat zoo voortduurt!” zeÓ ze, in zich zelve, „welke wittebroodsweken zullen het zijn!”

Hoe bedroog zij zich!

Alberts fantasie ried, dat HenriŽtte ter Veere op de proef had willen stellen, of hij ook ditmaal Amor in het spel zou brengen, of hij uit de beide den regte kiezen zoude – er stak niets onkiesch in van de zijde der allerliefste; – had niet, luttel oogenblikken te voren, haar angst hem hare liefde verraden? O! zoo er iets te vragen viel, wat kon het anders zijn, dan vergeving voor zijne dwaze jaloezij?

Hoe bedroog Anne zich, erger nog! in de onderstelling van wat zij Alberts bekeering noemde!

Overstelping van geluk mogt hem voor eene wijle alles in milder, liefelijker licht doen zien, – huiselijk heil moge weldra zijne vlijmende scherts, zijn’ bitteren spot, met ietwat liefde, ietwat inschikkelijkheid temperen; – een geest als de zijne, zoo min over zich zelven, als over zijnen tijd voldaan, ziet geen’ laster, maar lof in het woord van GŲthe:

Ohne Umschweife
Begreife,
Was dich mit der Welt entzweyt:
Nicht will sie GemŁth, will HŲflichkeit!

 

de Gids, 1841.


Hoofdstuk IVAlbert