E.J. POTGIETER (1808 – 1875) en „DE GIDS”

Evenmin als die van Willem Bilderdijk (1756-1831), waren Potgieters Zwolse kinderjaren bijzonder gelukkig 1). Mogelijk heeft dit een levenslange indruk gemaakt op het voor de zachtere gevoelens zozeer ontvankelijk gemoed van de jongen, die op zijn dertiende jaar naar Amsterdam gezonden werd en daar leefde onder de hoede van zijn moeders zuster Wilhelmina van Ulsen, Hij werd opgeleid in de leerhandel van Mejuffrouw Van Hengel, met wie tante Van Ulsen samenwoonde. In 1827 trok de jongeman onder de veilige hoede der beide dames naar Antwerpen; daar begon men een hande1 in suiker. Drie jaar heeft Potgieter in de stad der sinjoren gewoond, er andere zeden en gewoonten leren kennen dan die in Zwolle of Amsterdam gebruikelijk waren. Zijn vriendschap met de vader der Vlaamse beweging Jan Frans Willems (1793-1846) heeft zijn begrip van het Nederlanderschap verbreed en verdiept 2). Hij had, als jongeman, Maurits Lijnslager gelezen en daaruit de verheerlijking van het zeventiende-eeuws verleden geleerd die hem levenslang bijblijft; hij had in Tollens’ trant gedichten gemaakt, die alleen maar getuigden van imitatie-vermogen; in Antwerpen hoort hij nu de middeleeuwse liederen zingen en brengt men hem op de hoogte van de buitenlandse romantiek. Uit deze jaren dateren zijn eerste publicaties van gedichten in het weekblad Apollo (1828) en verschillende almanakken.

De Belgische opstand doet hem, in 1830, terugkeren naar Amsterdam: er werd, voorlopig althans, een streep gezet onder een verleden dat hem dierbaar geworden was; de scheiding van vele goede vrienden ging de gevoelige jongeman aan het hart: droefgeestig en teleurgesteld moet hij zich een nieuwe toekomst scheppen 3). Hij maakt kennis met Jeronimo de Vries, met de gebroeders Klyn, met Withuys en Van Lennep, en was een aandachtig toehoorder van Isańc da Costa (1798-1860). Ook met Yntema, de redacteur der Vaderlandsche Letteroefeningen, in wiens blad hij in dichtvorm uiting geeft aan zijn hooggestemd idealistisch gemoedsleven, dat velerlei omvat: geloof, mensheid en vaderland, vriendschap en de schone sekse, alsmede het verleden, en dit alles vaak doordrenkt van de bij Rhynvis Feith (1753-1824) bewonderde sentimentele stemming. Maar naast Feith stond Anthonie Christiaan Wydnandt Staring (1767-1840). In elk geval – van wie hij het geleerd moge hebben – behoort het tot Potgieters steevaste gewoonten zijn gevoelens en gemoedsleven te objectiveren in een ander personage, liever dan ze onmiddellijk en spontaan uit te drukken. Zo schept hij thans reeds in „Wilhelms reize” de dichterlijke figuur van de hemzelf verbeeldende landjonker die hij zijn ganse leven zal handhaven.

In deze Amsterdamse tussenperiode verdiept hij zich ernstig in de moderne Engelse litteratuur, ook in Keats en Shelley 4). Een tussenperiode was het, want voorjaar 1831 onderneemt hij een reis naar Zweden die ruim een jaar duurt (tot December 1832). Deze reis bracht hem in aanraking met de hoger ontwikkelde kringen o.a, van Stockholm en Gothenburg; zij is daardoor van diep ingrijpende betekenis geweest voor zijn geestes- en gemoedsleven. Hij leert er het werk van de Skandinavische auteurs kennen, o,a. dat van de grote romantische dichter TegnŔr; hij leert er ook de jonge vrouwen kennen die zulk een onuitwisbare indruk op hem gemaakt hebben; Hilda Prytz, die wel zijn grote liefde lijkt, zal, ook na haar huwelijk met de koopman Wijk, zijn idool van edele vrouwelijkheid blijven 5). Ook ten aanzien van deze liefde – als van andere, die voorafgingen – moet hij zich terugtrekken in de resignatie, die hij objectiveerde in het gedicht De jonge priester 6). In Zweden kent hij, blijkens het bekende gedicht Holland, het heimwee naar het vaderland, welks kwaliteiten hij roemt met termen en denkbeelden, ontleend aan Jan Frederik Helmers’ Hollandsche Natie 7). Wanneer hij het land verlaat, schrijft hij het bewogen Afscheid van Zweden: het brengt ten volle de geestelijk volwassen Potgieter tot uiting, in de strakke beheersing van sterk innerlijk leven dat kracht aan tederheid paart. Beheersing van bewogenheid spiegelt zich ook in de kunstige strofenbouw, die slechts op een enkele plaats gewrongen werd. Met dit gedicht opent Potgieter later zijn PoŰzy 1832 – 1868, eerste deel. Het opent een oeuvre van hoog artistiek gehalte al mist men bepaalde aspecten die Staring levend houden, Potgieter had een grote bewondering voor Da Costa, als dichter; men vindt bij de jongere de liefde voor de apostrophe die de oudere kenmerkt; hij kan soms toon en trant van Da Costa overnemen, en toch is Potgieter volstrekt zichzelf. Hij mist het luid declamatorische van Da Costa die tot een auditorium sprak en wenste te overtuigen. Potgieter declameert niet, hij spreekt voor zichzelf heen en hij spreekt uit de innigheid van zijn gemoed. Dit onderscheidt hem wezenlijk van de oratorisch-declamatorische school, – Maar nergens vervlakt zijn spreken tot het alledaags-zouteloze van Hendrik Tollens, tot het formuleren van onbeduidendheden: hij tracht een zo groot mogelijke rijkdom aan gedachten en gevoelens tot uitdrukking te brengen – en dit in bondige vorm, rijk aan zorgvuldig gekozen woorden, waarvoor hij ongetwijfeld in de leer is gegaan bij de bewonderde Staring, van wie hij zich in zijn jeugd in elk geval onderscheidde door een grotere emotionaliteit. Krachtens eigen persoonlijkheid, be´nvloed door de beste voorgangers, geeft aldus, op kunstige en kunstvolle wijze Afscheid uiting aan beheerste bezieling op de Potgieter zozeer typerende wijze. Het zal wellicht nodig zijn, nauwkeurig de invloed te onderzoeken die de Scandinavische litteratuur op Potgieter heeft geoefend, om de herkomst van zijn dichtvorm volledig vast te stellen 8).

Eind 1832 was Potgieter terug in Amsterdam. Wederom ingekeerd in de woning van zijn tante, hervat hij zijn bezigheden als handelsman, agent van buitenlandse huizen. Bij De Vries maakt hij kennis met Jan Pieter Heye (1809-1876), via deze met Aarnout Drost (1810-1834), en via Drost met Reinier Bakhuizen van den Brink (1810-1865). Uit deze kennismaking ontstaan de vriendschap en de letterkundige samenwerking die geleid hebben tot de oprichting van De Muzen en De Gids, waarover wij iets uitvoeriger hebben te handelen.

Sinds 1827 verscheen, o.a. met medewerking van Heye De Vriend des Vaderlands. Hoewel de in dit blad vertegenwoordigde richting grote waardering koesterde voor Bilderdijk, mag men haar toch stellig niet tot de school van Bilderdijk rekenen, – wat met de bladen Argus en Nederlandsche Mercurius wel het geval was.

Toen Heye zijn medewerking moest verminderen, wist hij zich te doen vervangen door Aarnout Drost (1810-1834), die op den duur, d.w.z. vooral in de jaren 1833 en 1834, het redactiewerk practisch voor zijn rekening nam. Tot de medewerkers aan dit tijdschrift behoorde ook Potgieter, die aanvankelijk bij Yntema had meegewerkt, maar in 1833 toch meer dan genoeg gekregen had van de middelmatige, zelfingenomen man. Daar echter de uitgever de redactie te zeer belemmerde in haar werkzaamheden, verlieten Drost en Heye het tijdschrift met de bedoeling, een eigen orgaan te stichten. Dit plan werd verwerkelijkt, en 1 September 1834 verscheen de eerste aflevering van De Muzen, „een billijk en onpartijdig, van wijsgeerig-aesthetische beginselen uitgaand Tijdschrift, hetwelk een beoordeelend overzigt oplevert van In- en Uitheemsche voortbrengselen van Letterkunde en Schoone Kunsten”. Gedurende de korte tijd van zijn bestaan heeft dit blad een rol van betekenis gespeeld in het litteraire leven van die jaren. Het bracht bijdragen van enkele der voornaamste auteurs: Reinier Bakhuizen van den Brink schrijft een meesterlijke studie over Franšois Hemsterhuis (1721-1790); Potgieter werkt mee als criticus (o.a. door zijn studie over Cornelis Loots (1765-1834)) maar ook als dichter (Wilhelms reize is hier verbreed tot een cyclus onder de titel De Nalatenschap van den Landjonker, waaruit later het beroemde grote gedicht zal ontstaan); van Nicolaas Beets (1814-1903) die als dichter bijdragen levert, wordt Jose door Van den Brink gewaardeerd, en zo meer. Bilderdijk werd verdedigd tegen B. H. Lulofs, al deelt de redactie de afkeer van Lulofs van „al wat naar mystiekerij, dweeperij, veroordeeling van andersdenkenden en grillige zonderlingheid zweemt”. Ondanks de rijkdom aan en gevarieerdheid van bijdragen kon het blad zich echter niet langer dan een jaar handhaven: eind 1835 werd de uitgave gestaakt.

Een twist tussen uitgevers echter zou de jongere generatie een nieuw blad in handen spelen. De uitgever Beijerinck, verontwaardigd over een beoordeling door Yntema van een zijner uitgaven, bood Mr. C. Robide van der Aa de redactie aan van een nieuw tijdschrift; deze stelde een prospectus op, dat regelrecht gericht was tegen de Vaderlandsche Letteroefeningen, en de verschijning aankondigde van een blad, dat „de dorre en onvruchtbare kritiek der gebreken door de vruchtbare en hooge kritiek der schoonheden vervangen” wilde. Noch in het staatkundige, noch in het godsdienstige, noch in het letterkundige zou het als partijganger optreden.

Men wist zonder veel moeite Potgieter aan te trekken, en zo verscheen 1 Januari 1837 De gids, Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen. Het blad verscheen anoniem, hetgeen uiteraard intrigeerde. Het was ingedeeld in Boekbeoordelingen (in het eerste nummer 56 pagina’s) en Mengelingen (40 pagina’s) 9). Een litterair tijdschrift in de huidige zin van het woord was het blad overigens niet. In de eerste aflevering bijvoorbeeld – en voorlopig blijft dat zo – vindt men weinig over letterkunde, veel daarentegen over diverse andere zaken, Even uitvoerig als werken van litteraire aard vindt men beoordeeld de „Handleiding tot het stellen van bliksemafleiders” en een „Kort overzicht van het zekere en heilzame der homoeopatische geneeskunst”.

Voor wat de litteraire aspecten betreft, valt op, hoe Potgieter, bij de behoedzaamheid die hem altijd gekenmerkt heeft, niet naliet scherp kritiek te oefenen waar deze naar zijn mening gerechtvaardigd was. Het is op grond hiervan dat het tijdschrift later, naar de blauwe omslag waarin het verscheen, de bijnaam „de blauwe beul” kreeg. Overigens was het niet Potgieter alleen die het blad vulde, al had het er soms veel van. Nadat RobidÚ van der Aa, die het naast de autoritaire Potgieter niet lang kon uithouden, het veld geruimd had, trok Potgieter Willem Oltmans (1806-1854) en Bakhuizen van den Brink aan (1838). Bakhuizen van den Brink had theologie gestudeerd, maar vooral oude (Oosterse en klassieke) en nieuwe letteren. Hoogst intelligent, veelzijdig begaafd, hartstochtelijk en zorgeloos van natuur, overtreft Bakhuizen in alzijdigheid, levendigheid en ontwikkeling Potgieter ver, Zijn vroegere publicaties maakten hem tot een begerenswaardig medewerker. In 1838 aanvaardt hij Potgieters herhaalde uitnodiging redacteur van De Gids te worden, zeer tot genoegen van Bakhuizens mentor Jacob Geel (1789-1862), die te Leiden voor het blad propaganda maakte. Geel achtte door Bakhuizens toetreden de zijns inziens juiste richting van het blad verzekerd. Deze „juiste” richting hield in een uitgesproken voorkeur voor de idealen van de vooruitgang op alle terrein, en dat in echt „Hollandse” geest. Wel heeft ook Bakhuizen enkele romantisch-historische novellen geschreven, maar De verzoeking van den H. Antonius – in Potgieters almanak Tesselschade van 1840 – met Teniers als hoofdpersoon kan toch meer gelden dan een protest tegen de romantiek dan als een zuiver product ervan 10). Bakhuizens wetenschappelijke geest kon namelijk geen blijvende bevrediging vinden in de fantasie rondom historische gegevens, waartoe de tijdgeest hem drong; hij wenste de historie-zelf op heterdaad te betrappen. Dit had hij reeds voortreffelijk gedaan in zijn vermaarde studie Vondel met roskam en rommelpot, die in 1837 in De Gids was verschenen; in 1843 beoordeelde hij, in diezelfde geest, Matthias de Vries’ uitgave van Hoofts Warenar.

In 1843 verliet Bakhuizen het land, Min of meer gedwongen! Zijn vele schuldeisers legden hem het vuur te na aan de schenen. Hij vertrok naar Luik, waar hij bekoord werd door de schoonheid van Julie Simon, de dochter van zijn hospes, zodat hij op den duur een bestaande relatie met Geertruida Toussaint verbrak. Achtereenvolgens vezbleef hij voor archiefstudies in Bonn, WolfenbŘttel, Dresden en Weenen, en hij ontwikkelde zich tot een van onze belangrijkste geschiedvorsers. In 1852 aanvaardde hij een betrekking aan het Rijksarchief; in 1854 werd hij rijksarchivaris. Uit deze periode dateren verschillende hoogst belangrijke geschiedkundige publicaties, die ten dele in De Gids verschenen. De artistieke inslag die Bakhuizen eigen was, verraadt zich niet alleen in de keus van zijn onderwerpen, maar ook in de zeer verzorgde vorm die zijn studies kenmerkt. De richting van zijn geest doet hem een duidelijke voorkeur koesteren voor de Hollanders der zeventiende eeuw boven de Nederlanders der Middeleeuwen. Dit, echter, is nog maar zeer ten dele romantiek. Het is zeker geen vlucht in het verleden uit wanhoop over de eigen tijd; het is eenvoudig historische belangstelling voor een tijdvak uit een zeer nabij verleden. Hier geen wegdromen in schone idealen en verheven situaties, geen voorkeur voor angstaanjagende griezeligheden of hemelbestormende machten; alles blijft zeer dichtbij de Hollands dagelijkse, meest alledaagse werkelijkheid; wanneer men er, als Bakhuizen deed, de nadruk op wil leggen, dat de „nationale kunst hare kracht altijd had gevonden in natuurlijk vernuft en aanschouwelijke schildering der werkelijkheid” 11) staat men aan de tegenpool van de romantiek. Vandaar dat een man als Geel – met hart en ziel de vooruitgang toegedaan – con amore achter Bakhuizen 12) stond, en deze stelde tegenover een zo belangrijke jongere van die tijd als Nicolaas Beets was.

Ondanks deze belangrijkheid was Potgieter niet geneigd Beets aan de redactie van De Gids te verbinden. Hij waardeerde Beets overigens zeer, zoals blijkt uit een gunstige beoordeling van Guy de Vlaming, en hij stelde prijs op zijn medewerking, ook als beoordelaar. Toch leverde juist Beets’ medewerking stof tot het conflict dat de richting van het tijdschrift mede heeft helpen bepalen. Geel bleek namelijk nogal ontsticht over de opname van Beets’ prozastuk Vooruitgang, dat in de eerste jaargang verscheen onder het bij die gelegenheid voor het eerst gebruikte pseudoniem Hildebrand, Geel zag hierin een uiting van onwetenschappelijke reactie tegen de idealen van vooruitgang die hij zelf aanhing en door de redactie van De Gids wenste beleden te zien. In de voorrede van Onderzoek en Phantasie (1838) deed hij een geduchte aanval op het stuk 13). In hetzelfde jaar verschenen er echter nog vier andere stukken van Beets in De Gids, uiteraard met instemming van Potgieter, wie echter Geel’s afkeuring van dit proza dwarszat. En daarmede was het probleem gesteld: in welke richting diende De Gids te leiden? In de meer romantisch-litteraire, die een grote plaats ruimde aan gevoel en verbeelding, aan humor en op de buitenlandse voorgangers ge´nspireerde romantiek; of in de meer verlicht wetenschappelijke die Geel voorstond, de richting die streefde naar kennis der werkelijkheid en de romantiek binnen een verstandelijk en nationaal kader beperkte en verengde?

Potgieters ontzag voor Geel en zijn vrees Bakhuizen van den Brink te verliezen, deden hem opteren voor de laatste, die Potgieter persoonlijk ook het meeste lag. De medewerking van Beets-Hildebrand neemt snel af; na 1840 houdt zij definitief op.

Maar ook binnen de enge kring der eigen medestanders verliep de samenwerking niet over een pad met rozen: in 1843 dreigde een hevige onenigheid tussen Bakhuizen en de andere redacteuren het financieel toch al niet sterke orgaan, dat na 1840 door Van Kampen werd uitgegeven, in de ondergang te slepen. Bakhuizen zou voorlopig alleen de redactie voeren, maar lang heeft hij het niet kunnen doen, daar hij, zoals wij zagen, in October 1843 het land verliet. Dit was voor Geel opnieuw een reden te vrezen, dat het tijdschrift „eene minder wetenschappelijke, eene meer piŰtistische richting zou erlangen”, iets waar Geel trouwens permanent voor bevreesd was: hij bleef altijd duchten, dat Potgieter ontvankelijk was voor dweperij met het Bilderdijkianisme 14). Dat Geel speciaal naar Potgieter keek, had zijn reden: practisch was De Gids Potgieters tijdschrift: zijn energie heeft het in stand gehouden, zijn persoonlijkheid drukte er het stempel op en maakte het andere redacteuren moeilijk zich naast hem te handhaven. Dit laatste bracht het tijdschrift in 1845 opnieuw in een zeer moeilijke situatie, En al bezorgde de conciliante houding die Potgieter geleidelijk tegenover de school van Tollens aannam, hem een iets groter lezerskring, wezenlijke verandering trad eerst op, toen Potgieter in 1847, zij het niet con amore, besloot de raad op te volgen van de jurist Gerrit de Clercq, de zoon van Willem, om het blad zijn letterkundig karakter te ontnemen, de vroegere leus van neutraliteit op godsdienstig en staatkundig gebied te verloochenen, en De Gids te maken tot het orgaan van de liberale staatkunde van die tijd 15). Dit staatkundig element en het aanknopen bij de letterkunde van een vorig tijdvak hebben het tijdschrift gemaakt tot het meest gezaghebbend tijdschrift in de liberale sfeer. Ook op vele jongere litteratoren oefende het grote invloed, maar deze invloed heeft minstens niet gestimuleerd tot het scheppen van een belangrijke letterkunde 16). Een groot deel van wat de letterkunde tussen 1840 en 1860 opleverde – de tijdzangen van Da Costa, de romantische poezie van Hofdijk en J. A. Albertingk Thijm (1820-1889), de religieuze dichtkunst van Beets, Johannes Petrus Hasebroek (1812-1896), Jan Jacob Lodewijk ten Kate (1819-1889) en De Genestet – ontwikkelt zich buiten De Gids 17). De eigenlijke litteraire bloei van het blad is maar van zeer korte duur geweest; die duurde ternauwernood iets langer dan 1840. En deze bloei was dan nog meer een quantitatieve dan uitspraak van een strak bepaalde geestes- en gemoedsrichting. Het is een zoeken en tasten geweest, tot eind 1847 practisch het einde kwam van het blad als litterair orgaan, De roem die het houdt, dankt het aan zijn wetenschappelijke artikelen en aan Potgieters bijdragen,

Een groot deel van Potgieters bijdragen aan De Gids was van critische aard, dit in overeenstemming met zijn bedoeling met het tijdschrift. Belezen als weinigen, ook in de buitenlandse litteraturen, beschikkende over een degelijke schrijftrant, kon Potgieter als criticus in persoonlijke vorm een mening geven over het letterkundig werk. Werd met zijn oordeel terdege rekening gehouden, bezield heeft hij maar in geringe mate. Eer het tegendeel is het geval, zoals blijkt uit de uitlatingen van Bosboom-Toussaint. „Gij moet niet altijd knorren en niet over alles”, is het verwijt van deze vrouw 18), dat aanraakt waardoor Potgieter bezielende invloed missen moest.

Bovendien: behalve door soliditeit wordt zijn stijl vaak gekenmerkt door een duisterheid en gezochtheid die de lectuur ervan geenszins tot een onvermengd genot maken 19).

Deze negatieve eigenschappen kenmerken ook steeds meer zijn creatieve arbeid. Van de jaren 1836 – 1840 dateert „Het Noorden”, waarin hij de resultaten van zijn Zweedse reis boekstaafde. Verhalend wat hij gezien heeft, bracht Potgieter in dit werk toch wel voor alles de neerslag van wat hij voelde en ondervond; het romantisch-subjectieve element neemt een grote plaats in. „Lief en Leed in het Gooi” (1839) is een der aardigste, minst gepreoccupeerde verhalen die hij schreef. Een soortgelijke lof kan men toekennen aan „Hoe het weeuwtje uit het hof van Holland gevrijd werd” (1843), maar toen was Potgieter ook reeds bezig met het schrijven van het tiental prozastukken dat de maatschappelijk bekommerde meer dan verraadt. Het meest bekend werd „Jan, Jannetje en hun jongste kind” (1841), waarin hij, in de vorm van een allegorie, een schets gaf van het verval van Holland; aan het slot echter klinkt een optimistischer toon. Dit optimisme is niet overal aanwezig, wel de vrij sombere visie op maatschappelijke toestanden; zo in „Albert” (1841), in „Als een visch op het drooge” (1841) en in „’t Is maar een pennelikker” (1842), in „Hanna” (1843) en „Blauwbes!” (1845), – alle stukken met een uitgesproken zedelijke, soms zelfs hekelende strekking, al werd deze soms humoristisch of spottend voorgedragen. Tegenover het alzijdig waar te nemen verval stelde hij in „Het Rijks-museum te Amsterdam” (1844) het glorieuze zeventiende-eeuwse verleden met zijn grote staatslieden en kunstenaars, al aarzelt hij niet aan het slot te wijzen op het verval en de ondergang ervan, toen het volk zijn „met de liefde voor het vorstenhuis gepaarde vrijheidszucht verloor” 20). Het is allemaal degelijke en hollands-solied toebereide kost; meer tot hun stichting dan tot vermaak, konden zijn ontaarde lezers kennis nemen van Potgieters uiteenzettingen; ook zijn tijdzangen uit deze jaren zijn meer van historisch belang dan van blijvende dichterlijke waarde 21); zij demonstreren o.a. hoe Potgieter in 1845 partij gaat kiezen voor de liberalen 22), door welke stellingname hij in diepste grond in conflict komt met het wezen der romantiek. De romanticus in Potgieter vlucht in het verleden; hij vindt daar een tijdelijk verblijf, maar tevens begeert hij die oudere periode van ons volksbestaan als spiegel aan de tijdgenoten ter instructie voor te houden. Ja, veel meer dan te vluchten in het verleden en daarin een blijvend asyl te zoeken, bedoelde Potgieter de eigen tijd aan de hand van dat verleden tot hernieuwd leven te brengen. Dit pedagogisch element stamt meer uit de Verlichting dan uit de Romantiek. Hiermee hangt samen het feit, dat Potgieter zich in veel opzichten dieper verwant voelde aan de dichters van de vorige periode dan aan zijn romantische tijdgenoten. In 1849 waardeert hij, in een uitvoerig opstel over „Jacob van Heemskerk en vijf en twintig jaren Hollandsche PoŰzij” niet alleen Bogaers, maar ook Tollens en Helmers 23). Jeronimo de Vries had hem in zijn jonge jaren voor deze dichters eerbied ingeboezemd. Weliswaar komt hij dan, onder invloed van Drost, in het kielzog der volle, wijde romantiek, maar zo weinig strookte deze met zijn wezen, dat de invloed van Bakhuizen van den Brink en Geel hem betrekkelijk snel tot de hollands-verengde vorm ervan bracht, die wezenlijk meer verlichtingselementen bevatte dan romantische; zelfs de bewondering voor de Engelse humor – een toch maar zeer summiere vorm van romantiek – werd vervangen door verzet tegen de Hollandse. Van Helmers en Tollens verschilde Potgieter „niet veel anders dan door mindere gemoedelijkheid, meer verstandelijke matiging in de uiting van zijne geestdrift en..., door het gebruik van andere, meer gekunstelde of bestudeerde, minder opgeschroefde of gewild eenvoudige taal en stijl” 24).

Vele jaren later, in 1864, gaf Potgieter een „zelfkeur” uit van zijn prozastukken; het zijn de prozastukken uit de jaren 1837 – ’45. Met 1845 is inderdaad een vruchtbare periode in zijn creatieve activiteit afgesloten. Mogelijk heeft zijn behoefte om zich door studie te verdiepen, deze creativiteit in de komende jaren ongunstig be´nvloed; zeker deed dit de ontgoocheling die zijn hooggespannen verwachtingen met betrekking tot een nationale herleving ten deel viel, Hij bezit ook niet langer de centrale leiding in De Gids, en is teleurgesteld over de litteraire prestaties van wie als jongeren met zoveel talent debuteerden: Beets, Johannes Kneppelhout (1814-1885), Koetsveld. Ouderen als Tollens en Ter Haar, jongeren als Beets en Ten Kate stoot hij in de vijftiger jaren van zich af, op deze wijze zijn isolement voorbereidend 25). „De mismoedigheid gaat hare vale vleugelen boven Potgieter’s hoofd ontplooien” 26). Verderop zullen wij zien, waartoe dit geleid heeft 27).


In de jaren vijftig lieten wij een mismoedige Potgieter achter. Mismoedigheid, die ook blijkt uit zijn werk. Het novellistisch element in zijn proza verdwijnt bijna gehee1. Gedichten als Eene halve-eeuws-wake (1851), Haesje Claesdochter op ’t Prinsenhof (1855), Het uurwerk van ’t metalen kruis (1855) en Het nieuwe tolhuis der stad Amsterdam (1859) leggen getuigenis af van zijn somberheid en pessimisme. Enthousiast kon hij – na al zijn klachten over de Jan-Saliegeest in ons volk – slechts zijn, toen hij in Twente de opvlucht der industrie zag (Aan Twente, 1861); daar stond echter weer tegenover de bedenkelijke situatie waarin de vierde stand kwam te verkeren juist door de ontwikkeling der groot-industrie tussen 1850 en 1860, Als een nieuwe Tollens vraagt Potgieter aandacht voor de schaduwzijde der „heerlijke industrie” 28). De oogst aan scheppend werk is vanaf 1845, zeker vanaf 1850 tot 1863, groot noch, verheffend (het „teweegbrengen van genoegelijke, verheffende gewaarwordingen” was volgens de studie over Crabbe de „eerste eisch van alle hoogere kunst”); van meer betekenis zijn de studies over buitenlandse letterkundigen. Waar hij in eigen land maar weinig te waarderen vond, wendde hij zich tot het buitenland. Uit deze belangstelling vloeiden voort breed-opgezette studies over figuren als Beranger (1858), Crabbe (1858 – ’59) en TegnŔr (1862). Zowel Taine’s meer physiologische als Sainte-Beuve’s meer psychologische kunst- en persoonbeschouwing vinden hun neerslag in deze studies. Hij erkent, met Taine 29), ten volle de betekenis der physiologische elementen als klimaat, bodem, milieu, geschiedenis en tijd-van-ontstaan voor de genesis van persoon en werk. Hij laat er uit voortvloeien een erkenning van de betekenis der couleur locale, van het nationale element boven het „wereldburgerschap”, en een waardering van de nationale kunst, die niet Ó priori behoeft te wijken voor een als absoluut en superieur erkende klassieke kunst. Maar hij is niet geneigd tot enig cultuurhistorisch determinisme, dat aan factoren van deze aard een volstrekt bepalende invloed toekent. – In de gedachtengang van Sainte-Beuve erkent hij het individuele element der vrije persoonlijkheid, van het genie, dat in souvereine zelfbepaling schept. Dit element op te sporen, naast dat der physiologische bepaaldheid, – het in zijn groei en ontwikkeling te bestuderen zoals Sainte-Beuve deed, boeide Potgieter. „Exprimer la pensee generale qui 1’anime, saisir la loi de sa course et la tracer des 1’origine, ne fut-ce que par une ligne non coloree, avec ses inflexions fideles toutefois et les accidents precis de son developpement” 30) was het schema van Sainte-Beuve, dat Potgieter vrij getrouw navolgde. Hij deed dit met aanwending der twee geestelijke vermogens, die hij Geel als instrumenten had zien hanteren: onderzoek en phantasie. Beide dienen tot hun volle recht te komen, ook de phantasie dus, deze om plastisch gestalte te geven aan de behandelde figuur. „Cultuurhistorie veraanschouwelijken” 31) achtte hij de taak van de dichter-geleerde 32). Is hij geslaagd in zijn taak? Het negatief antwoord is meer dan een halve eeuw geleden met afdoende duidelijkheid in zijn eigen tijdschtift gegeven: Potgieter’s boekbeoordelingen vormen „een uiterst leerzame en uiterst taaie lectuur” 33). Men moet Potgieter prijzen om zijn enorme belezenheid, zijn oordeel, zijn humaniteit, zijn edel gemoed, maar het element der verrassing blijft in alle opzichten volmaakt uit. Niet omdat hij, als men zijn gehele critische arbeid overziet, aan een overgroot aantal onbeduidende geschriften een overgrote aandacht heeft geschonken. Ook Huet deed dat. Maar Huet deed het met geest en esprit. Hij wist afstand te nemen van zijn stof en ermee te spelen – zo nodig – als de kat met de muis. Potgieter slaat veeleer, naar de door Polak aan de Ouden ontleende uitdrukking, met zijn knots een vlieg dood, en zijn scherts is van dezelfde elegance als waarmede olifanten zich plegen te bewegen op het slappe koord. Deze door-en-door solide Hollander, die men alle deugden kan toeschrijven, maar niet de minste onbetamelijkheid, voerde zijn plechtstatigheid consequent door in zijn stijl, welks eigenaardigheid bestaat in zijn „eigenaardige gemaaktheid”, een affectatie, die met de jaren erger werd en zijn critische arbeid alleen maar heeft geschaad. Hoofdpijn en hartkloppingen bezorgde zij zelfs Polak, die als classicus toch een en ander gewend was. Gemaaktheid van stijl, gewrongenheid van zinsbouw, een grillige, gekunstelde voordracht had hij nodig om niet alleen de letterkundige producten van zijn tijd, maar ook zijn tijdgenoten-zelf de maatstaf aan te leggen van zijn zeventiende-eeuwse idealen, – een bij uitstek onvruchtbaar beginsel, dat ook uit dien hoofde zijn letterkundige kritiek steriel heeft gemaakt. Geen auteur vond dan ook blijvend genade in zijn oog; het door Potgieter geschapen hollands paradijs der zeventiende-negentiende eeuw bewaakte hij zelf als de engel met het vlammend zwaard, en geen – tenzij Staring – werd waardig bevonden het binnen te treden, – Steriel was hij, – het volgt uit het voorgaande –, in zijn onvermogen anderen in hun objectiviteit te zien; hij transfigureerde hen naar zijn eigen geest en beeld, zodat uit zijn critisch oeuvre slechts een gestalte levensgroot te voorschijn treedt, namelijk die van Potgieter, Aldus critizerende, heeft Potgieter niets nieuws gebracht in dit genre, maar hoogstens als overgangsvorm het pad geeffend dat loopt van de ouderwetse recensies naar de moderne psychologische beschouwing van boek en schrijver, waarvan de jongere Huet de schepper zal zijn.

Huet had in 1862 zitting genomen in de redactie van De Gids. Potgieter verwachtte van Huet’s activiteit opbouwende critiek en versterking van het letterkundig element, dat – sinds de koersverandering van 1845 tot ’47 – op de achtergrond was geraakt, Over Huet’s werkzaamheid in De Gids handelen wij bij de figuur-zelf. Hier interesseert ons wat Huet voor Potgieter heeft betekend. Hij was meer dan alleen een vriend in het letterkundige, Huet is voor Potgieter een injectie met jonge levenskracht geweest, al bleef de verhouding altijd iets van het plechtstatige en omslachtige behouden dat de negentiende eeuw te onzent kenmerkt, Invloed op Potgieters denken oefende Huet niet uit; voorzover dit zich wijzigde – en een modernistische inslag in zijn godsdienstige opvattingen is onmiskenbaar – geschiedde dit van binnen uit. Voor het ov”rige blijft Potgieter liberaal idealist, zoals blijkt uit „Een ander visioen” en „Heugenis van Wolfhezen”, beide gedichten van 1863, Het optreden van het tweede ministerie Thorbecke en Huets invloed hebben Potgieter echter in en na ’63 ongetwijfeld ge’inspireerd, zoals blijkt uit een hernieuwde productie van gedichten (naast de bovengenoemde o.a. William Shakespeare’s Geboortedag, en Eene Revue in het Bois de Boulogne, beide van 1864), terwijl uit ’64 ook dateren enkele van de beste prozastukken die hij schreef; Wenschen en Droomen, Eene novelle? en Onder weg in den regen.

Het conflict van 1865 maakte echter plotseling een einde aan beider medewerking aan „De Gids”: boven de voortzetting van zijn arbeid aan het blad dat hem ondanks alles lief was, koos Potgieter krachtens beginsel de zijde en de vriendschap van Huet 34). Het afscheid van De Gids ging hem aan het hart, en voor solaes ondernam hij in Mei ’65 niet Huet een reis naar Florence, waar dat jaar het zesde eeuwfeest van Dante’s geboorte werd gevierd. Reis en feest inspireerden Potgieter tot het schrijven van het omvangrijke dichtwerk Florence, waarin de hulde aan de ideale burger en door zijn stad uitgestoten balling Dante Potgieter te gemakkelijker afging, nu hij zijn eigen ervaringen en teleurstellingen in die van Dante kon projecteren. Het gedicht geeft een brede schets van Dante’s leven, zijn wijsgerige studies, krijgsavonturen en, voora1, staatkundige activiteit, zijn ijveren voor opheffing der partijschappen en eenheid der mensheid. Maar ballingschap is het loon van de idealist. Dan echter schept Dante zich het monument zijner onsterfelijkheid, de Divina Commedia, welks grondgedachten Potgieter nader aangeeft. Dante stierf buiten Florence; zijn leven heeft hij echter niet vergeefs geleefd, zoals blijkt, nu Italie een is zoals Dante wenste, en Fiorence hem huldigt als de nationale dichter bij uitstek. Boven alles zegeviert aldus de gedachte, dat „in schoonheid het heilige zal overwinnen”, Dante’s zegespreuk „uit het hoog verschiet”, waarmee het gedicht eindigt.

„Florence” is geschreven in terzinen, evenals de Divina Commedia. Maar de rijmconstructie verschilt toch belangrijk van die in Dante’s werk; op de betekenis daarvan worde hier niet nader ingegaan. Over de algemeen taalkundige en stylistische eigenaardigheden van het gedicht volgt verderop samenvattend een en ander 35).

Florence, in 1867 voltooid, verscheen in 1868, het jaar waarin Huet naar IndiŰ vertrok. Voor Huet’s blad schreef Potgieter in de daarop volgende jaren opstellen over letterkunde, soms weinig geschikt voor dagbladlezers in de tropen. Maar zijn wezenlijke aandacht ging in de jaren na 1868 uit naar twee grote werken, zijn „Leven van R. C. Bakhuizen van den Brink”, en „De Nalatenschap van den Landjonker”.

Vrijheidsdrift, trouw aan het land en liefde noemt Potgieter de trits die ons (ten hemel) leidt 36). In het Leven van R, C. Bakhuizen van den Brink wordt, als de tegenhanger van „eene teleurstelling, ondanks welke het streven zijne waarde” behoudt, genoemd de „liefde voor vaderland en vrijheid”, Deze liefde zij bezield door „de heugenis van een verleden, ’t geen ons volk eene glorierijke toekomst scheen te waarborgen”, De levensgeschiedenis van Bakhuizen is wellicht het meest leesbare boek van Potgieter; het pedante element moge vanaf de eerste zin de beste aanwezig zijn, het gehele werk is in een losser, minder gedwongen stij1 geschreven dan zijn meer litteraire studies en kritieken; indien men zich de tijd gunt te gaan zitten voor de uitvoerigheid en omslachtigheid die Potgieter zich eigen had gemaakt, leest men voor zijn genoegen het brede tafereel van onze litteraire en culturele geschiedenis, dat hij rond de figuur van Bakhuizen tekende, Hij behandelt overigens alleen de tijd tot de stichting van De Muzen in 1833 (met een inleiding over Bakhuizen’s latere studie over Vondel en over de Vondelfeesten van 1867, alsmede een Intermezzo waarin een latere episode besproken wordt), maar deze dan ook met de breedheid van belangstelling voor litteraire, culturele en staatkundige aangelegenheden die het uitvoerige werk voorbeeldig maakt voor de hedendaagse geschiedschrijver, – met de zin ook voor het concrete en het detail die de kunstenaar boven de historicus plaatst.

Greep Potgieter in dit leven terug naar de jaren ook van zijn jeugd, hetzelfde deed hij bij het schrijven van zijn laatste grote dichtwerk De Nalatenschap van den Landjonker. In 1834 had hij in De Muzen deze titel reeds gegeven aan een zestal gedichten, die de kern bevatten van de voorstelling, waarvan ook het latere gedicht de drager za1 zijn. De Nalatenschap zijner rijpe jaren handhaaft namelijk de fictie van de landjonker, die deze vijftien gedichten zou geschreven hebben. Van deze vijftien is er een van bijzondere betekenis, het uitvoerige strophische gedicht „Gedroomd Paardrijden”, Potgieter schreef dit waarschijnlijk in de winter van 1872 op ’73, en gaf daarin gestalte aan het visioen van een tocht te paard, dat hem zijn gehele leven had beziggehouden. Op het stramien van het liefdesmotief – de liefde die door Potgieter naar het woord van Albert Verwey niet is „de begeerende, maar de zucht naar de schoonheid die het wezen van het leven is” – weeft hij een reeks historische visioenen: gezeten op Provence, een paard uit de stallen der oude Franse vorsten, rijdende aan de zijde van de stalmeester Pluvinel, maakt de landjonker zijn verbeeldingstocht door het Frankrijk van Hendrik de Vierde, Mazarin en Lodewijk de Veertiende, om met deze laatste in 1672 in Nederland en bij Willem III aan te komen. Het middelpunt van de reeks historische visioenen is dit jaar 1672; Gedroomd Paardrijden is Potgieters herdenking van dit jaar, een herdenking op zijn wijze, namelijk door in de droom der verbeelding zich alle gewenste excursies te veroorloven: van 1672 gaat hij weer terug naar de glorieuze tijd van Frederik Hendrik, Amalia van Solms, en de dichters Huygens en Vondel. Dan weer naar Willem III en diens ontmoeting met Jan de Witt, twee belangrijke nationale figuren, verenigd in hun liefde voor het vaderland, maar gescheiden door hun staatkundige opvattingen: voorstander Willem van de monarchale, De Witt van de republikeinse regeringsvorm. Persoonlijk de voorkeur gevend aan de republikeinse vorm 37), heeft Potgieter echter geen eenzijdig beeld ontworpen van Willem’s idealen, maar de overtuiging van de ander geeerbiedigd „tot aan de grens van de persoonlijkheid, – maar ook niet verder”, op deze wijze de wetten der ideale vriendschap onderhoudend en der persoonlijkheid, „want alleen door deze te handhaven bewaart de mensch de schoonheid waardoor hij onsterfelijk is.... Hoewel zelf aan de zijde van De Witt tredend, in wien hij zijn staatkundigen held zag, huldigt hij de van elkaar verscheiden, de elkaar bestrijdende persoonlijkheden gelijkelijk.

Dit was het Testament van Potgieter” 38).

Hij heeft dit gedicht uiterst systematisch opgebouwd: het geheel bestaat uit twaalf maal twee-en-dertig strofen; deze 32 strofen zijn dan weer onder te verdelen in groepen van 8 strofen die onderling naar de vorm samenhangen. Zulk een groep van 8 strofen heeft zijn eigen rijmschema. En bij dit schema behoort een afwisselend staand en slepend rijm, „De wildste fantasie vastgelegd in de peuterigste plastiek van het rijmmozaiek”, oordeelt Te Winkel 39) die Potgieter niet goed kon uitstaan. In de tweede zang van Florence begint Potgieter met vers 37 een zin; het eerste gedeelte ervan is een bijwoordelijke bijzin van toegeving. De hoofdzin, waaraan deze bijzin voorafgaat, begint met vers.... 73! De hoofdzin-zelf bestaat dan nog maar uit „slechts” 6 regels, Dit willekeurig voorbeeld gelde als een uit vele ter demonstratie van de moeilijkheid van Potgieter’s stijl. Impuls en overleg hebben, volgens Verwey, samengewerkt om een gedicht als Florence – en hetzelfde kan van het overgrote deel van Potgieters werk gezegd worden – te doen ontstaan, Als het accent maar valt op „overleg”!, waardoor een manier van schrijven ontstond, die naar het woord van de vriend, dus tijdgenoot, Busken Huet „grenst aan het ongeoorloofde” 40). Voor een deel moet deze schrijfwijze verklaard worden uit Potgieters psychische aanleg, voor een ander deel uit een opzettelijke gewenning die bij deze aanleg aansloot en die haar oorsprong vond in zijn verzet tegen de dichterschool van Bilderdijk. Potgieter wil – in dit opzicht komt hij overeen met Staring en Geel – geen „wilde kunst” noch „rauwe klanken”, maar een zorgvuldig kiezen uit alles wat de mens ziet, doorleeft en voelt, om „elkaer” te tolken wat voor onze zinnen speelt, „wat diepst der ziele smart, wat hoogst der zielestreelt.” Deze psychische inhoud wenste Potgieter – reagerend dus op de „uitboezemings-poezie” van Bilderdijk en de zijnen – te „vertolken” in een zorgvuldig verantwoorde vorm. Maar deze „verantwoording” betekende bij Potgieter niet alleen de controle over de, in artistieke spontane´teit uit grondgedachte en levensgevoel opbloeiende vorm, maar ook en bovenal een altijd verstandelijk, dus van buitenaf komende, beredeneerde woordkeus en woordschikking 41). In deze voorkeur voor de kunstig-gestrengelde en strak-berekende vorm boven de spontane formulering is Potgieter zover gegaan, dat de lectuur van zijn geschriften een onevenredig-grote inspanning vordert. In een jeugdgedicht als Afscheid van Zweden verhouden impuls en overleg zich harmonisch tot elkaar; in de latere gedichten drukt het overleg de spontane’iteit vrijwel dood, En om de verduistering volledig te maken heeft Potgieter de gewoonte min of meer vaag te doelen op en te verwijzen naar personen en zaken buiten het gedicht. Hij veronderstelt bij de lezer een groot aanta1 zaken bekend en hij laat het verstaan van het werk van deze kennis afhangen. Starings dichtwerk moge moeilijk zijn, het is uit zichzelf te verklaren door wie de tekst indringend leest; Potgieters werk moet ten dele van buitenaf verklaard worden door een kennis van zaken die niet uit het gedicht zelf verstaanbaar zijn, In dit opzicht onderscheidt Potgieter zich nadelig van de voorganger-in-bondigheid.

Potgieter had zichzelf tot taak gesteld de kunst in het nationale leven de plaats te doen innemen die haar naar zijn mening toekwam, namelijk haar te doen worden „medehefboom tot onze ontwikkeling als zelfstandig volk!”

„Veertig, vijftig jaar lang – betoogt hij in Albert van 1841 – werd allerlei talent aan een’ enkelen, aan een’ thans versleten vorm besteed; we ontvingen eene litteratuur van verhandelingen, we werden oppervlakkig zonder weerga. – Scott werd ten onzent bekend, het is voor hem synoniem met bewonderd, maar de navolgers kwamen, en gaven ons, in plaats van werken in zijnen geest, werken in zijne manier; en de natie..., verlustigde zich in de laatste tien jaren in ridders en roovers, welke God geve, dat beide uitheemsch blijven! – Er verhieven zich enkele stemmen tegen die bastaardij; Geel.... drong aan op:

„deege deeglijkheidt”,

men mogt zich met eene omwenteling in den stijl vleijen, – objectiviteit in de beschouwing, individualiteit in de behandeling, – PoŰzij en geene rhetoriek meer, – een open oor voor de stem van het letterkundig geweten! – ” 42).

Wanneer 1880 opnieuw de leuzen van objectiviteit in de beschouwing (als realisme) en individualiteit in de behandeling moet herhalen, teneinde te komen tot waarachtige, onrhetorische kunst, betekent dit, dat Potgieter faalde, wat Hieronymus van Alphen (1746-1803) en de zijnen rond 1778 beoogden, heeft Potgieter in het midden der negentiende eeuw opnieuw trachten te verwerkelijken. Dat hij niet slaagde in zijn opzet, vloeide voort uit zijn onmacht de werkelijkheid te zien zoals zij was en haar te herscheppen op individuele wijze; hij zag met de ogen van anderen. Hij was, bovendien, niet in staat zich op persoonlijke wijze uit te drukken. Potgieter blijkt – zoals Verwey heeft opgemerkt – een dichter die wezenlijk nog door de beginselen uit onze zeventiende-eeuwse aesthetica beheerst werd, en slechts uit de verwikkelde vormenspraak der Renaissance te verklaren valt, Hij gaf „een renaissance van de Renaissance” 43).

Het bewustzijn: niet geslaagd te zijn in zijn opzet, heeft Potgieter ontgoocheld en ontmoedigd, De injectie, die de samenwerking met Huet in De Gids tijdens de zestiger jaren hem gaf, kon slechts korte tijd duren; daarna trok hij zich steeds meer op en in zichzelf terug. In zichzelf, en in zijn droom van de landjonker, voor wie het verleden hoogste werkelijkheid was.

Kort voor hij in 1875 stierf, heeft Potgieter nog zijn tweede bundel „PoŰzij” van de pers zien komen. Op het ogenblik van zijn verschijning stond ook deze bundel reeds op het punt „verleden” te worden, verleden van een edele, nobele, maar al verstarde schoonheid, Een nieuw geslacht dichters en schrijvers staat in dat jaar gereed in de openbaarheid te treden met de nieuwe, en nu volop wezenlijk-romantische kunst, ter verwerkelijking van de idealen waarvan Van Alphen in 1778 en Potgieter in 1840 droomden, Potgieter heeft het beloofde land niet mogen betreden, Het is trouwens de vraag, of hij het, er binnentredend, herkend zou hebben.


Artikel over genomen uit: Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse Letterkunde van aanvang tot heden – deel III – pag. 248 – 259 en pag. 332 – 341 – Gerard Knuvelder – L.C.G. Malmberg – ’s Hertogenbosch – 1950