E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

BLAAUW BES, BLAAUW BES!

EEN STUDIEBEELD UIT ONS VOLKSLEVEN.

Bilderdijk wenschte in een zijner veelvuldige verzuchtingen om den dood, in het stille graf te liggen, ten einde voor de Haagsche staatskreet doof te zijn. Ik ben te zeer van muzijkale zin misdeeld, om te durven beslissen, of de schreeuwers der hoofdstad het van die, welke onze hofstad doorkrijschen, in welluidenheid winnen; maar ik mag de Amsterdamsche keelklanken wel, en verbaas er mij over, hoe het gehoor an onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer de wieken knotten kon. Verrees er dan, als zijn trommelvlies de pijnlijke aandoening had doorgestaan, verrees er dan, ten gevolge van dat met werzin opgevangen woord, niet een geheel ander tooneel voor zijnen geest, dan zijn studeercel aanbood? bragt het hem niet naar buiten, niet over in beemd of bosch? Ik wil mij eerst op eenen der minst behagelijke kreten beroepen, om later van diegene te gewagen, welke streelender gedachten opwekken; Bilderdijk zelf, verbeelde ik mij, zou dien zin voor climax hebben gewaardeerd. Daar klinkt het: „Elft as zalm!” bijvoorbeeld, waaruit de Jordaner in het middelwoord de l weglaat, om die in de beide andere zooveel te zwaarder toe te wegen. Het rijst raauw genoeg op de lucht, – het is eene onwaarheid bovendien, want de eene soort van visch evenaart de andere nooit, – en echter heb ik er nimmer het voorhoofd om gefronst, laat staan er om dood willen zijn; een geheel ander verlangen wordt er bij mij levendig door. Wie heeft niet hooren vertellen , dat die visch meest des nachts gevangen wordt, en wie, die het zoomin als ik ooit zag onthoudt zich, bij de plotseling opgewekte gedachte, van den wensch, zulk een vangst bij te wonen? Het schuitje, – de visschers, – het want, spaarzaam, grillig, afwisselend verlicht; – om u heen de roerloosheid van den nacht, maar aan boord al de behendigheid van de winzucht; – en, tegenstelling die boven en beneden niet onaardig toetst, als gij nerblikt, de rosse schijn eener lantaarn, als gij opziet, eene enkele, tien, twintig duizend, millioenen sterren, die de duisternis des hemels zwichten; – wat dunkt u, zendt gij den voorbijganger, aan wien gij die afwisseling van ideen hebt dank te weten, nog eene verwensching na? Waartoe echter zou ik het voorbeeld verder uitspinnen, als viel er op uwe fantasie weinig te vertrouwen, als hadde ik er niet voor het grijpen, waarbij schilderiger stoffaadje past? Welaan – maar eerst een paar uitzonderingen, ten einde ik in geene onbedingde lofspraak der straatkreten vervalle. Er zijn ergerlijke onder die uitroepingen – en och! dat Bilderdijk deze van de Haagsche had uitgemonsterd! – er zijn er bij de Amsterdamsche, die u de haren te berge doen rijzen, niet niet enkel om den klank, maar ook, maar vooral om der verbeelding wille: „Beerzen binnen de garneelen!” krijscht u niet enkel door merg en been, en „rapen as kinderhoofies!” doet u niet louter om de teemerig gerekten uitgang pijnlijk aan; beide overdrijvingen wekken zoo velerlei werzin op, dat ik dien onmogelijk in nen volzin uiten kan. Ichtyoloog of niet, u stuit dat dooreenhaspelen van zout- en zoetwatervisch; het verbijstert schier iedere voorstelling van het verblijf van den eenen en den anderen gevinde. Rapen zijn een der oudste geregten ter wereld, en doen u ons bestuur onwillekeurig mannen toewenschen, als de Romeinsche Republiek er in de dagen van haren eenvoud en harer grootheid voortbragt, maar hoe vurig ge, bij vrijer instellingen, meer onafhankelijkheid van geest wenscht, die voor minder behoeften veil is, denk er eens aan, als die ongelukkige vergelijking u vanhet kannibalen-maal gruwen doet! Het is wel, zoo gij, onder een’ van beide jammeren, den lust overhoudt, om op te merken, dat de proeven, die ons volk bijwijlen van Oostersche beeldspraak neemt, doorgaans afgrijsselijk uitvallen. Gij ziet, ik ben billijk, al geldt het ook mijne gunstelingen; want waarom zou ik schromen, thans dien naam te geven aan de velerlei verrassingen, die in roep of kreet tot mij komen, van den bitteren eersteling onzer velden, van het radijsje af, tot de laatste, scherpe vrucht onzer hoven, de rammenas, toe? Er ligt een zomer tusschenbeide, de keel des volks zou het u vertellen, zoo gij hem   niet zelf gezien, niet zelf genoten hadt! Naauwelijks mag het eene meisjesstem heeten, dat snerpende geluid, ’t welk in het vroege voorjaar des ochtends aan het venster door de leden vaart, en uit deernis, hoop ik, „een bosje roode of witte” koopen doet, ware het ook maar om het kind te vergelden, dat het u de komst der lente geboodschapt heeft. Mild, daarentegen, schier melodisch, zou ik willen schrijven, klinkt de roep des mans, die, bij invallende avond, den herfswind de a’s van zijne rammenas verre dragen doet, – als de zonneschijn langer geduurd had, ze zouden tot zang zijn verzacht! En zal ik ze nu optellen, de tallooze verkwikkingen, welke de arme langs uwe deuren vent, zonder er zich zelfs over te verbazen, dat gij die in die overvloed genieten moogt, terwijl hij ze zoo schaars smaakt, terwijl zoo vele van deze hem zijn ontzegd: de welriekende aardbezie, de verfrisschende kers, de druiven, waarop de dauw nog ligt, de china’sappelen, die het Zuiden ons zendt, de – waar zou ik eindigen, als ik ook slechts een honderdste der tooneelen voor uwe geest wilde roepen, waarop de gevleugelde verbeelding ons verplaatst, bij het hooren van eenen der vele klanken op welke de breede schaal van toonen boogt, die van behoefte tot weelde reikt? Mijne inleiding zal haar doel hebben bereikt, als zij de ergernis voorkomt die de titel van mijn opstel geven mogt – maar een straatkreet!

„Blaauw bes, blaauw bes!” – klonk het langs de …gracht onzer hoofdstad, en het geluid, dat eene oude vrouw verried, mogt den jongen heer van eene venster niet van zijn duodecinootje op doen zien, en de bezin, welke het wijfje door dien kreet ventte, der jonge juffrouw van het andere raam geenen blik waard zijn, een Rembrandt had hare gansche mand leg gekocht, als zij een uur voor hem had willen zitten. Een sergierok, die de beenen verder blootgaf, dan hunne vormen wenschelijk maakten, maar wiens kortheid haar in het voortstappen zeer te stade kwam; – een sergiejak, dat verbruinde, en van ouderdom vast verstrammende armen onder geen mouwen in zijne hoede nam: beide kleedingstukken vielen iederen ledeman om te werpen, en zouden onder de hand des meesters stellig fraaijer hebben geplooid, dan zij om het lijf van mijn moedertje deden; maar het zou ook niet om deze zijn geweest, dat een schilder zich tegenover haar achter den ezel had gezet. Hagelwit mogt het eenvoudig mutsje zijn, dat de grijze haren bedekte en de tronie omsloot; hoog van kleur, „in den roode” de doek, die, over het jak gespeld, de uitstekende schouders en ingevallene borst kwalijk verborg; ook deze eigenaardige dragt van een geldersch huismanswijf zou, zonder haren persoon, binnen het bereik des kunstenaars zijn geweest, hoezeer die kleeding, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, tot het karakteristieke van haren straatkreet behoort. Al het aantrekkelijke, dat zij voor Rembrandt zou hebben gehad, school in haar gelaat; waarom is met hem de kunst verloren gegaan, voor de beeldtenis eener oude vrouw den blik des eerbieds, het knikje des welgevallens te verwerven? Als hij mijn blauwbessenwijfje op het doek had gebragt, hij zou de rimpels niet hebben verheeld, die haar breed voorhoofd doorploegden; hij zou de jukbeenderen niet hebben weggedast, die hare wangen zoo hoekig maakten; hij zou om mond en kin zelfs den zweem van grijzen baard hebben geschilderd, dien hij in de natuur aanschouwde. Maar zoo gij haar bij den eersten oogopslag hadt aangezien, dat zij zestig, vijf en zestig lange jaren misschien had geleefd en geleden, het ware u ook helder geworden, dat zij had liefgehad en geloofd; het wintersch landschap ware opgeluisterd door van omhoog invallend zonnelicht! En ge hadt het graauw dons om kin en lippen voorbijgezien, in uwe bewondering van de beraden-, van de bedachtzaamheid, door dien mond geteekend: woorden der wijsheid zouden u van die lippen niet hebben verbaasd, gij hadt er geene andere van verwacht. En het schier stramme dier wangen, en het scherpe der beenderen, die er onder uitstaken, zou opgehouden hebben, u werzin in te boezemen, want er had een lachje over gezweefd, waarbij het u te moede ware geworden, als had zij onder allerlei leed den zin voor schuldelooze vreugde bewaard. En terwijl iedere rimpel voor u in een teeken ware verkeerd der rampen, die haar troffen, hadt gij u gebogen voor het geloof, dat u uit hare bruine oogen toestraalde, hadt gij u verkwikt aan eene gemoedsrust, die het verlies van jeugd, schoonheid en wereldsche uitzigten overleefden; van eene ziel, die genade had gevonden bij God!

Une femme qui n plus d’ge is iets vreeselijk-leelijks, als Beaumarchais haar ons schetst; – zou het geheim van het innemende, der oude vrouwen van Rembrandt eigen (het genie des meesters voor het overige in al zijnen omvang geerbiedigd), ook aan het onderscheiden volkskarakter, ook aan dier mannen verschillend begrip over de bestemming van den menscht, zijn toe te schrijven?

„Blaauw bes, blaauw bes!” – klonk het, maar zonder den nadruk, dien het vrouwtje den woorden in eene straat zou hebben bijgezet, maar meer uit gewoonte, naar het scheen, dan uit hoop de aandacht van koopers te zullen trekken – in die buurt scholen de liefhebbers harer onaanzienlijke, harer de lippen blaauw verwende bezin niet. Er echter was het blijkbaar, dat haar des ondanks het voortstappen over de harde straatstenen niet verdroot; dat misnoegdheid over het vergeefsche van haren roep verre van haar was. Vier of vijf jongens stoven haar voor, of   sprongen haar na, om bij beurten haar af te wachten of in te halen, en onder het huppelen om haar heen eenige bessen uit de mand te grijpen, die door geen deksel werd beschut: in eene andere stemming zou de baldadige plagerij, zou het soms van alle kanten  eensklaps opgaand: „blaauw bes, blaauw bes!” haar hebben gergerd; thans scheen zij even goedwillig de oorvijgen te geven, als de janraps zich die voor hunne vruchtelooze pogingen lieten welgevallen. Intusschen was zij een halve gracht voortgegaan, en zie, daar stond ze voor het huis, waar zij wezen moest. Vlug, als een meisje van drie zesjes schier, vlug wipte zij de stoep op, en de schel ging over, tot twee malen toe.

Een knecht, in geel linnen pak, deed open.

„Is Eefje thuis?” vroeg de blaauwbessenvrouw.

„Eefje?” hernam de borst; „er woont geen Eefjes hier; mijne kameraads heeten Sanne en Saar, en –”

„Eefje heeft hier toch gewoond,” zei de vrouw, „of ik moest mij in het huis hebben vergist, – maar ik ben hier immers bij Mijnheer – ?” (en de knecht knikte: „ja wel!”) „dan moet zij verhuisd zijn.”

„En dat zou geen wonder wezen.” –

Een paar kinderen sprongen aan het einde van den gang de deur eener kamer uit, en eene vrouwenstem mogt de meisjes naroepen: „Mais attendez donc!” zij deden of zij het niet hoorden; zij stonden al aan de deur de blaauwbessenvrouw aan te zien, die bij den borst vergeefs hare nasporingen voortzette.

„Jonge juffrouw!” vroeg de knecht aan eene van de kleuters, die een jaar of tien wezen kon, „heeft hier een meisje gewoond, dat Eefje heette?”

„Ik weet wel, hoeveel juffrouwen ik gehad heb, maar van de meiden neem ik geen notitie,” was het antwoord.

Ondanks al hare onrust, kon mijn moedertje zich niet weerhouden de veelbelovende nuf van het hoofd tot de voeten op te nemen.

„Foei, Emilie!” zei hare jonge zusje, „heugt je Eefje niet meer? ze was zoo’n vrolijke vriendelijke meid.”

Het blauwbessenvrouwtje had het kind wel willen kussen.

„’t Is waar,” viel Emilie in: „je m’en souviens, toen hadden wij de nare, norsche jufrouw, Numero Acht.”

„En waar woont Eefje nu?” vroeg de terleurgestelde oude.

„Mama zou het wel weten,” hernam het jongste kind golijk, „maar die is buiten.”

Mesdemoiselle!” klonk de gebiedende achter uit den gang. Waarschijnlijk was het Numero Negen, die de kinderen, hoe schoorvoetende ook, verpligtte, met haar naar boven te gaan.

„Wil je in de keuken niet eens hooren, of eene van je kameraads het weet?” vroeg de blaauwbessenvrouw aan den knecht.

„Het zal vergeefsche moeite wezen, vrouwtje! we zijn hier allemaal trekvogels.”

„Och! doe het,” zei ze, „ik ben haar moeder, of je ”t niet wist.”

Het was een beroep op het harte, dat ijlings verhoord werd.

„Kom binnen, besje!” zei de knecht, „en ga zoo lang op de bank zitten,” – er stond een geel geschilderde in den gang, – het medegedeelde gesprek was met geopende deur half op de stoep gehouden. En mijn blaauwbessenvrouwtje zette zich  een omzien ner; maar of de oogenblikken, welke zij er verbeidende doorbragt, haar niet lang duurden, vreeselijk lang, dat beslisse iedere mijner lezeressen – die nog geene negen jufrouwen bij haar tienjarig kind heeft gehad.

Eindelijk – daar sprong de knecht de trappen, die naar de keuken leidden, wer op – „moedertje!” zei hij, „de keukenmeid meent te weten, dat je dochter naar de …gracht is verhuisd – bij Mijnheer – ”

„Dank je, jongelief! – wil je een handvol blaauwbessen?”

Een weigering ware onheusch geweest; ook kwam zij bij de den borst niet op, al vielen er voor de trekvogels andere kruimels van de tafel. „Het ga je goed,” zei het moedertje, toen de knecht de deur weder geopent had.

„Van ’s gelijke, en zoen Eefje voor me,” lachte de schalk.

Eefje verhuisd – geen wonder, dat de tred der oude vrouw trager was bij het afgaan der gracht, dan bij het opkomen; allerlei gedachten onderdrukten het verlangen, dat hare voeten straks bevleugelde. Eefje verhuisd! – het moest haar wel ondragelijk had zijn gevallen in die aanzienlijke woning, want zij was altijd een gezeggelijk kind geweest; en had zij in hare buurt niet drie jaren lang op den Huize … tot genoegen harer meesters gediend? – Eefje verhuisd – zij kon het thans beter getroffen hebben; maar als het eens het begin van een zwerfziek wisselen was? Het blaauwbessenvrouwtje stond stil, en de voorbijganger, die haar uit den weg duwde, die haar ontwaken deed, wist niet wat er omging in haar gemoed. Eefje had in de laatste maanden niet geschreven; maar er waren haar en haren man toch van tijd tot tijd groeten, er waren hun later zelfs kleine geschenken, geschenken in geld, geworden, die slechts van Eefje komen konden. Haar man, haar blinde man, had bij dat geld, het is waar, bedenkelijk het hoofd geschud, had zelfs willen weigeren, het aan te nemen, als hij niet weten mogt, wie het zond; maar de winter was zeer lang, en hare verdiensten waren zoo gering geweest! O dikwijls had zij vader, wiens zuchten haar niet ontgaan waren, hoe hard haar spinnewiel snorren mogt, dikwijls had zij hem getroost, dat Eefje het zeker beter had dan zij in hunne armelijke hut!

Eefje verhuisd, – en dat zonder het hun te schrijven!

„Moedertje! moedertje!” hoorde zij roepen; maar het viel haar niet in, om te zien of die kreet ook haar gelden mogt; eerst toen de stem er „blaauw bes, blaauw bes!” op volgliet, zag zij waar ze was en wie haar wenkte.

„Vrouw Hendriksz! vergeet jij je oude vrienden zoo?” vroeg een aardig wijfje, in haren winkel aan de deur staande, met een kind op den arm; het jongsken bukte zich vast naar de mand, om eene bezie te grijpen.

„Hoeveel, Antje?” was het antwoord; de neering ging een oogenblik boven de natuur.

„Drie maatjes, vrouw Hendriksz! dat weet je wel – bah, Wim! je zult je vingertjes blaauw verwen; – wat zeg je van mijn’ jongen, vrouw Hendriksz? mijn mij is zoo gek met den guit!” –

Het viel der gelukkige moeder te vergeven, dat zij niet opmerkte hoe weinig vrouw Hendirksz op haar gemak was; hoe hortend de laatste woorden van haar antwoord er uitkwamen.

„Je eerste was eene dochter niet waar? – In drie jaren een rijkelui-wensch! – Komt Eefje nog weleens bij je? – Zij is verhuisd, hoor ik.”

„Zoo!” hernam Antje, „neen, ze is in lang niet hier geweest,” en de moeder doldijnde met den knaap: „hoe gaat het met je man, vrouw Hendriksz?”

„Och, hij kan den lieven dag niet eesn meer zien! – Ik geloof, dat je twee en een’ halven cent weromkrijgt; daar zijn ze – groet den baas van me, ik kom nog weleens wer aan.”

„Wim! jongen als eene wolk! kraai het blaauwbessenvrouwtje eens goeden dag.” –

Maar vrouw Hendriksz wachtte het niet af; vrouw Hendriksz ging verder – nog minder opgeruimd, dewijl ze juist getuige was geweest van dat toneentje van geluk. Het aardige wijfje uit den winkel had tot Eefjes speelmakkertjes behoord; slechts een paar jaren vroeger naar de hoofdstad vertrokken, had zij er kort gediend, was zij er gaauw en goed getrouwd; waarom had Antje haar ook zien voorbijkoomen, op het oogenblik, dat haar die muizenesten over Eefje door het hoog maalden? En wat was Antje tevreden geweest, als had zij zich op haren trouwdag te goed gedaan! – Vrouw Hendriks werd onbillijk, en gevoelde het naauwelijks, of had er berouw over; hoe de sloof zich den nijd schaamde! Het had niet aan het aardige wijftje uit den winkel, het had aan haar gescheeld, dat de oude mensch haar te sterk was geworden, en zij beloofde in zich zelve boete en beterschap, zonder te weten hoe spoedig zij op den toets zou worden gesteld, of dit haar ernst was geweest.

Wie ooit, bij gebrek van eene opgave des nommers, deze of gene gracht der hoofdstad heeft langs gedwaald, om de woning eens vriends te zoeken, die zijn’ naam niet aan de deur had gezet, hij weet, hoe dikwijls hij in verzoeking kwam, op goed geluk maar eens aan te schellen; hij houdt het vrouw Hendriksz ten goede, dat zij het tot drie malen toe te vergeefs deed; hij stelt zich voor, hoe haar twee keeren van deze op haar: „neem niet kwalijk” een graauw werd achterna gezonden; de vierde maal was zij eindelijk waar ze wezen moest.

„Eefje heeft hier gewoond,” zei de heer des huizes, die toevallig zelf aan de deur verscheen, heuschelijk; „maar zij was niet wel geworden, zij zou naar huis gaan, geloof ik.”

„Ach, God!”

En de man schelde aan zijne eigene deur, want vrouw Hendriksz dreigde de Jobstijding te besterven; zij werd bleek als een lijk.

„Een glas water!” riep hij der dienstbode toe, die verbaasd opzag, dat mijnheer een blauwbessenvrouwtje binnenbragt.

Het glas water werd der oude toegereikt. „Ik dacht er niet aan, dat gij hare moeder kondt zijn,” sprak de mewarige man.

„Mijn kind! mijn kind!” snikte de grijze, en toen zij klappertandende het glas water had leggedronken, volgde vraag op vraag , maar bleef ieder antwoord onbevredigend; – Eefje was wat wispelturig van humeur geweest; Eefje was vertrokken, wegens ongesteldheid; dit wat alles, wat haar te laste werd gelegd; alles, wat men van haar wist. Het was ongeveer drie maanden geleden.

Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam in de oogen van den wereldburger, wel geene kleine stad; maar trots den vijdubbelen ring van grachten, om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof, waain het hem onmogelijk zou zijn, den eersten den besten, die hij zocht, op het spoor te komen, hoe deze zich ook schuil houden mogt. En echter, voor mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke zich bij deze woorden voor haar ontsloot, was het verlerlei verschiet, dat zij beurtelings verpligt zoude zijn in te slaan, schier verbijsterend. Waar was Eefje? hoe zoude zij haar kind wervinden? Slechts n gebouw teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen dwarlde, scherp tegen de lucht af; het was de huizing, waarin de armoede vergeten wegsterft; het was de St. Pieterspoort, het was het Gasthuis. Onwilekeurig had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot lagen, gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden, zagen de omstanders het haar aan, dat zij God om sterkte bad; en erwas niemand onde hen die ze der moeder niet toewenschte.

„Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?” vroeg de heer des huizes, bewigen.

„Onder de mindere menschen wl; maar die zullen mij weinig kunnen helpen – Och, Mijnheer! al ben ik hare moeder, zeg het mij maar ronduit, – Eefje heeft zich hier immers goed gedragen?”

„Wat wilspelturig, zooals ik zeide…”

„Maar – toch – eer – lijk?”

„Ja, vrouwtje! ja!”

„Goddank, Mijnheer!” er sprongen tranen uit de oogen der grijze vrouw, – „en,” voer zij voort; doch het woord wilde de keel niet uit; – „daar valt mij een huis in; Mevrouw van …,” en zij noemde een bekende naam – „die Mevrouw zal zeker wel weten, waar zij is; als Eefje niet naar huis komen kon, heeft zij zeker bij haar hulp gezocht – die Mevrouw is bij ons van daan, moet u weten.”

En zij stond op van den stoel, waarin de heer des huizes haar had nergezet, en met de wellevendheid der natuur verzocht zij hem, haar den last ten goede te houden, dien zij hem had aangedaan; „maar u heeft misschien zelf kinders?”

Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk!

De heer des huizes knikte instemmend, – „en daarom hoop ik, moedertje! dat Mevrouw … je goed bericht zal hebben te geven van je dochter; – maar je vergeet je mandje –”

„Och, Mijnheer! Eefje is ons eenig kind! –”

Vrouw Hendriks was weder op straat, weder op weg; de vraag, die haar op de lippen lag, maar die zij weerhield, de vraag, welke op het onderzoek naar de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam andermaal bij haar op; zij verweet zichzelve, dat ze ook die niet had gedaan! Welk een licht werpt het op den toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat eene vrome moeder onder hen, als zich bij de krankte van haar kind eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine geschenken voegen, deze dadelijk aan diefstal of aan ontucht denkt! Doch ik beproeve maar eene schets naar de natuur te leveren, en het u overlantende er de opmerkingen bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft, breng ik u liever de tuinkamer, waarin Mevrouw … gezeten was, binnen.

Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz was toegelaten; al had de meesteresse der huizinge dien achternamiddag eenen kring van gasten om haar gezien, zij zou zich , op de dringende bede van het moedertje, een oogenblik bij haar gezelschap hebben verontschuldigd; het heugde haad, dat zij Freule – was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de hoofdstad al de weelde, die de rijkdom haars echtgenoots te harer beschikking stellen kon, wenschte zij naauwelijks meer weder op het land te leven, thans des winters aan een uitgebreid gezellig verkeer, thans des zomers aan telkens verscheidene uitstapjes gewend; en echter kon het eensklaps gewaar worden van een Geldersch huismanswijf, kon het onverwacht vernomen geroep van: „blaauw bes, blaauw bes!” het der schoone vrouw voor de oogen doen schemeren, of er in die kleeding, in dien kreet, eene tooverkracht school. Weder was zij, – want weder waande zij te wezen, zou een te flaauwe uitdrukking zijn, – weder wat zij dan op het landgoed in de buurt van Elburg, waarop zij als kind had gespeeld, waarop zij als aankomend meisje had gedarteld, waarop zij als „de freule” was gezegend geworden, waarop zij de lente van haar leven besloten had met hare hand en haar hart te geven aan den man harer keuze. Inderdaad, indien eenige herinneringen aan den geboortegrond zoet mogen heeten, dan zijn het dezulke! en vrouw Hendriksz, opdat wij tot haar terug keeren, vrouw Hendriksz behoorde tot de lievelingsbeeldjes uit het landschap harer jeugd: wat had de freule op haren hit dikwijls voor de woning des daglooners stilgehouden! wat had zij het vrouwtje in werspoed of in winter vaak getroost en geholpen met al die gemeenzaamheid, waarin de P**t’s geen bezwaar zien, wetende, dat niemand vergeten zal, dat hun naam tot de oudste in onze historie behoort!

De beangste moeder had haar harte uitgestort; helaas! voor de eerste maal scheen het Mevrouw Van … aan middelen ter hulpe, aan helenden balsem te falen! Eefje was ook daar in vele maanden niet geweest; en geen der dienstboden, die beurtelings werden binnengeroepen, herinnerde zich, het meisje te hebben ontmoet of gezien, geen hunner heugde het, dat zij bij afwezigheid hunner meesteresse, vergeefs was gekomen. Stom van smarte, maar niet minder verslagen, al kwam er geene klagte over hare lippen, leunde het blaauwbessenvrouwtje over den rug van den stoel, dien haar Mevrouw Van … dadelijk had doen zetten. Als ware zij niet in staat het lijden, waarover zij in den eersten oogenblik geen troost wist te geven, langer aan te zien, staarde de laatste den tuin in, wiens deurramen, ik vergat het te zeggen, openstonden; – zag zij onwillekeurig den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die wat weelderig van loover waren geworden, door de gloeijende Augustuszon.

„Eefje, Eefje!” kreet de moeder. Want de natuur brak de banden der onderwerping, waartoe zij getracht had haar gemoed te stemmen, en de smart, die uit den toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw door merg en been.

En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef zij den tuin instaren: de jongeman bij de rozenstruiken had opgezien bij den kreet van vrouw Hendriks, opgezien met meer aandoening dan louter het noemen van eenen naam scheen te kunnen wekken.

„Ik zal naar het gasthuis gaan en hooren of zij gestorven is,” voer de jammerende moeder voort.

„Wacht, vrouw Hendriks, wacht!” fluisterder de vrouw des huizes, zonder naar de verslagene om te zien: de jongman, die het tweede woord even goed had verstaan, als het eerste, was van zins geweest binnen te komen, en had zijns ondanks, naar het scheen, twee stappen naar de tuinkamer gedaan. Immers toen had hij zich bedacht; thans scheen hij wer louter oog en hand voor de rozenstruiken. Mevrouw Van … aarzelde een omzien, eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf; een omzien vreesde zij, zich de deelneming, zich de ontroering des jongmans daarbuiten maar te hebben verbeeld; doch neen, beide waren te blijkbaar geweest, en wat was er bij gewaagd, de proef te nemen of hij eenige inlichting geven kon?

„Wouter!” riep de meesteresse des huizes.

Een sprong bragt hem op het arduinen bordesje; maar even hartstogtelijk als die beweging was geweest, even schoorvoetende kwam hij de weinige trappen, die naar de tuinkamer voerden, op.

Mevrouw Van … zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan.

„Och, Mevrouw! ik heb haar zoo lief gehad, dat ik luisteren moest, of ik wilde of niet.”

„Eefje!” riep de meesteresse des huizes, over het slagen harer opmerking verbaasd.

„Eefje!” herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen droom, en werd eensklaps den derde gewaar, die in het vertrek strond, en sprong op den jongenman toe, en viel hem om den hals. „Leeft zij?” vroeg de moeder, „leeft mijn kind?” en staarde Wouter met hare bruime oogen in het gezicht, of zij in zijne ziel lezen wilde.

„Zij leeft, maar –”

„Zei is verleid!” jammerde vrouw Hendriksz, en stiet den jongman van zich, als ware hij de schuldige geweest.

„Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje! maar je radeloosheid weet niet, wat ze doet. Ik had Eefje zoo lief, eerlijk lief; je zoudt zoo droef niet gekreten hebben, als zij „ja” had gezegd, toen ik haar vroeg. Mijn oog was hier op haar gevallen, Mevrouw! toen ik verleden herfst kwam tuinen; zij  maakte een praatje met me; zij wist van boomen en bloemen; zij wist ook, dat ze mooi was, maar het stond haar toen wl. Eer zij hare hielen uit den hof had geligt, moest ze mij zeggen, waar ze woonde, en wanneer ze uitging. „Waratje, daar heb je Wouter!” zei ze den volgenden Zondag, toen zij de stoep afstoof, en – maar wat heeft Mevrouw er aan –”

„Ga voort, Wouter! ga voort!” en het was geen ijdele nieuwsgierigheid, die der meesteresse des huizes het oor deed leenen aan de vrijerij; Eefjes toestand kon haar slechts door dat verhaal duidelijk worden. Vrouw Hendriksz zag voor zich heen, of zij er niet bij tegenwoordig was.

„Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien mogt. „Eefje! hoe bevalt het je hier?” vroeg ik haar, toen we een keer of wat zamen uit waren geweest, om eens hoogte te nemen hoe na bij land. „Opperbest!” zei ze. „Gelderland moet toch mooijer wezen,” begon ik wer. „Veel stiller ook,” was haar woord. „Anders zou het mij wel loenen op het land te wonen,” polste ik alverder, „om Haarlem en bij den Haag” (ik ben nooit in Gelderland geweest, Mevrouw!) „daar beleeft men plezier aan de bloemisterij, en aan de broeikassen; onze stadstuinen zijn maar kerkhofjes,” (het is de waarheid Mevrouw!); „wat zeg je er van, Eefje! als ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had, zou je er met mij willen wonen?” – „Malligheid, Wouter!” mogt ze zoo zeggen, maar ik gaf haar een zoen, die klonk als een klok… doch ik vergat tot wie ik spreke –”

Eer school te veer pozij in die schets, dan dat het hart eener vrouw haar niet me zou hebben gevoeld. „En evenwel,” zei Mevrouw Van…, „en evenwel is zij verleid.” –

„Omdat ze mooit was, meende ze zooveel mevrouw te kunnen worden, als menige andere – och die opschik! – schoon ik soms tot mij zelve zegge, dat zij nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad, zooals ik haar. En dan wer spijt het mij, spijt het mij, of ik er gek van worden zal, dat ik mijne vuisten voor me hield, toen ik zag, dat hij zijn’ arm om haar middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij kunnen, wat we mogen, zal zoo’n wulp zich aan onze zuster of ons meisje vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal het u zeggen, in de schemering was ik hun op zij, eer zij het wisten. „Eefeje heeft hij je aangerand?” vroeg ik, en hier mijne hand al op. „Neen, Wouter! neen!” zei ze. „Wat meen je, maat?” vroeg de wulp. „Ik weet wat ik zag, kw jongen!” gromde ik. Hij ging zijns weegs – dat ik hem liet gaan. – Doch ik dacht meer aan Eefje, die naast me staan bleef, maar geen woord sprak. „Eefje!” zei ik ten leste, „wat wou?” „Hij vroeg me naar eene jonge juffrouw, die bij ons logeert.” „Lieg niet, Eefje!” bad ik haar; „mooije kleren kan ik je niet geven, maar een goed man zou je aan Wouter gehad hebben, en dat is meer, dan die lichtmis me kan nazeggen.” – „Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis komt!” was al haar antwoord, als achtte zij het niet waard, mijne verdenking verder te werleggen, – ik geloofde, dat ik had misgezien.” –

En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des huizes was aangedaan: zij dacht niet aan het belagchelijkste, dat men in bedrogen minnaars pleegt te zien; zij dacht er slechts aan, welk een harte Eefje gekrenkt had, ten prijs van haar eigen verderf.

„O, dat die oogen liegen konden!” besloot de jongman.

Een smartelijke gil, der vrouw ontsnapt, getuigde, dat zij het gesprek maar al te wel had verstaan.

„Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!”

„Maar verleid!” – „och! dat ook dit nog over het hoofd van haren blinden vader komen moest!”

En zij zeeg op den stoel ner.

„Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd, tot het leste toe; „vervolg mij niet meer,” zei ze, „want ik haat je wijsheid.” – ”

„Toch blijft ze mijn kind,” snikte de oude; „als je weet, waar ze woont, zoo doe een goed werk, en breng mij tot haar!”

Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde als een blad, maar zij viel andermaar in den stoel ner. Mevrouw Van… schelde op spiritus, „Wat zal he baten?” zeide de moeder, toen zij het glas aan hare bevende lippen bragt, „de kroon is ons toch van het hoofd gevallen, onze eere is weg! – Eefje! mijn kind! – waarom moest je dit over ons brengen?”

Een oogenblik stilzwijgens.

„Waarom?” herhaalde de oude vrouw, „waarom? o Heere! houd mij dat woord ten goede; wat verdienen wij niet voor onze zonden?”

En het schuldbesef stelde het blaauwbessenvrouwtje in staat om te bidden, ook onder die bittere beproeving.

„Jongeman! het deert me, dat ik je verdacht; – wijs me nu den weg, Eefje moet morgen me! – God geve, dat hare ziel niet verloren ga als haar ligchaam!”


Er waren de volgdenden avond wandelaars in menigte, die op de hoogte van den Schreijerstoren, te Amsterdam, een oogenblik stilstonden, om den schoonen zomeravond ten volle te genieten, door beurtelings regts en links, om en op te zien. Het goud der ondergaande zon flikkerde nog op de spitsen van het mastbosch in het Westerdok, terwijl de volle maan over dat van het Ooster- vast haar vloeijend zilver stroomen deed. Doch wie er zich ook verlustigede in het prachtig wolkenschouwspel, dat de plek te ieder ure schier gelegenheid geeft te zien, maar zelden zoo verscheiden, zoo rijk aan allerlei toonen en tinten, aanbiedt, als in dat, ’t welk de schemering voorafgaat, n jongman uit den drom had er blijkbaar geene oogen voor. Zijn blik scheen aan een zeil te hangen, dat op Pampus in het verschiet verdween, – het was Wouter, die den Elburger nastaarde, met vrouw Hendriksz en Eefje aan boord.

Mevrouw Van … was bij de ontmoeting van moeder en kind, was bij de verzoening tegenwoordig geweest; wie vraagt mij, of zij verder, ter verzachting van beider ellende, iets onbeproefd liet?

Wouter – wij keeren nog eens tot hem terug – Wouter had der gevallene in hare schande het wederzien gespaard; de eenige belooning, met welke hij er zich voor vleijen mogt, ontging hem niet. Een jaar later bragt de zomer weder zijne vruchten me; – Amsterda, gij weet het, is nog niet, zoo als Bilderdijk misschien zou hebben gewenscht, een ander Bremen geworden, dat geene stoornis van de doodsche stilte zijner straten duldt; – de kreet, aan het hoofd van dit stukje geplaatst, heeft Wouter onlangs verrast. Hij sprong op toen hij dien hoorde; hij zag een bekend gezigt, waaraan de rouw, dien de grijze droeg, niet misstond; het blaauwbessenvrouwtje had eene boodschap voor hem:

„Eefje heeft, eer ze stierf, om je vergiffenis gebeden!”

1845.