E. J. POTGIETER (1808-1875)

UITSPANNINGEN VAN CHRISTOPHER NORTH.

(Proeve van vertaling)


CHRISTOPHER IN ZIJNE VOGELVLUGT.

I.

Onze eeuw, die, wat men haar ook te laste moge leggen, in mijne oogen de minste der zusteren niet is, stelt meer dan eene harer voorgangsters een levendig belang in de velerlei genoegens en voordeelen, aan de studie der natuurlijke historie verknocht, en vooral in dien tak van deze, welke ons den aard en de gewoonten, de natuurlijke, zedelijke en verstandelijke eigenschappen leert kennen van eene der aardigste en bewonderenswaardigste soort van schepselen – de vogels. Niet slechts is onze tijd gemeenzaam bekend met den vorm en de kleur van bekken, snavels en nebben, van pooten en klaauwen en van vederen zonder tal; maar ook het doel, waartoe zij met deze bedeeld zijn, en het instinkt, dat hen daarvan naar de ordening der voor alle moederlijkmilde natuur gebruik doet maken, is voor hem geen geheim meer. De dagen heugen ons, in welke men in gemengd gezelschap het woord „ornithologie” niet zonder verklaring durfde bezigen; we waren er bij tegenwoordig, dat men in beschaafden kring een’ naturalist voor eene soort van verdwaald, maar goedaardig monster aanzag. Thans darentegen ontmoet men man, vrouw noch kind meer, die geen onderscheid kent tusschen reiger en roerdomp, en eene zwarte zwaan wordt zoomin langer voor eene zeldzaamheid gehouden, als een zwart schaap.

De hoofdoorzaak van dien vooruitgang in kennis, in een harer vermakelijkste vakken, valt daaraan dank te weten, dat men allengs meer algemeen begonnen is, in plaats van de vervelende boeken, er door menschen over geschreven, die bladen te bestuderen, welke ons dag aan dag, altijd nieuw, door God zelven worden blootgelegd. En de tweede – eene andere oorzaak en toch dezelfde – schuilt in den langzamen ommekeer, door eenen wijsgeerigen geest in de waarneming, afbeelding en schikking der feiten en wetten, met welke de wetenschap gemeenzaam is, te weeg gebragt, en die zij nu in de volmaaktste harmonie en orde verklaart. Naar lust, of wilt ge, naar mate er hun gaven en gelegenheid toe verleend werden, dolen thans de nieuwelingen in het vak op het veld en in het woud, op stroomen, meeren en zeen om, – wat zij er bij winnen, moogt gij beoordeelen, als gij aan het einde van dit opstel zult zijn gekomen; – terwijl de ingewijden, zich niet langer tot eene dorre naamlijst bepalende, hunne werken met anecdotes en karaktertrekken verrijken, die, zonder den waarheid geweld aan te doen, aan de biographie der vogelen de dubbele bekoorlijkheid bijzetten der wezenlijkheid en der verdichting.

Een enkel woord over de hedendaagsche werken der laatste, ter regtvaardiging van den lof, straks in dit opzigt onzer eeuw bedeeld. Neem het eerste boek het beste over eenigen tak der natuurlijke historie ter hand, en in plaats der eindelooze, drooge dtails van denkbeeldige stelsels en klassificaties, in welke men de belagchelijke bekrompenheid van des menschen ijdel vernuft plagt te verheerlijken, – als eene soort van symbolisch schema van openbaring der verhevene verscheidenheid. van God’s, zoo wij zeiden, lagere schepping, – treft ge slechts de pogingen aan van een’ nederigen geest, om neigingen, doeleinden, harmonin, orde, plan, aan het licht te brengen en op te helderen. Wat anders was de wetenschap der natuurkundigen van vroegeren tijd, die eeniger genin uitgezonderd, wat anders dan een geraamte, dan rammelende beenderen? En als ik van de hedendaagsche, op hunne beurt, eenige weinige, maar minder loffelijk, uitzonder, geeft ge mij dan niet toe, dat alle er naar streven, ons een levend, ademend, zieh bewegend ligchaam te doen zien? dat het hun vurigste wensch is, zoo wel zijn mechanisme als zijnen geest te verklaren? Hoe gemeenzaam zal men in de volgende eeuw zijn met al de geslachten der bloemen des velds en der vogelen des hemels, met al hunne eigenaardigheden, en misschien ook met de mysterie van dat instinkt, ’t welk we wonderen zien verrigten, die de rede niet alleen niet verklaren kan, maar ook de verbeelding zich naauwelijks voorstellen!

Welk een digte sluijer moet er om die geheimzinnigheden der natuur zijn geslagen, wanneer wij Audubon, duizende jaren na Aristoteles, de bekentenis hooren afleggen zijner volslagene onwetendheid der wetten, die deze vogelen doen trekken en gene blijven doen; – dat het waarom van die hem nog een raadsel is – schoon heur weldadige werking treffend aan het licht komt, in het allen in gelijke mate gewaarborgde welzijn – hetzij ze hun verblijf houden binnen den betrekkelijk kleinen kring, en dien nimmer wenschen te verlaten – hetzij ze gezette jaargetijden, door hun instinkt gespoord, wegvliegen, duizende mijlen ver, om in een ander werelddeel eene wijle ner te strijken op eene plek, die hunne behoeften zal bevredigen, en van welke zij voorwetenschap hadden, schoon zij derwaarts schenen te worden gevoerd als bladeren op den am des winds! Voorwaar, die natuurlijke godsdienst, welke de thest in de wouden, op de bergen en aan de oevers der zee bestudeert, is evenzeer een mysterie, als die goddelijke openbaring, waarvan wijsgeeren niet weten willen, dewijl ze geen begrip hebben van, dewijl zij den spot drijven met het hoogste en heiligste geluk, den mensch bedeelrl in – het geloof!

Ene opmerking nog: hoe heerlijk vertoonen zich, in de beschrijving van den waren ornithologist, bij volkomen kennis der geschiktheid van ieders bouw voor elks bijzonder leven, alle vogelen, die het land beschrijden, de wateren doorwaden, of zich bewegen in de lucht! Al zijne afbeeldingen, hetzij we die aan de pen of aan het penseel zijn verschuldigd, alles in deze is wonderbaar, – zoo als de gansche natuur voor de oogen des geestes, zelfs wanneer deze rusten op die mindere schalmen der schepping, tot welke wij behooren; eene geheimzinnige keten van wezens, aan welke beide, vogelen en menschen, zijn geschakeld – tot de adem ons even als hun begeeft. Alles is wonderbaar in zijne afbeeldingen, maar niets gedrogtelijk; want hoe meer wij de natuur in hare oneindige verscheidenheden leeren kennen, hoe meer bare wetten zich aan ons in te grootscher eenvoud openbaren, hoe inniger wij worden doordrongen van eenen hoogen, heiligenden eerbied voor de onbegrijpelijke, en toch ten deele begrepene waarheid.. De schriften van zulke mannen zijn het evangelie der natuur, – en mogen al de apocryfe er bij ingebonden zijn, wat kwaads steekt er in! – ook daarin is inspiratie – en wanneer zij te regter tijd van de dwalingen zullen zijn gezuiverd, dan maken al de bladen te zamen slechts nen bijbel uit.

Luister naar den luiden, helderen, vollen, stouten zang van den Meerle. Daar strijkt hij op sterken vleugel voorbij; nog is de gele neb in het verschiet zigtbaar; doch reeds verdwijnt hij in het zwijgende woud. Weldra echter is het zoo stil niet meer. Onze verbeelding stelt zich een’ lentedag voor – zijn gaaike schuilt in het van klei omgeven nest, aan den voet des zilverdens, en hij wiegelt nu op zijn’ top heen en wer. Hoe die hymne den stam doortrilt, tot zij hare broedende borst bereikt! De voorjaarslucht vloeit over van het geruisch en geglinster van insekten; maar de zang van den meerle overtreft alle andere blijken van leven en liefde, en schijnt den bladen toe te roepen, zich te ontvouwen van lust. Op dien boomtop – in het oog vallende onder duizende op den heerlijken zoom des wouds – de eeuwenheugende eiken, hier en daar niet onwaardiglijk door een’ enkelen pijn afgewisseld. – op dien boomtop zit de meistreel van het bosch in zijne inspiratie. De rots boven hem behoort tot die, welke wij dikwijls beklommen. Ginds ligt het majestueuze meer met al zijne eilanden – een van deze is den oogen der verbeelding dierbaarder dan al de overige, om zijn oud klooster, dat van jaar tot jaar, onopgemerkt, al meer afbrokkelt, al meer tot bouwval zamenstort. Ver achter deze, een zee van bergen, met al hunne golvende kruinen tegen den hemel uitkomende, en echter onzeker en wisselziek als de wolken zelve. Hoe trotsch verheffen zich de torens van het kasteel op dat schiereiland, uit het geboomte door de reigers bewoond. Die kreupelboschjes op den anderen oever, welke zich aan de heestergewassen der rotsen, welke zich aan hare bontkleurige berken, sluiten, zijn de lusthoven van de ree. Dat groote dal, ’t welk zoo stil en zoo somber in de deinzende duisternis wegduikt, is eeuwen lang de wieg en het graf der herten en hinden geweest. Hoort ge dien schreeuw eens adelaars? Daar hangt hij, de vleugelen in evenwigt, in den zonneglans, en nu drijft hij af naar zee. Maar op nieuw rijst de zang van onzen meerle, als een walm van geuren omhoog, en ons hart keert tot hem weder op de tinne zijns tempels, op den top zijner den. De bron des zangs schuilt nog in de borst van het gelukkige schepsel; – maar de zang zelf wordt zachter en houdt op, als het gedruisch eener beek, die zich in eene plotselinge regenvlaag op de heuvelen heeft verlustigd; de vogel strijkt in de balsemgeurende bladen ner, en de andere, zachtere zangen, die onder dat streelend loflied te loor gingen, worden uit het verschiet vernomen, en drijven; telkens digter naderende, de stilte op de vlugt.

Gij zegt, dat gij den zang der Lijster echter verreweg de voorkeur geeft. Eilieve! waarom zulke orgelende kelen tegen elkander in het harnas gejaagd? We houden niet van die lieden, welke altijd. de schaal ter hand hebben. Ge kunt er hen niet toe brengen, iets stellig goed te prijzen – „betrekkelijk” is hun in den mond bestorven. De dwazen! – alsof het geene ware wijsheid heeten mogt, bekoord te worden door wat bekoorlijk is, in die verlustiging voor het oogenblik te leven, en de aandoening met geene vroegere aandoening ter wereld te vergelijken – tenzij dit onwillekeurig geschiede, tenzij overmaat van weelde de verbeelding ontvlamme. Hoezeer wij daarom niet kunnen zeggen, dat wij de lijster boven de meerle verkiezen, stemmen wij u gaarne toe, dat ook de eerste een heerlijke vogel is. Wij kennen hem zelfs gaarne eenige wergalooze eigenschappen toe. Vroeg opstaan, wie heeft er slag van als hij? Wie ge zijn moogt, die dit leest en er u op te goed doet, dat ge voor dag en dauw bij de band zijt, wij willen wedden, dat de lijster u vier malen van de vijf in de veeren verraste. Ge behoeft daarom nog geen gat in den dag te slapen, als anderen, die den naam hebben van vroeg opstaan, als Koekeloer, bij voorbeeld. Een weinig na middernacht begint hij te kraaijen, en zet van tijd tot tijd al luider keel op; hoe hij u beet heeft, als gij in uwen eenvoud gelooft, dat hij al op de been is, dat hij op het erf al heen en wer stapt en schrijdt! Verre van daar, – hij zit nog warm en wel in zijn’ harem, tusschen twee van zijne molligste wijfjes op stok. Waarschijnlijk zal de sultan in de eerste uur vier, vijf, nog geen’ voet verzetten, terwijl de lijster, die hare oogen al lang heeft uitgewreven, op twijg of top wakend zit te wiegelen, en de ooren des dageraads door hare schoone groete verrukt. Voor het volle dag wordt verdwijnt zij, en zwijgt; maar bij den dauw des avonds, als bij dien van den ochtend, kweelt zij en kwist zij haren zang, ja, staakt, dien soms niet eens, al heeft de nacht maan en starren te voorschijn geroepen.

Geliefdste en aanvalligste aller lijsters, ooit uit blaauwgespikkeld ei gekipt! – gij, die vijf lentes lang uw nestje hebt doen hangen tusschen de rozen, en de kamperfoelie, en het klimop, en de clematis, die om het venster van mijn studeervertrek, in ons optrekje, hunne bloesems winden! hoe gaat het u thans in de sneeuw? Acht het gansche erf uw’ eigendom lief beest! en bedenk, als de kinderen van den tuinbaas op ieder uwer lievelingsplekjes voor u en de uwen kruimpjes strooijen, dat dit op ons bevel geschiedt. Als heel de aarde wer groen, als heel de hemel wer blaauw zal zijn, zult gij ons op onze hoeve wer welkom heeten, op de vlugge pootjes voor ons uithuppelende in de verdorde blan, om fluks op vliegen naar uw nieuw nest, op de oude plaats, die dan andermaal van louter lust en leven tuigen zal: gegons en gedommel, en gekout en gelach, voor en achter de bloesemen bloemrijke windes.

Vreemd genoeg brengt het gekweel van meerle en van lijster ons eenen anderen vogel voor den geest, die nooit gezongen heeft, en toch denken wij op dit oogenblik niet enkel aan den Spreeuw, maar zien hem voorons, geen onbeminnelijk beest, een vogel, durven wij zeggen, van majestueus voorkomen. Welk een voorwerp van verbazing en vreeze is een oud kasteel voor de verbeelding van een’ jongen! Hoe hoog is het, hoe verschrikkelijk hoog! In zijne vervaardheid is het den knaap, als wordt hij tot die afbrokkelende transen opgevoerd, als hangt hij over de kanteelen heen! Hoe schoon zijn die ongenaakbare muurbloemen, – welk een’ glans verleenen zij aan de oude steenen des gebouws, – hoe wordt door haar het verschrikkelijke vermakelijk! De klank, uit de diepte zoo flaauw vernomen, is het gedruisch eens strooms, tot wien de blik niet reikt, is de donder van eenen waterval, die onophoudelijk tusschen de zwarte rotsen en poelen weerkaatst. De schooljongen weet weinig van de historie des ouden kasteels, maar dat weinige loopt over oorlogen, toovenarij, en gevangenschap, en bloedvergieting. De spookachtige flikkering der oudheid vervaart hem – hij bezoekt den bouwval slechts met een’ makker en op vollen dag. Op zulk eene plaats en in dien leeftijd zagen wij voor het eerst een’ spreeuw. Wij hoorden iets wilds en wonderlijks in hun raauw gekrijsch, waar zij op den rand der borstweringen zaten, of uit spleten en scheuren opstoven.

Bouwvallen! Voorwaar, geen uitwendig voorwerp doet de verbeelding aan als zij! Een prachtig gesticht uit vroegeren tijd, dat in onverzwakte sterkte allerlei wisselingen doorstond, maakt ongetwijfeld een’ diepen indruk op ons, door de gedachte aan de eeuwen, die het opkomen en verdwijnen zag; maar het vermolmde gebouw, waaraan de natuur de hand heeft gelegd, om het in haren schoot te doen wederkeeren, maakt op het hart dieper indruk en bezielt den geest sterker. In zijn verval is het schoon, niet enkel dewijl groen gebladerte en wild gebloemte, en kruipend mos van allerlei kleur zijne ruwe uithoeken verzachten, maar dewijl zij zich zelve hebben gezaaid op ondergaande grootheid; zij verkondigen onzer verbeelding, als de bloemen op een graf, dat de sluimering der dooden van geene stoornis weet. Burgtkanteelen, door de hand des tijds vergruizeld, en kloosterbogen, die gespleten zijn en gescheurd, herinneren ons het weldig oorlogvoeren en het demoedig kniebuigen onzer voorvaders, spreken tot ons van hunnen trots op hunne magt en van hunne vertroosting in hun leed; zij tooveren den verdwenen maatschappelijken toestand voor den geest, uit het rijk der vergetelheid opgeroepen; – maar zij treffen ons inniger, wanneer de glans, dien de zon over de gebrokene zuilen werpt, en het gekweel van vogelen, die hun nest bouwen in de zalen van vorsten, en het gehuil der winden, door de schietgaten van torens, op welke de woede des krijgs afstiet, die schimmen weder ter ruste doet gaan in het stille graf, en deze ons in de gedenkstukken van menschelijke magt de zigtbare voetstappen aanwijzen des tijds en der vergetelheid, die beheerschers onzes geslachts, welke al de gestaltenissen van ons kortstondig aanzijn tot hun oorspronkelijk niets, tot stof en assche, terugbrengen.

Wat is er onder de hemelen gelijk aan de plaats, waarop vermogende maar vergane steden hebben gestaan; de verdwijnende of verdwenen hoofdzetels van rijken, welker roem de wereld heeft vervuld! Er is geene verlatenheid, derzulke gelijk. De woestenijen der natuur mogen iets schrikkelijks hebben, in somberheid halen zij niet bij het tooneel van menschelijke grootheid, dat woest gelaten werd. De omverwerping of het verval eener geduchte menschelijke magt is de nerdrukkendste aller geslachten. De verbeelding voelt zich geschokt, als ze al dat hooge zoo laag ziet gelegd; al dat hooge, waaraan eeuw uit eeuw in heerschappij bleek gewaarborgd en heiligheid verknocht. De schoonheid schijnt slechts te worden geboren, om te vergaan, en we zijn bij hare aanschouwing te moede, als wisten wij, dat de broosheid eene der wetten van haar wezen is. Maar magt schijnt der menschelijke geslachten bestendigheid te geven, en wij vergeten onze eigene vergankelijke natuur, bij het schouwspel gener blijvende en duurzame grootheid. Wij verliezen onze handbreedte tijds, onsen bekrompenen kring uit het gezigt, om den wille van het wijduitgestrekte gebied van eenen magtigen staat; wij verbeelden ons deel te hebben aan zijne diepgewortelde en zegevierende sterkte. Daarom is het ons bij de instorting van een groot en oud rijk, daarom is het ons bij de geweldige vaneenscheuring zijner deelen, verbrokkeld gelijk zuil bij zuil eens grijzen gebouws, daarom is het ons bij schouwspelen van dien aard, als waren alle steden der menschen gebouwd op grondvesten, onder welke de aardbeving sluimert. Hetzelfde vonnis schijnt alle nog ongedeerde koningrijken te dreigen, en te midden van zulke veranderingen, instortingen en omverwerpingen – hetzij we die beleven, of er de geschiedenis van hooren getuigen – achten wij alle magt ongegrondvest, en zien in onze verbeelding uitgestrekte rijken met de bouwvallen der verwoesting overdekt. En echter, zoo groot is de trots van den menschelijken geest, dat hij er, onder den invloed van zulk eene voorstelling, dikwijls onwillekeurig naar streeft, zich de volslagen nietigheid zijner stoutste werken te verhelen. Wanneer alles, waarop hij zich verhoovaardigde, zigtbaar tot stof is wedergekeerd, schept hij zich eene denkbeeldige magt, die de gewrochten van menschelijke grootheid omverwerpt – en tracht dus, zelfs in den val, nog eene jammerlijke zege te behalen. Volken mogen verwelkt en vergaan zijn in hunne zonden; de ondeugden mogen hun harte hebben verteerd, en al hunne leden met lamheid geslagen, wij doen ons best aan dien inwendigen worm niet te denken; wij verbeelden ons eene vijandelijke magt, die zich in het verval van rijken verlustigt, en geene gedachtenissen van menschelijke grootheid duldt. Of is het niet het Noodlot, dat in onze verbeelding allerlei ondergang berokkent? Of hebben wij zelfs in het stille sluimerzieke rijk der Vergetelheid geene ongenadige Magt ten troon verheven? Ook de Tijd, ofschoon in zedelijke verzuchting te regt eene schaduw geheeten is met vreeswekkende zinnebeelden omstuwd geworden; de zwaai zijner zeisse doet den getorenden diadeem van het hoofd der stedemaagden vallen. Ja, zelfs de zucht, in welken wij verscheiden, is in een werkend vermogen verkeerd, en alle natin hebben met eene stem uitgeroepen: „de Dood!” En terwijl menschengeslacht bij menschengeslacht verwelkt, gevallen en verdwenen is, ten gevolge der hulpeloosheid van hun eigen stoffelijk wezen, blijven wij, voortgaan van magten te spreken, tegen hen zaamgezworen; – magten, die inderdaad slechts een andere naam zijn voor hunne eigene zwakheden! Zoo zet de verbeelding haren strijdt met de waarheid onophoudelijk voort; – zelfs in hare vernedering zijn hare visioenen nog verheven – trots den droefsten ondergang, zich nog harer onsterfelijkheid bewust.

Hooger dan ooit de toren van Babel zich verhief, stijgt, door zijne verrukking geschoord, de Leeuwerik omhoog; hij, de lierdichter van de lucht. Luister, luister, hoe verder de vogel het verschiet inzweeft, te luider wordt zijne hymne in den hemel. Hij schijnt de aarde voor altijd te hebben verlaten; het is of hij in de wondere weelde zijn laag nest vergat. De sleutelbloemen en de madeliefjes, en al het geurig heuvelkruid, moeten in dat rijk des lichts zijn geheugen ontvloden zijn. Maar juist op het oogenblik, als de leeuwerik voor ons te loor is gegaan – hij en zijn zang beide – als ware zijne hulde aanvaard – ziet men den eerste en hoort men den laatste weder naar de aarde dalen, en eene wijle later wipt hij langs de voren, waarin het graan is gezaaid, of op de klaverwei, die bij menschenheugenis door geen’ ploeg werd doorsneden; of valt, na eene poos dalens, door heimwee verteerd, als ware hij dood, naast zijn gaaike in het ondiepe nestje neder.

Van alle vogelen, aan welke heerschappij over de lucht werd gegeven, wijdt alleen de leeuwerik de kracht zijner wieken bedeeld, slechts der uitdrukking van liefde en dankbaarheid toe. De adelaar klieft het zwerk, door honger gespoord – hangende in de hemelen, zoeken zijne blikken eene prooi in de zee of op het land, – het doel zijner vlucht is altijd vernieling. De duif maakt den indruk, als vlood zij voor iets, dat haar vervolgde – voor vijanden vervaard, tot in de veilige eenzaamheid der ongerepte bosschen toe. De reiger, die hoog over de onbewoonbare moerassen zweeft, schijnt, als de schemering invalt, schuw te worden, en staakt zijnen vermoeijenden togt en slaat vermoeid zijne breede wieken op den boomtop zamen, als ware hij blijde dat de dag voorbij is, en de nacht hem weder ter sluimering noodt. De zwarte drom van kraaijen, die ter ruste gaat, is een schouwspel, dat het harte van den sterfelijken mensch treft, daar ook hij van zijnen arbeid leeft, daar hij medgevoel koestert voor schepselen, die in hetzelfde lot deelen. De zwaluw, die met hare rustelooze wieken voor de oogen der verbeelding slechts heen en wer zweeft, als ware de lucht haar tot tijdverdrijf bedeeld, als beschreef zij die kringen uit louter lust, de zwaluw vliegt maar, om voedsel te vergaren – gebrek aan insekten dwingt haar, den geboortegrond te verlaten, en doet haar hijgen naar de windvlaag, die haar de zee overvoeren zal. U alleen, o leeuwerik! zijn vleugelen gegeven, om volkomen gelukkig te zijn; geen andere vogel dan gij kan tegelijk stijgen en zingen – en hemelwaart schijnt ge te worden gedragen, n door de flikkerende schachtjes en door de telkens sneller afwisselende, telkens inniger melodie, aan uw harte ontweld!

Hoe de verbeelding verenkelt! en het dan het sterkst doet, wanneer zij met en in het harte werkt! Wie denkt er aan, wanneer hij met gelokene oogen in verrukking naar het trillende lied luistert, dat er een andere leeuwerik in de gansche schepping is? De leeuwerik – eenig als het jaargetijde – of de regenboog. Wij kunnen ons verbeelden, dat hij zingt om slechts ons te behagen – dat hij louter ons ten gevalle zwijgende daalt – dat hij om onzentwille zijne kuif opsteekt, als hij vertrouwlijk aan onze voeten rondhuppelt. Eerst als de droomcirkel, van welken wij zelve het middelpunt zijn, verbroken wordt, verliezen de fraaiste gezigten en zoetste geluiden in de natuur hunne betrekking tot ons, den beschouwer of toehoorder, en vervallen zij weder tot het algemeene goed onzes geslachts. Der zelfzucht behoort zoowel de geheele zinnelijke als de geheele geestelijke wereld. Egosmus is de schepper van alle schoonheid en van allen zegen, van alle hoop en van alle geloof. Op deze wijze verenkelt de verbeelding alle sabbath-eeredienst. Ons gansch geliefd Schotland is voor het vroom gemoed op dien dag een Huis Gods. Iedere gemeente – hoe verre ook van elkander gescheiden – hoort maar eene hymne – megevoel voor allen is eene allesomvattende zelfzucht – en christelijke broederliefde een gevolg der overtuiging, dat wij zelve eene ziel te redden of te verliezen hebben.

Echter schijnt het mij, dat eene tegenovergestelde werking der verbeelding even lief is; dat zij er zich evenzeer in verlustigt, het harte te von door afzonderlijke schets bij schets alle bezield, niet door hetzelfde, maar door een verwant gevoel, en daarom naar haren wil elkander opvolgende, hetzij ze dien te kennen geeft door vriendelijke bede, of oppermagtig bevel. In die stemming bezielt de verbeelding, in stille reeks een duizendtal parochin, en geniet in iedere van deze het karakteristiek lokale, op duizendlerlei wijze door den sabbath geheiligd, en verdeelt de schoonheid van dien gewijden dag over het gansche gelukkige land – zoodat er in n’ sabbath duizende sabbaths zijn.

Kweelt dan voort, al te zamen, kweelt dan voort, gij tallooze leeuwerikken! tot de hemel ne hymne is! Der verbeelding is te moede, als ziet zij ieder bijzonder veld, dat zijnen eigen’ zanger de lucht inzendt; – als is elk land de plek van ieders bijzonder nest. En onder de veelheid der harten, die in het geliefde vaderland, gedurende het zoete lentegetij, naar uwe lofzangen luisteren, verplaatst zij zich het gereedst in diegene, welke van geluk zoo rustig slaan, wie de weelde, dien de zang wekt, dreigt te doen breken! Wat zegge ik? Algenoegzaam is zij met allen: met het kleine meisje bij de wel, op de heuvelhelling boven de hoeve, dat te huis is gebleven om op een jonger kind te passen, dat den bijbel op hare knietjes houdt opengeslagen; – met den geraakten grijze, veilig in het zonneschijntje onder luifel of loofdak, tog de ochtenddienst zal zijn afgeloopen, nedergezet; – met den ziekelijken student, peinsziek in de lommer verscholen, en wien het week om het harte wordt, als hij bedenkt, dat deze lentebloemen misschien de laatste zullen wezen, die hij zien zal; – met het minnende paar, dat zamen, arm in arm, op den sabbath voor hun huwelijk, naar het Huis Gods gaat – en met levensmoede omzwervers, die hierbeneden geen tehuis hebben – en van wroeging verteerde zondaars, getroffen door de onschuldige gelukzaligheid, die zij in den hemel wel moeten hooren – en met twijfelaar – en met ongeloovige – en met athest, tot wien de hope niet komt, die komt tot allen. Welk een’ onderscheiden’ indruk maakt op zoo onderscheidene toehoorders dezelfde muziek op hetzelfde oogenblik dezelfde lucht vervullende!

Zingt de leeuwerik ooit des winters? Ja, soms wordt Januarij begunstigd met een Meidagsuur; en in den zoelen schijn, schoon de aarde nog kaler zij dan het zwerk, voelt de leeuwerik, die maanden lang gezwegen heeft, zich door de zonne tot zingen genoopt, niet zoo digt aan de poorten des hemels, en een korter lierdichtje, dan hij in de lente te kwelen pleegt, of uitstort, gedurende dat liefelijke aller saizoenen, wanneer hij noch gij zeggen kunt of de zomer reeds gekomen, dan of het nog maar voorjaar is. Ongepaard, en ook nog naar geen gaaike hakende, kan hij zich, in de vreugde zijns harten, van opvaart en loflied niet werhouden; maar de sneeuwwolken zien er koud uit en eer hij zoo hoog gestegen is als de spitse des kerktorens, sterft de doellooze aandrift, en daalt hij zwijgende weder tot den nog door geene sleutelbloemen opgeluisterden bergzoom ner.

In onzen jongenstijd was de lente voor ons nooit waarlijk gekomen, eer de helderzingende leeuwerik voor onze verheugde oogen ten hemel steeg. Dan eerst had de gansche aarde een vernieuwd gelaat, en de weergalmende hemel riep uit: „de winter is over en voorbij!” Wanneer wij dan op een’ feestdag door de uitgestrekte moerassen doolden, om in meer of poel te hengelen, kliefde, tenzij de dag overbewolkt was, altijd de eene of andere leeuwerik de lucht, en maakte een deel van ons geluk uit. Het diertje was niet vrolijker in de hemelen, dan wij het waren op den groenen oever, want ook wij hadden wieken, en vlogen den vierdag om.

Doch het is ons, als hoorden wij den zang van het Graauwe Vinkje, den lievelingsvogel van heel Schotland. Geen andere wordt zoo teederlijk in onze ballades bezongen. Toen de eenvoudige, maar volvurige minnezangers onzer herderlijke dagen hunner schoonen het eerst den naam. gaven van „mijn golijk gaaike,” toen moeten zij aan het graauwe vinkje hebben gedacht, welks vederen onopzigtig zijn – schoon stemmig net; – welks vorm bevallig is, schoon niet in het oogvallende; – welks zang ongezocht verscheiden heeten mag, – nu eens rijk, vrolijk, geestig, maar nooit ruw of wild – dan wer teeder, ja, schier weemoedig, zonder ooit somber of nerslagtig te zijn. Ik heb onwillekeurig zijn karakter geteekend; het neemt u, eer gij het weet, voor zich in: Gezellig dier, heeft het echter geen’ weerzin in eenzaamheid; somwijlen zingen zij zamen, een heele hoop, en even dikwijls elk voor zich alleen op het omgeploegde land of den bloemrijken heuvel. Niet zelden vindt gij zijn nestje op de afgelegenste plaatsen – in eene groep niet geplante, maar uit zaad opgewassen boomen, aan den oever eens wilden bergvloeds, of in de struikgewassen, langs den zoom van een bosch; en evenzeer treft gij het aan in de haag van den hof der hoeve, of in een lustprieel van dien, ja, tot in eenen ouden kruisbessenstruik, die tot eene soort van boom is opgeschoten.

Zekere wilde, maar heerlijke plek heugt ons wel – het was het boschje, waarin wij voor het eerst een graauw-vinkennest vonden, want in onze parochie was de vogel, al weten wij niet waarom, schier eene zeldzaamheid. De lang vervlogen dag staat ons zoo helder voor den geest als het tegenwoordig oogenblik. Verbeeld, u, vriend! in het moeras eerst eene kleine wel, van wilde kers omringd, – iets dat naar een beekje zweemt schijnt er aan te ontvloeijen, of liever, gij ziet een donkere tint groen, welks streep slechts door het vloeijende vocht kan worden voortgebragt – gij volgt dien, en allengs voelt gij, dat uwe voeten dalen – verder nog, en gij bevindt u tusschen lage heidehoogten, die, rijzende bij iederen stap, weldra hellingen en heuvels worden. Gij verbaast u, thans eenen stroom te bemerken, en ziet naar zijne bron om – en eensklaps wordt gij honderde beekjes gewaar, uit scheuren en spleten van alle zijden – en gij hoort het gedruisch van zijnen loop over beddingen van zand en kiezelsteenen – en luister, daar is een waterval! Een boom twee drie beginnen aan den gezigteinder hunne takken te bewegen – waarschijnlijk dat het berken zijn. Gij maakt uwe hengelroede gereed – en tegen dat ge drie dozijn forellen in uw mandje hebt geborgen, bevindt ge u aan eene houten brug; – er midden op staande, verrast ge den monarch van den vloed, en terwijl ge uwe oogen van zijne schubben opslaat, als hij den adem uitblaast op het strand, ontdekt gij eene hoeve, aan de eene zijde des daks overschauwd door een’ esch, aan de andere door een’ wilden vijgenboom omlommerd, en wordt misschien voor de deur een meisje gewaar, als eene fee of een engel.

Onze eeuw is de eeuw der bekentenissen, en waarom zouden wij er geene van eerste liefde mogen doen? Wij hadden ons zestiende jaar ten einde gebragt – en wij waren schier even lang als wij thans zijn, want onze gestalte was toen regt als een pijl, en schier even vlug als een pijl was onze spoed. Wij hadden er van afgezien vogelnestjes uit te halen; maar wij hadden niet opgehouden het dal te bezoeken, waarin wij voor het eerst het broedsel der graauwe vink vonden. Critici verzoeken onze vertellers gedurig, te bedenken, dat Schotlands jonge herderinnen niet schoon zijn als de scheppingen van eens dichters droom. Maar zij ging in schoonheid alle pozy te boven. Zij deed het, toen hartstogt en verbeelding jong waren – en haar beeld, haar ongeschonden, haar onverflaauwd beeld, doet het nog, nu hartstogt en verbeelding oud zijn geworden; nu onze oogen, zoowel als onze ziel, veel van beider open’ zin voor natuur en leven hebben verloren. Wij beminden haar van het eerste oogenblik, dat wij elkander ontmoetten, dat wij elkar zagen; – wij zien het licht harer oogen nog nu – hetzelde zachte, doordringende licht, dat ligchaam en ziel in vlam zette. Zij was maar eens armen herders dochter; doch wat maakte dat voor ons uit, wanneer wij hare stem eene harer oude klagende ballades op de heuvelhelling hoorden zingen? – Wanneer we naast haar nederzaten – wanneer een zelfde plaid beider schouders tegen de regenvlaag beschermde – en haar om een’ kus vroegen, die ons niet geweigerd werd – want wat had zij in hare schoonheid, en hare onschuld, en hare ouderliefde te vreezen? – en waren wij niet nog maar een jongen, wiens hartstogt weelde was, onbewust van bedrog, en bedeeld met een harte, dat toen voor allen open lag, als de zalen des hemels? – welk eene muziek was er dan in dien stroom! Geene geuren van het gezegend Arabi zouden zoo onze ziel hebben doordrongen, als die adem, welriekender dan het heuvelkruid, waarin wij zaten, de gansche wereld om haar vergetende. Vader, moeder, broeders, zusters, ooms, tantes en neven en nichten, en de drom van vrienden, die ons zouden afsnijden – als we laag en gek genoeg mogten blijken, om eene laaggeborene, kwalijk opgevoede, onwetende, ja, listige bedelares te trouwen – zij werden alle vergeten in ons delirium – zoo het inderdaad een delirium was, en niet eene altijd heilige toewijding aan waarheid en natuur! Want in welk opzigt, werden wij misleid? Eene stem – eene flaauwe, fluisterende stem – gesmoord door de aarde, die haar graf vult, en door de groene zoden, waarop thans de sleutelbloemen ontloken zijn – antwoordt: „In geen enkel!”

„Ha! ha! ha!” hoor ik dezen of genen lezer spotziek uitroepen; „hier hebben wij eene poging om pathetisch te zijn! eene armzalige poging voorwaar, want wie bekreunt zich over den dood van een gemeen herderskind? – we zijn het lager leven moede!” Wat dat betreft, vraag ik op mijne beurt: wie bekreunt zich over den dood van eenig sterfelijk wezen? Wie heeft geschreid over den dood, van welken vorst of veldheer ge wilt? Wie heeft over Napoleon geweend? Toen Chatham of Burke, toen Pitt of Fox stierven – och! maak mij toch geene leugens diets, door van de tranen van een volk op te halen. En zoo gij zelf, die misschien niet tot de lieden behoort, van wier lager leven u walgt! indien gij binnen een half uur stierft (ik bid u, schrik zoo niet), dan zouden allen, die u kennen – uitgezonderd twee of drie van uwe boezemvrienden, die, deels dewijl zij pietjebedroefds zijn, en deels dewijl ze weten, dat het fatsoenlijk heet, mogten krijten – den dag na uwe begrafenis op het mode-uur, tusschen twee en vier even goed gaan pantoffelen. Ook zou het in hunne hoofden niet opkomen, een din in de sociteit te laten afzeggen [misschien door u zelven vr een’ dag of veertien voorgesteld, toen gij gezond waart als een hoen], louter dewijl gij gek genoeg waart, om een’ togt op uwe longen te vatten, en daarmede in den vollen bloei uwer jaren om zeep te gaan. En daarom herhalen wij in spijt van al uw critisch scepticisme, mijnheer de redacteur of collega-medearbeider van eenig letterkundig tijdschrift! dat zij, schoon maar een Schotsch herderinnetje, volschoon was! – en voegen er bij, dat we, toen wij slechts eene week nadat wij afscheid van haar namen, terugkeerden, om haar, volgens onze afspraak, in onze armen te sluiten, en van haren vader vernamen dat zij dood was, ja, dood, eenige dagen dood, dat zij al in de kist lag, nervielen, alsof wij haar oogenblikkelijk zouden volgen. Toen wij weder waren ontwaakt, en haar in de wade zagen, zoo als zij binnen een uur zou worden begraven; – toen wij de treurigheid bijwoonden en stonden aan hare terp – en wisten, dat wij, noch het daglicht, haar ooit zouden wederzien; – toen werden wij bewust, hoe onbeschrijfelijk verre ellende zaligheid kan te boven gaan; toen gevoelden we, dat de ziel geen besef heeft van haar eigen aanzijn, tot plotseling een molensteen in hare diepten nerploft, en gesteen en gejammer er uit opborrelt, om den hemel aan te klagen.

Hoe gemakkelijk gaat het hart van de eene stemming in de andere over, van het sombere tot het plegtige – van het plegtige tot het liefelijke – van het liefelijke tot het dartele – terwijl de vreugde van dit zorgeloos oogenblik onbewust getemperd wordt door den invloed van dat heilig uur, die verflaauwd, msar niet verdwenen is; die de meest alledaagsche gewaarwording zijne tinten dragen doet, even als de gewoonste voorwerpen ter wereld ons liefelijker schijnen in ingedronken licht, ook dan zelfs als de stille maan, die het schonk, op hare plaatse niet langer zigtbaar is. Zulke overgangen zijn streelend in de kalmte der natuur en des harten; alle ware pozy is er vol van, en wat zijn zij in de muziek vermakelijk of aandoenlijk! Die afwisseling van tranen en lachjes, van vurige wenschen en rustige gedachten. Het orgel en de aeoolsche harp! Als het eene heeft opgehouden lof te galmen, hooren wij dien gaarne door de andere fluisteren – ook voelt de ziel niet het minste verlies van aandoening in den wissel – altijd haar zelve en haren wonderbaren aard getrouw – even sls zij dat blijkt, wanneer zij van de wolken door de avondzon gekleurd, hare blikken lager wendt, om de schoonheid van de vleugelen eens insekts of eens dauwdruppels te bewonderen.

Wij zouden voort bespiegelen, als we niet menig een’ onder hen, die deze bladen inzien, hoorden uitvaren tegen de barbaarschheid, de vrije luchtbewoners in koperdraden of teenen kooitjes gevangen te houden. Lieve lezer! roepen wij hem toe, bespaar uw medelijden voor andere voorwerpen. Of als gij lust hebt ons de gepastheid dier heusche teregtwijzing te betwisten, laat ons zamen naar uwe keuken of kelder gaan, en het publiek opregt vertellen, wat we daarin zien. Drie koppel patrijzen – twee dito houtsnippen – een faizant – de stakker! – een paartje, man en wijf van het eendengeslacht – dertien offers, waarvan eenige slapende verslagen, die alle vermoord zijn. Op ons woord, men kan niet logischer redeneren, men kan niet christelijker doen gevoelen dan gij doet, als gij uitvalt tegen de wreedheid, waarvan onze kooitjes getuigen. Wat dunkt u, als wij dit moordenaarshol maar verlieten, en we u op een glas ouden wijn onthaalden in ons eigen vertrek? Kom – kom – geene pligtplegingen; – of meent gij, dat wij u niet herwaarts bragten, om u te beschamen? Zie dat pasgetrouwde paar Kanaries eens. Voorzeker, haar nestje is niet in den bloemrijken stijl gebouwd; maar mevrouw Saffraantje zit er toch als een gelukkig gaaike op. Kom over een’ dag of wat wer, en gij zult haar drielingen zien bakeren. Intusschen luister eens hoe die brugom op zijn fluitje speelt; maar wat zeg ik, ge stopt er immers beide uwe ooren al voor toe. – Weet ge ons ergens een levenslustiger paartje aan te wijzen, dat beter te moede is, het zij ge het in onze gezelschapszaal, of in onze bibliotheek, of in onze kinderkamer aantreft? Want, om u de waarheid te zeggen, wij houden een paar kooitjes na in bijna ieder vertrek des huizes. En nu, waar is wreedheid, hier, of in uwe met bloed bevlekte keuken en kelder? Maar gij moet eten, zegt ge. Wij antwoorden – doch waarom juist vogelen? De vraag geldt pluimgedierte – wreedheid jegens de gvederde bewoners des wouds; en viel die snuggere, oude, wilde gans, welke door een enkel oogenblik ligtzinnigheid zich vangen liet, en laatstleden’ woensdag in uwe provisiekamer werd gebragt, viel hij voor een oogenblik weder op te wekken, om deel te mogen nemen aan ons gesprek, verbeellt ge u, dat al uw vernuft, al uwe welsprekendheid in staat zouden zijn, om hem – die nu verscheiden en verteerd is – te overtuigen, dat gij in de droevige noodzakelijkbeid waart, hem te doen opvullen met appelsaus etc. op te peuzelen?

Het strijdt met den aard der dingen, dat een ornithologist wreedaardig zou wezen – in tegendeel behoort hij tot de humaansten van ons geslacht. Louter opzetters – schier had velvullers geschreven – zijn geene ornithologisten – wij hebben er onder dat ras gekend, die er geen been in souden hebben gevonden, hunne eigene moeder of vermeenden vader den nek om te draaijen. En echter, als de ware ornithologist den vogel, dien hij behoeft, niet levend vangen kan, dan slaat hem dood, en laat het san u over er een elegietje op te huilen of te dichten. Onder myriaden millioenen moeten eenige slagtoffers zijn – en duizenden en tienduizenden zijn weinige; maar de ornithologist kent de saizoenen, in welke het sterven ligtst valt – hij is barmhartig in zijne wijsheid – want de geest der kennis is genadig – en „gedachten, die te diep voor tranen liggen,” verzoenen hem met de trillende vederen, door bloed besmet. Wie zal het, bij voorbeeld loochenen, dat het hard is, verpligt te wezen eene Zenaida-duif te schieten? En toch, een dier lieve dieren moest sterven, om Audubon’s Afdeeldingen te voltooijen. Hoevele levende heeft hij er liefgehad, hoevele gevoed en gespaard! En hoeveel meer duiven van allerlei soort, en op honderderlei wijzen gekookt, gebraden, gestooft, hebt gij verslonden – wel twintig tegen zijne ne – gij, die een gulzigaard, en een lekkerbek zijt, terwijl hij zich te aller tijd met het eenvoudigste maal vergenoegde; misschien een slaadje van waterkers, bij eene beek in de lommer van het bosch geplukt, of in de vier en twintig uren n hard ei of een koekje bouillon, gesmolten in de potscherf van een’ daglooner, en waarvan ieder der verbaasd toeziende vlaskoppen van dezen een’ lepel proefde, eer een droppel vochts de verschroeide lippen des natuuronderzoekers verkwikken mogt.

De vernuftige auteur der Verhandeling over de Britsche vogelen verwaardigt zich niet ons regt, om hen in kooitjes op te sluiten, te verdedigen; maar hij geeft blijken zijner echte humaniteit, ons leerende, hoe wij hen in hunne gevangenschap gezond en gelukkig kunnen maken. Aardig merkt hij op: „Wat zijn de tuinen in onze steden, wat de parken op onze pleinen anders, dan eene poging om der stad een’ zweem van het voorkomen des velds te geven! Zoo vurig verlangt de mensch in de geneugten des landlevens te deelen, dat hij eenige van deze zelfs binnenshuis, ja, binnenskamers tracht te brengen. Planten en vogels zijn algemeen gezocht, en worden met lust opgepast en gevoederd. We pogen onze vertrekken, door middel van bloemen, in eenen hof te herscheppen, en wij denken aan woud en weide, als wij den zoeten wildzang onzer gevederde gevangenen het oor leenen. Dikwerf zijn zij, die, vogelen houden en hun gekweel liefhebben, verlegen, hoe die kleinen in hunne krankten het best worden verpleegd, of voedsel, dat voor hun onderscheiden gestel past, dient te worden gereed gemaakt; en echter is deze kennis volstrekt zakelijk, om hunne orgelkeeltjes zuiver te doen klinken; bij gebreke van haar, verliest menig liefhebber onverwacht zijne grootste gunstelingen.”

Dat is een doctor die ons lijkt. Als wij wel onderrigt zijn, dan praktiseren en proberen er in Edinburg nagenoeg omstreeks vijfhonderd artsen – buiten die medicijnmeesters van het menschelijk ras, hebben wij hondendoctors en paardendoctors in menigte; – maar vogeldoctors hebben wij niet. En toch dikwijls, te dikwijls, wanneer het geheele huis, van den zolder af tot den kelder toe, weergalmt van het gekrijt en geschreeuw van kinderen, die tanden krijgen, of den kinkhoest hebben, zit de vlasvink zwijgend op zijn stokje, – een druiloorige bos veren, – en valt eindelijk dood ner, schoon zijn leven door een greintje oordeelkundig toegediende artsenij te redden ware geweest. Inderdaad, ons, die doctors voor de tuchthuizen houden, en het diet, en het dagwerk der verstoktste boeven regelen, ons staat het kwalijk, dat wij onze onschuldige, ons opbeurende gevangenen, dus medoogenloos laten wegkwijnen en sterven. Waarom rigten de dames van Edinburg voor dat doel geen genootschap op?

Geen enkele van al de wijsgeeren ter wereld is in staat geweest ons te zeggen, wat geluk is. Valt het aan zwakte van oordeel, of aan ziekelijkheid van gevoel toe te schrijven, dat men Sterne’s spreeuw algemeen voor een zoo bitter te beklagen beest heeft aangezien? Waarschijnlijk was hij een der vergenoegdste vogels in het heelal. Of maakt opsluiting – de engste, meest gezellooze opsluiting – een’ onzer ongelukkig? Is ge schoenflikker, die van den ochtend tot den avond, met het hoofd op zijne knie, in een gat in den muur zit, in eenig opzigt beklagenswaardig? Is de verlatene weeze, die den ganschen dag op een zoldertje zit te naaijen, terwijl de oude vrouw, voor welke zij werkt, uit wasschen ging, een voorwerp van medelijden? of de weduwe van tachtig, op de hurken bij de heete asch gezeten, met een zwart gerookt eindje in den tandeloozen mond? Is het waarlijk iets zoo akeligs, alleen te zijn, of zijne bewegingen beperkt te zien binnen de engstdenkbare grenzen? Altemaal gekheid!

Lieve lezer! zijt gij ooit in de Hooglanden, ooit in deze in eene shieling geweest? Zoo neen, wij zullen er u door deze uitspanningen later inbrengen; voor heden volsta de volgende beschrijving van zulk eene berghut. Van turf gebouwd, is zij letterlijk levend, want de heiplaggen bloeijen voort, en wanden en dak, met wild gebloemte overdekt, gonst van bijgedommel. Die nijvere beestjes moeten mijlen ver gekomen zijn, om hunnen balsem me te voeren. Er is maar n menschelijk wezen in die shieling; maar het is er verre van, dat hij daarom eenzaam zoude zijn. Hij wordt die afgelegene plek even weinig moede als de zonneschijn of de lommerschauw: verveling blijft hem vreemd. Voor hem zelven alleen zingt hij zijne oude Gaelische zangen, of dicht deuntjes op zijne eigene hand, voor de raaf en de ree. Zoo gaan maanden om, en hij daalt weder tot de Laaglanden af. Misschien neemt hij dienst – vecht – wordt gekwetst – en keert wer naar Badenoch of Lochaber, en zit andermaal, – in zijne verbeelding, de veldslagen van het regement, waarbij hij in Egypte, Spanje, Vlaanderen of Indi heeft gestaan, dooreenhaspelende met de dappere daden, weleer door Ossian bezongen, – tevreden voor de deur van dezelfde shieling, in welke hij de zomers zijner jeugd heeft weggedroomd en die hij nu weder opbouwt en verfraait.

Om tot de vogelen in kooijen terug te keeren, – mits gezond zijn ze doorgaans zoo gelukkig als de dag lang is. Wat anders zou hen kunnen verpligten, willens of onwillens, luidkeels hunne liedjes aan te heffen – zoo vlug en zoo vrolijk heen en wer te springen – kunstjes te maken, of zij kermiskoordedansers waren – zoo rustig te slapen, en bij het aanbrkLen des dageraads te tjilpen van lust? Sterne en al de overige sentimentalisten vergisten zich zoo zeer, dat de spreeuw, dien hij dwaas genoeg onderstelde, uit zijne kooi te willen, geene ver zou hebben verroerd, wanneer de deur van zijn kooitje wijd was opengezet, tenzij dat hij als een kregele kemphaan naar de hand had gebeten, die in zijn kooitje kwam, om hem los te laten. Wees er van overtuigd, dat de spreeuw niet het minste begrip had van wat hij naklapte; dat hij zich zijner ondankbare dwaasheid zou hebben geschaamd, zoo hij de woorden had verstaan. Sla kanaries en roodstaartjes en vlasvinken, sla, wie gij wilt, der tam gewordene woudbewoners gade, – hoe zij de er zich eene wijle in verlustigen door de kamer te vliegen maar weldra overtuigd, welk eene armzaligheid het is, wereldburger te wezen, naar hunne kooitjes wippen en de deur van binnen sluiten, blijde weder te huis te zijn. Begin zelf te fluiten of te zingen, en fluks hebt gij een duet of een trio. Wij weten ons geen volmaakt rustiger en vrolijker leven voor te stellen dan dat van den Goudvink, die des voorjaars met zijne vrouw en zijne kinderen in een kooitje zit. Al zijne gezellige neigingen zijn bevredigd, hij is een lid der beschaafde maatschappij geworden. Hij ontwikkelde, hij verwierf menige begaafdheid, waarvan zijne broederen in het geboomte geen begrip hebben; trots de grootste schaarschte, is hij nog nooit zonder eten naar bed gegaan, heeft hij noch de zijnen ooit honger gelen; en hij bewondert de schoone vorstbloemen op de vensterschijven, terwijl duizende zijner gevederde vrienden in de sneeuw liggen begraven, of, wat schier even erg is, in eene pastei zijn gebakken, en verslonden worden door een groot gezelschap heeren en dames, ten souper aangezeten, die zich voor scherts en spel met zulke spijzen versterken, en wroegingloos dozijn bij dozijn dier wildzangers van het woud verslinden.

Wel, wel, Goudgeeltje! woudt gij weten, wat wij nu doen, terwijl gij ons met schelmsche oogen en opgestokene kuif zit aan te kijken, wat onze pen toch uitvoert? Lief beest! zou menschelijke kennis u wijzer of beter maken? Soms klopt uw hartje van angst, als een groote, leelijke, starende medearbeider, zijn’ inquisiteursneus tusschen uwe tralies steekt – of als eene vreemde kat de gansche kamer rond- en wer rondsluipt, u betooverende door de schittering harer wilde, wreede oogen; maar wat zegt dat alles bij de plagen van een’ redacteur? Of weet gij, onnoozele! weet gij niet eens, dat wij de redacteur van Blackwood’s Magazine, dat wij Christopher North in hoogen persoon zijn! En toch is het inderdaad zoo: wij zijn die man – dat zelfde veelgelasterde mensch-monster en bullebak. Kom, kom! – zet u op onzen schouder ner, en laat ons zamen eens helder om de gansche wereld lagchen!

 


Hoofdstuk II